Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Rotte vis

Ben een tijdje offline geweest, maar nu weer terug op deze webstek met een regelmatige nieuwe bijdrage. Afgelopen zondag meende ik Bas Haring een hart onder de riem te moeten steken en deed dat bij Vroege Vogels. Hier mijn column:

Onder de schurende kop ‘De natuur kan best wat soorten missen’ publiceerde De Volkskrant onlangs een interview met volksfilosoof Bas Haring, bekend van prettig leesbare boeken en boude uitspraken. Haring vraagt zich openlijk af of het met de biodiversiteit niet een tikje minder kan en of we daar dan last van zouden hebben. Er zijn bijvoorbeeld 700 soorten tropische vijgenwespen, maar wat zou er mis gaan als dat aantal tot de helft zou slinken? Is de aarde er akeliger aan toe met maar 350 soorten vijgenwespen? Een paar jaar geleden vroeg hij zich af wat er mis gaat als de panda zou uitsterven. Toen, en nu ook, werd en wordt Haring met hoon overladen. Vooral door biologen. Pek en veren. Rotte vis.

Maar Bas Haring doet precies wat een filosoof hoort te doen, namelijk ons aanzetten tot nadenken – en dat kan nooit kwaad, ook niet wanneer dat leidt tot vervelende conclusies. Ga naar na: de mammoet is uitgestorven, en de wolharige neushoorn, de sabeltandtijger, de dodo, de trekduif, de Carolina parkiet, de Tasmaanse buidelwolf, de reuzenalk, de zeekoe van Steller, het winterkoninkje van Stephen’s Island, de Myotragus en het dwergnijlpaardje van Cyprus – en zo kan ik doorgaan tot het nieuws van tien uur. Maar wees eerlijk: eet u daar een boterham minder door? Is een zomerse zonsondergang bij Kijkduin daardoor lelijker geworden? Geniet u minder tijdens een ochtendwandeling langs de Drentse Aa? Nee natuurlijk niet!

Het zal niet lang meer duren voordat ook de orang-oetan is uitgestorven, gevolgd door de witte en Sumatraanse neushoorns, de iconische panda, de gorilla en 350 soorten tropische vijgenwespen. Maar ook dan eet u geen aardappel minder en blijft de aardbol om zijn as tollen en rondjes om de zon draaien.

Alle negen of tien miljoen dier- en plantensoorten die bestaan, zijn het resultaat van bijna vier miljard jaar evolutie. Zij hebben alleen al vanwege die prestatie een intrinsieke reden van bestaan en verdienen het absoluut om niet te worden uitgeroeid. Ze mogen best worden beschermd en dat mag ook nog wat kosten, maar als dat om wat voor reden dan ook misgaat, is er weinig aan de hand. Morgen is er weer een dag, met verse koffie en een glaasje wijn bij het eten; maar wanneer Bas Haring dat nuchter constateert, is de wereld te klein.

Nee, niet de filosofen die ons prikkelen en laten nadenken zijn het probleem, maar de Trumps en de Bolsonaro’s van deze wereld – en eigenlijk wij allemaal, terwijl we zaniken over processierupsen en klagen over een molshoop in het gazon en vol ijver dat wespennestje onder de dakgoot doodspuiten. En dan is de mensheid ook nog hard op weg naar de tien miljard. Dat er dan geen plek meer overblijft voor veel andere soorten is een nare constatering, maar wel één die klopt. Denk daar maar eens over na, straks bij de koffie.

Fijne zondag.

(Ook te beluisteren op: https://vroegevogels.bnnvara.nl/nieuws/jelle-reumer-rotte-vis )

Advertenties


De bomen en het bos…

Voor wie afgelopen zondag 21 april Vroege Vogels heeft gemist: hier is de tekst van mijn column.

Er is veel te doen over onze bomen, op de sociale en in de papieren media wordt dagelijks geklaagd over de ongebreidelde bomenkap, maar ook gepleit voor meer biodiversiteit waarvoor juist wél bomen moeten worden gekapt, én voor minder CO2 waarvoor weer aanplant nodig is, én voor of tegen houtstookcentrales en dat alles in een zodanige melée van vaak onzinnige meningen dat geen mens door de bomen het bos nog ziet. Dat bomen CO2 vastleggen staat buiten kijf, maar zodra ze doodgaan en worden verbrand of wanneer ze verteren (wat chemisch gezien ook verbranden is maar dan veel langzamer en zonder vlammen) komt die CO2 weer vrij. Bomen helpen dus alleen op de korte termijn, ze geven Parijs een beetje respijt maar lossen het probleem niet op.

