Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE

Ommezwaai: van 010 naar 030

Op een huisje ergens in de Drôme staat de tekst: le temps s’enfuit, la mort s’approche (de tijd vliegt heen, de dood kruipt naderbij). Dat eerste klopt volledig, dat laatste zeker ook wel, maar daar merk je eigenlijk niks van. Gelukkig maar.

Dat de tijd heenvliegt blijkt uit het feit dat ik me nog als de dag van gisteren herinner dat ik mij in Rotterdam meldde voor een sollicitatiegesprek. Ten kantore van de allang opgeheven P&O afdeling van de Dienst Gemeentelijke Musea in de Calandstraat. Na twee gesprekken was ik (34) directeur van een museum in een uitgewoond pand en met een deels afgebrande collectie, het Natuurmuseum Rotterdam, dat we alras terugomdoopten tot Natuurhistorisch Museum Rotterdam, en dat we nu fijn afkorten tot Het Natuurhistorisch. Ik begon er op 1 december 1987, de dag na de dag van gisteren dus. Nu zijn we enkele ademtochten en 28 jaar verder, het pand is niet meer uitgewoond en de collectie groter en bloeiender dan ooit,  en nu ga ik weg bij Het Natuurhistorisch. Ook per 1 december, dat leek me wel een mooie, afrondende, datum.

En dan ga ik verder met waar ik al mee begonnen ben, met mijn aanstelling als hoogleraar vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht, part-time weliswaar, maar dat laat dan nog lekker ruimte voor het schrijven van columns en boeken. In dagblad Trouw, voor het Volkskrant Kenniscafé, voor mijn twee uitgevers: de Historische Uitgeverij en Uitgeverij Lias.

Het Natuurhistorisch gaat de toekomst in onder de bezielende leiding van Kees Moeliker. Dat is een geruststellende gedachte. Le temps s’enfuit, en de rest moet nog maar even wachten.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.