Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Vrouwen in de wetenschap

Op de dag dat bekend werd dat NWO bij de toekenning van subsidiegelden discrimineert, hield het Volkskrant Kenniscafé in De Balie zich precies met dát onderwerp bezig. Wetenschap en vrouwen. Drie vrouwelijke hoogleraren bevolkten het podium om met Martijn van Calmthout en het publiek van gedachten te wisselen over het wat en waarom. Na afloop was daar weer mijn column:

“Zo, dames, daar sta ik dan, uw columnist van dienst, die dit verbale divertissement als ludieke hobby uitoefent naast een serieus parttime hoogleraarschap in Utrecht. Ik citeer maar meteen de meest cruciale zin op de website van De Balie bij de aankondiging van deze avond: ‘Bij het woord hoogleraren denken de meesten aan een wat oudere witte man.’ Einde citaat. Het is de sleutelzin van deze avond. De samenvatting van het probleem, als het een probleem is. En daar sta ik dan, een wat oudere witte man. U zult begrijpen dat het me vanuit deze negatief gepredetermineerde hoedanigheid niet meer zal lukken om nu netjes politiek correcte dingen te vertellen. Dat ga ik dan ook niet proberen. Iets incorrects dan maar, want de rest van vanavond was daar een lichte vorm van gebrek aan.

Drie weken gelden ving ook bij ons in Utrecht het academisch jaar aan. Honderden eerstejaars overspoelden de campus in De Uithof om visueel alvast een idee te verschaffen van de twee weken later losbarstende vluchtelingenstroom. Het was een tsunami van jongelui, maar terwijl de grenzen van Hongarije en Oostenrijk worden bestormd door een populatie die voor 95% uit jonge mannen bestaat, werden wij (welhaast ter compensatie) overspoeld door vrouwen. Een vloedgolf van 19-jarige dames. Waarschijnlijk ook 95%, hoewel ik geen dubbelblinde steekproef heb genomen om dat te checken. Af en toe liep er een ietwat verdwaald kijkende jongen tussen. Dit alles is een interessante constatering, want de vraag is actueel wat deze zwerm feminiene intelligentsia over vijf jaar doet. Beginnen ze dan massaal aan een proefschrift? En over negen jaar aan hun eerste post-doc-positie? En dan over twaalf jaar een Veni-beurs, gevolg door een Vidi, een Vici en een hoogleraarschap? Of is die hele bijenzwerm die nu zo gezellig facebookend en whatsappend over de brede trottoirs van de Heidelberglaan dartelt, dan vervangen door – u raadt het al – een groep oudere witte mannen? Die kans lijkt me niet gering. En de vraag is dus: hoe komt dat toch?

Het intuïtieve antwoord is: ik heb geen idee. Keine blasse Ahnung. Je kunt van alles verzinnen, van glazen plafonds tot genderdiscriminerende ouderschapsverlofregelingen, van hormonaal bepaalde verzorgingsdriften tot een vrouwelijk gebrek aan testosterongestuurde geldingsdrang; verzin het maar. Plausibeler lijkt me dit: het kind in de mens. Het kind in ons dat met het klimmen der jaren verdwijnt. En dat dat bij vrouwen sneller en effectiever gebeurt dan bij mannen, dat verdwijnen. Mannen, zo zeggen veel vrouwen, blijven altijd kinderen. Dom, roekeloos, blind voor gevaar, infantiel, gefocust op autootjes en treintjes en vliegtuigjes, op klooien met raar gereedschap en dom zitten geiten met vrienden in een kroeg. Nooit volwassen geworden, die kerels.

Kinderen daarentegen vinden we leuk. Kinderen zijn nieuwsgierig, van nature, uit de aard van hun kind-zijn. Kinderen zitten de godganse dag te onderzoeken, als ze heel klein zijn steken ze van alles in hun mond en als ze wat groter worden stellen ze de meest idiote vragen (waarom is het water nat? waarom vallen de vogels niet naar beneden? waarom is die meneer zo bruin?). Als ze nog groter zijn nemen ze rare risico’s met scheikundedozen, opgevoerde bromfietsen en koffieshops. Kinderen willen experimenteren, grenzen verleggen, vragen beantwoorden. Kinderen, kortom, zijn wetenschappers, want experimenteren, grenzen verleggen en vragen beantwoorden is nou precies wat wetenschap behelst. Meisjes en vrouwen hebben eerder dan jongens of mannen de neiging om serieus te worden. Het kind in de mens is er eerder verdwenen. Mannen blijven langer kind, ze zijn gewoon infantieler. En daarom vaker wetenschappers.”

Advertenties


Ommezwaai: van 010 naar 030

Op een huisje ergens in de Drôme staat de tekst: le temps s’enfuit, la mort s’approche (de tijd vliegt heen, de dood kruipt naderbij). Dat eerste klopt volledig, dat laatste zeker ook wel, maar daar merk je eigenlijk niks van. Gelukkig maar.

Dat de tijd heenvliegt blijkt uit het feit dat ik me nog als de dag van gisteren herinner dat ik mij in Rotterdam meldde voor een sollicitatiegesprek. Ten kantore van de allang opgeheven P&O afdeling van de Dienst Gemeentelijke Musea in de Calandstraat. Na twee gesprekken was ik (34) directeur van een museum in een uitgewoond pand en met een deels afgebrande collectie, het Natuurmuseum Rotterdam, dat we alras terugomdoopten tot Natuurhistorisch Museum Rotterdam, en dat we nu fijn afkorten tot Het Natuurhistorisch. Ik begon er op 1 december 1987, de dag na de dag van gisteren dus. Nu zijn we enkele ademtochten en 28 jaar verder, het pand is niet meer uitgewoond en de collectie groter en bloeiender dan ooit,  en nu ga ik weg bij Het Natuurhistorisch. Ook per 1 december, dat leek me wel een mooie, afrondende, datum.

En dan ga ik verder met waar ik al mee begonnen ben, met mijn aanstelling als hoogleraar vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht, part-time weliswaar, maar dat laat dan nog lekker ruimte voor het schrijven van columns en boeken. In dagblad Trouw, voor het Volkskrant Kenniscafé, voor mijn twee uitgevers: de Historische Uitgeverij en Uitgeverij Lias.

Het Natuurhistorisch gaat de toekomst in onder de bezielende leiding van Kees Moeliker. Dat is een geruststellende gedachte. Le temps s’enfuit, en de rest moet nog maar even wachten.