En dan, je hebt bomen en bomen. Er zijn eeuwenoude eiken en linden maar ook populieren die na al een jaar of veertig krakkemikkig worden. Er zijn bomen die hier van nature thuishoren en exoten als Douglas sparren en Amerikaanse eiken. Er zijn sierbomen en productiebomen. Prachtige eikenlanen bij oude landgoederen en sparren als scheepsmasten in rijen als de grafzerken op een soldatenkerkhof. Mensen hechten zich aan de bomen in hun omgeving, zelfs als dat eindeloze rijen ondenkbaar ijle populieren zijn. Een boom is meer dan een boom, en de hak- en zaagwoede is de laatste tijd flink uit de hand gelopen. Natuurmonumenten maakt pas op de plaats, Staatsbosbeheer legt geduldig uit dat er goede argumenten achter de zaagwoede steken, maar de timing is uiterst onhandig.

Wat mij nog het meeste stoort, is dat een bos niet wordt meer gezien als een natuurgebied, maar als een recreatieterrein. Je moet er niet alleen kunnen wandelen, maar ook hardlopen, fietsen en mountainbiken en bij gebrek aan handhaving zelfs kunnen motorcrossen. Er worden overal mountainbike-parcoursen aangelegd en mtb-wedstijden georganiseerd. Wat een waanzin.

Nederland bungelt bovendien met 11% bosoppervlak schaamteloos onderaan het Europese landenlijstje. Minister Carola Schouten, die ik meestal het voordeel van de twijfel gun, heeft nu gezegd dat de ontbossing moet stoppen. Ik heb een idee: een win-win-win oplossing. Vorm landbouwgrond om tot bos, dat wil zeggen, plant duizenden CO2-vastleggende bomen op gronden waar nu mais wordt geteeld, leg daar dan mtb-parcoursen in aan en ontlast zo de bestaande bossen van die maffe sport. Ik zie alleen maar voordelen: er zijn minder afgrijselijke maisvelden, er komt veel nieuw bos bij, er wordt tijdelijk een hoop CO2 vastgelegd en de bestaande bossen komen weer beschikbaar voor wie er echt thuishoren: de wielewaal en de bosuil.

Maar met een minister die weliswaar van goede wil is maar ook landbouw in haar portefeuille heeft, zie ik toch een beer op de weg. Dat de agrobusiness en de natuurbescherming in één departement zijn ondergebracht is net zoiets als een leeuw en een lam in één hok stoppen. Dat loopt nooit goed af. Dan wint de leeuw, raggend op een mountainbike en zwaaiend met een kettingzaag in zijn klauwen.

 

 

 

 

 

 


Blijkt of lijkt pijpen een goed idee?

Het Kenniscafé van De Balie, Volkskrant, KNAW en NEMOKennislink ging in april over ‘sloppy science’. Mijn slotcolumn van deze avond:

Nee, ik ga het niet hebben over die hoogleraar van de Katholieke Universiteit Tilburg die nu geen hoogleraar meer is, en ook niet over zijn collega van de Radboud Universiteit die ooit beweerde dat je van vlees eten agressief wordt. En ook niet over ‘the right honourable’ mevrouw Annie Schreijer-Pierik van de Europese CDA-fractie die beweerde dat vleeseten een geneeskrachtige werking heeft. Dat is allemaal geen wetenschap, hooguit lulkoek. Dat woord, lulkoek, vormt een mooi bruggetje naar het volgende. Afgelopen week stond er een prachtig koppenrijm in de Volkskrant.

Onderaan op een linkerpagina de aankondiging van het Kenniscafé: ‘Een avond over rammelend onderzoek en hoe het beter moet, met topwetenschappers en een heuse Chief Failure Officer’, zo werd vermeld. Schuin daarboven en niet te missen, de kop ‘Orale seks lijkt kans op miskraam te verkleinen’. Dat was een bericht waar heel mannelijk Nederland zich de vingers bij aflikte, want de simpele conclusie lijkt dat er meer gepijpt moet worden teneinde het nodige zwangerschapsleed te voorkomen. Dat dan dus eigenlijk onnodig leed is, zo wil dit bericht doen geloven.

Meteen sprong een pientere wetenschapsjournalist van de NRC er bovenop en ging een beetje factchecken. Het bleek dat de statistiek eigenlijk op een te kleine steekproef was gefundeerd en dat de bewering dat pijpen helpt daardoor ongefundeerd is. Jammer jongens. Maar de pienteraar had een slimmigheidje van de Volkskrantredactie over het hoofd gezien: het woordje ‘lijkt’. Er stond niet dat fellatio de kans op een miskraam ‘blijkt’ te verkleinen, maar dat ‘lijkt’ te doen. Eén letter verschil maakt dat er een totaal andere bewering staat, en dat hier iets ‘lijkt’ kun je moeilijk ongefundeerd noemen.

Wetenschappers bedienen zich buitengewoon vaak van termen die omfloerst aangeven dat er geen 100% zekerheid is. ‘We suggest’, ‘the authors propose’, ‘our working hypothesis is …’, ‘possibly’, ‘supposedly’, ‘it seems that’, ‘the results of our analysis appear to suggest that’, en zo kan ik nog wel even doorgaan. In veel gevallen eindigt het artikel waarin dit staat met een zinsnede dat de voorlopige en statistisch nog ietwat onzekere conclusie moet leiden tot vervolgonderzoek (‘more research is needed’). Het gaat daarna mis wanneer zo’n voorlopige conclusie wordt overgenomen in een volgend artikel of in een mediabericht, maar dan met een iets minder omfloerst geformuleerde onzekerheidsmarge. En dat gaat daarna snel een eigen leven leiden; de onzekerheid wordt zekerheid en daarna waarheid. Sindsdien leidt inenten tegen de mazelen tot autisme. Dat krijg je ervan.

Ik ben nu benieuwd hoe snel de statistisch rammelende conclusie van het Leidse pijponderzoek tot onfeilbaar mantra wordt verheven en de film Deep Throat als voorlichtingsfilm wordt heruitgebracht.

 

 


Visie of vuurwerk?

Vandaag, 28 december, gaat de vuurwerkverkoop van start. Daarom nog een tekstueel knallertje op de grens van het nieuwe jaar. Mijn decembercolumn voor Vroege Vogels:

“Ik stem van harte in met het motto ‘De beste regering is die welke het minst regeert’ en ik zou het waarderen als het sneller en systematisch zou worden opgevolgd. Als het zover is, komt het uiteindelijk neer op het volgende, waarin ik ook geloof: ‘De beste regering is die welke helemaal niet regeert’; en wanneer de mensen daaraan toe zijn, zal dat het soort regering zijn dat ze zullen hebben.”

Dit zijn niet mijn woorden; ze werden in 1849 gepubliceerd door Henry David Thoreau, de beroemde Amerikaanse natuurfilosoof, nadat hij een paar jaar eerder een nachtje in het cachot had doorgebracht vanwege zijn weigering belasting te betalen. Een regering die helemaal niet regeert, het zijn woorden waar ze in Amerika wel pap van lusten. In ons eigen land hebben we liever een regering die wel regeert, die visie uitstraalt en verstandige dingen doet. Maar helaas, wie dat denkt, komt bedrogen uit. Onze regeringsleider meent dat wanneer je op visie zit te wachten, je maar naar de oogarts moet gaan.

Ik moest meteen aan deze woorden van Thoreau denken, toen ik deze week in de krant het bericht las dat de gemeenten het instellen van vuurwerkvrije zones overlaten aan de burgers zelf. Het vuurwerkfestijn rond de jaarwisseling is volledig uit de hand gelopen. Terwijl u en ik de open haard en de barbecue niet meer aan durven steken vanwege het fijnstof en de geurtjes die het luchtruim kiezen, worden in een paar uur tijd een hoeveelheid fijnstof en zwaveldampen de lucht in geblazen waarbij de bombardementen in Jemen en Syrië verbleken als onschuldige kampvuurtjes. Onze huisdieren beleven een urenlange nachtmerrie. De oogartsen en chirurgen komen handen, scalpels en naald en draad tekort om alle oorlogswonden te behandelen. De politie en brandweer draaien overuren. De gezamenlijke Nederlandse vogelfauna kiest het luchtruim en blijft een paar uur op veilige hoogte rondcirkelen. De luchtverkeersleiding kan de wolken vogels op hun radarschermen waarnemen.

Al jaren pleiten honden- en kattenliefhebbers, artsenorganisaties, politie en brandweer en iedereen die de natuur een warm hart toedraagt voor een verbod op die flauwekul. Maar de overheid wil (pun intended) aan zo’n verbod de vingers niet branden. De rijksoverheid schuift de verantwoordelijkheid af naar de gemeenten, en die schuiven het nu door naar de burgers. Die mogen per straat uitzoeken of ze een vuurwerkvrije straat willen zijn of niet, en dan krijgen ze een leuk bordje cadeau waar dat op staat, maar de gemeente zegt er voor het eigen gemak meteen bij dat ze zo’n vrijwillige vuurwerkvrije zone niet gaan handhaven. Geen prioriteit. En dus hebben we straks weer de nodige kapotte vingers, ogen waar het licht uit verdwenen is, een paar miljoen bange honden en katten, en grote wolken opgeschrikte vogels.

Voor visie moet je bij de oogarts zijn, maar ja, die is dan net even druk bezig met opereren. Henry Thoreau krijgt zo ongewild zijn negentiende-eeuwse zin: we hebben een regering die niet regeert. Onthou zijn naam, Thoreau: die man had pas visie!


Een moderne kwaal: Interauriculaire Synapsdeficiëntie, ofwel IASDD

Onderstaande column was bestemd voor het Kenniscafé in De Balie van november, met als onderwerp vaccinatie

Ik wil met u een ernstige aandoening bespreken waar vanavond wel woorden aan zijn gewijd, maar zonder dat het beestje concreet bij de naam is genoemd. Wij moeten het eens hebben over IASDD, een besmettelijke cerebrale aandoening die volgens de laatste epidemiologische gegevens vooral in de Nederlandse bakfietswijken om zich heen grijpt. IASDD, het is een Engelse afkor  ting, staat voor Inter Auricular Synaps Deficiency Disorder, in het Nederlands ook wel simpelweg Interauriculaire Synapsdeficiëntie genoemd, toepasselijk afgekort tot IS.

Het gaat om een meme, dat wil zeggen dat het om een zichzelf reproducerend cultureel verschijnsel gaat, maar dan één waarbij de hersenen aantoonbare schade oplopen en fysiek worden aangetast, zodat sprake is van een culturo-somatische aandoening.

Laten we eerst de term, die zich taalkundig voordoet als een moeilijk lemma uit de DSM-V, eens analyseren. Inter Auricular Synaps Deficiency Disorder dus. Interauriculair betekent dat het centrum van aantasting zich tussen de oren bevindt. Dat is één. Synapsdeficiëntie betekent dat sprake is van een deficiëntie, een gebrek dus, aan synapsen. Synapsen zijn de verbindingen tussen zenuwcellen, en de miljoenen zenuwcellen in ons brein bezitten tezamen miljarden synapsen om het cerebrale netwerk te laten functioneren. Bij een toenemend tekort aan synapsen gaat de werking van het brein snel achteruit.

Er zijn mensen met een oligosynaptisch brein – zij bezitten weinig synapsen en bijgevolg een beperkt denkraam. Er zijn zelfs mensen die een mono- of zelfs asynaptisch brein lijken te bezitten. Zij zijn iedere vorm van denkvermogen kwijtgeraakt en functioneren slechts op de reflexen die de ruggenmerg nog kan voortbrengen. Daardoor kunnen eenvoudige handelingen als wandelen, fietsen, televisiekijken, kinderen-naar-school-brengen en appen toch nog mogelijk zijn.

De aandoening is klinisch eenvoudig aantoonbaar met een CT-scan – u ziet hier een recent geconstateerd voorbeeld geprojecteerd van zo’n deficiënt brein. Meestal moeten we het helaas doen met de in het vrije veld waargenomen symptomen zonder dat een eenduidige diagnose is gesteld. Het voldoet echter wel.

Een ernstige vorm van Interauriculaire Synapsdeficiëntie is de laatste jaren in opkomst in Nederlandse wijken waar een giftige combinatie van Facebookverslaving, orthodox Rudolfsteinerisme, bakfietsbezit en per ongeluk aangewaaide hoogopgeleidheid uiteindelijk uitmondt in IS – en statistisch significant daaraan gerelateerd in ontvankelijkheid voor het antivaxersvirus. Op het moment dat dát virus zich eenmaal in het toch al deficiënte brein heeft genesteld, is er helaas niets meer aan te doen. Het enige dat dan nog rest, is de constatering dat sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, voornamelijk maar niet uitsluitend in de directe omgeving van de patiënt. Enige vorm van palliatieve zorg is kortstondig mogelijk, maar daarna zijn de behandelmogelijkheden geheel uitgeput.

En, helaas, een vaccin tegen het antivaxersvirus is per definitie onbestaanbaar, want dat is een medisch oxymoron. En dat wordt dus níet vergoed.

 


Henry David Thoreau: Wandelen

“Ik wil een pleidooi houden voor de Natuur, voor wildheid en absolute vrijheid, en deze plaatsen tegenover burgerlijke vrijheid en beschaving. Ik wil de mens niet beschouwen als lid van de samenleving maar als bewoner, die deel van en één met de Natuur is. Ik wil mijn standpunt zonder voorbehoud en zo radicaal mogelijk duidelijk maken, want verdedigers van de beschaving zijn er genoeg: de predikant, het schoolbestuur – en ook u allen hier aanwezig is dat toevertrouwd.”

(…)

“Het Westen waarover ik spreek, is alleen maar een andere naam voor het Wilde; en wat ik heb willen zeggen, is dat in Wildheid het behoud van de wereld ligt.”

(…)

“Afgelopen november maakten we op een dag een prachtige zonsondergang mee. Ik wandelde in een weide waar een beek ontsprong, toen de zon ten slotte, vlak voor hij onderging, na een koude, grijze dag, een wolkenloze laag aan de horizon bereikte, en het allerzachtste, helderste ochtendzonlicht op het droge gras viel, op de stammen van de bomen aan de tegenovergelegen horizon en op de bladeren van de struikeiken op de helling, terwijl onze lange schaduwen zich naar het oosten over het gras uitstrekten, alsof we de enige stofdeeltjes in zijn stralen waren. Het was een licht zoals we het ons vlak daarvoor niet eens hadden kunnen voorstellen, en de lucht was ook zo warm en kalm dat er niets meer hoefde te gebeuren om van de weide een paradijs te maken. Toen we bedachten dat dit niet een uitzonderlijk verschijnsel was dat nooit weer zou plaatsvinden, maar dat het altijd weer, een oneindig aantal avonden zou plaatsvinden en het ook het jongste kind dat met ons liep zou opbeuren en vrolijk maken, was het nog schitterender. De zon gaat onder boven een oude weide, waar geen huis te zien is, met alle glorie en pracht waarmee hij steden overlaadt, zoals hij misschien nooit eerder is ondergegaan – daar laat een enkele blauwe kiekendief zijn vleugels vergulden, een muskusrat kijkt uit zijn hut, en in het midden van het drasland begint een zwartgeaderd beekje net te meanderen en wentelt traag om een vermolmde boomstronk. Zonder enige rimpeling of geruis te horen, wandelden we in zo’n zuiver en helder licht dat de dorre grassen en bladeren zo zacht en sereen verguldde, dat het was alsof ik nog nooit in zo’n gouden vloed had gebaad. De westkant van elk bos en elke helling lichtte op als de grenzen van het Elysium, en de zon op onze rug voelde aan als een vriendelijke herder die ons tegen de avond naar huis dreef. Zo kuieren wij naar het Heilige Land, tot de dag dat de zon helderder zal schijnen dan ooit, en onze geesten en onze harten zal verlichten, en onze levens zal beschijnen met een ontwakend licht, zo warm, zo sereen en goudkleurig als op een oever in de herfst.”

Dit waren achtereenvolgens de openingszin, de beroemde zin over Wildness (“in Wildness is the preservation of the World”), en de slotalinea, het prachtige coda met de zonsondergang uit Henry David Thoreau’s essay Walking, dat nu onder de titel Wandelen in Nederlandse vertaling is verschenen bij de Historische Uitgeverij (isbn 9789065540997). De vertaling is voorzien van een voorwoord van Norbert Peeters en een duidend nawoord van mijzelf. Het is een prachtig boekje geworden!


Het werkwoord pissebedden

Het Kenniscafé in De Balie van september handelde onder de titel De weg kwijt over oriëntatie, over oude en nieuwe kaarten, en de vraag of vrouwen inderdaad slechter zijn in kaartlezen dan mannen (dat is dus aperte nonsens). Mijn column ging over verdwalen:

Wanneer je in de tuin een achtergelaten bloempot, een losse steen of een vergeten houtblok optilt, is de kans groot dat zich daaronder een aantal pissebedden bevinden. Leuke beestjes zijn dat, eigenlijk op land levende kreeftjes en nuttige opruimers van allerlei dood spul. Zeer waarschijnlijk hebben ze een weinig ontwikkeld gevoelsleven hoewel je ze wel vaak in gezellige groepjes bijeen aantreft. Maar, ook al zullen ze niet veel denken, ze hebben wel ergens een hekel aan, namelijk om te worden gestoord in hun rust. Die plotselinge vrijheid na het optillen van de bloempot, het overvloedige licht dat ze overvalt, en tot overmaat van ramp ook de al even plotselinge overvloedigheid aan frisse lucht. Ze gaan er van door; in een paniekerige reactie schieten ze alle kanten op, totaal gedesoriënteerd.

Grijze trilobietjes die hun rust kwijt zijn, én de weg. ‘Waarheen?’ flitst het door de minuscule pissebreintjes. Als in een Brownse beweging begeven de diertjes zich derwaarts, op zoek naar rust, duisternis en vochtige bedomptheid. Ze vinden het wel weer, maar de erratische zoektocht ernaar is koddig om te zien, hoewel er een zekere mate van leedvermaak in deze observatie schuilt. Het is zelfs zó koddig, dat bij ons in huiselijke kring het werkwoord ‘pissebedden’ is ontstaan, om gedesoriënteerd rondlopen mee aan te duiden. En let maar eens op: ongemerkt loopt menigeen heel wat te pissebedden.

Maar dan: wat is daar mis mee? Wat gaat er fout als je even de weg niet weet?  Of je ergens links- of rechtsaf moet? Of misschien toch nog even rechtdoor? Het ergste wat je kan overkomen is dat je verdwaalt. Verdwalen is de overtreffende trap van pissebedden. Of beter: de ultieme vorm ervan.

De meeste mensen vinden het vervelend om te verdwalen. Je wordt op jezelf teruggeworpen, geconfronteerd met je eigen gedachten, je feilbaarheid, je onzekerheden en – dat geef ik toe – weinig dingen kunnen zo irritant zijn als de confrontatie met jezelf. Maar daar moet je overheen proberen te stappen. Rondlopend in een onbekende omgeving, zonder visuele herkenningspunten of geografische houvast, zonder tomtom of googlemaps, ontstaat juist de mogelijkheid om los te komen van alle beslommeringen en je te concentreren op diepere gedachten.

Veel schrijvers en filosofen hadden of hebben de gewoonte om te wandelen of zomaar wat te slenteren. Een deel daarvan, dat geef ik toe, betrad of betreedt slechts gebaande paden, zoals Charles Darwin die dagelijks zijn eigen tuinpad bewandelde, of Immanuel Kant die nooit verder kwam dan de straten van Königsberg. Nee, de ware wandelaar zwerft en ontdekt al pissebeddend nieuwe en onbekende wegen op het land én in zijn gedachten. Henry David Thoreau is een mooi voorbeeld. Die zwierf ogenschijnlijk doelloos door New England, struinde los van wegen en paden door onbekende bossen en mijmerde daarbij een wonderbaarlijk oeuvre bij elkaar.

Lanterfantend mijmeren, een fijne en rustgevende bezigheid, het zou in het basiszorgpakket moeten worden opgenomen, met als eerste activiteit een kleine cursus verdwalen. Wat jammer toch dat pissebedden niet kunnen denken, of als ze het geheel onverwacht toch zouden kunnen, ons daarvan niet op de hoogte kunnen brengen en ook hun gedachten niet met ons kunnen delen. Er zou vermoedelijk een wereld voor ons opengaan.