Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Zombienatuur

Op 10 oktober 2017 werden in Pakhuis de Zwijger de laatste namen van de Trouw Duurzame 100 bekendgemaakt, de nummer 25 tot en met 1. Bij die gelegenheid sprak ik de volgende column uit, over de teloorgang van ons platteland.

Afgelopen week publiceerde Science een alarmerend artikel dat me totaal niet verbaasde, wat uitzonderlijk is voor alarmerende berichten. Die zouden moeten verbazen. Deze niet. In 75% van de potjes honing die onderzoekers wereldwijd hadden verzameld, bleken neonicotinoïden te zitten. In sommige maar één, maar in andere wel vijf verschillende typen. De meeste potjes bleven gelukkig onder de norm voor menselijk consumptie, maar in een enkel geval was ook dat niet zo. Zelfs bij het fipronilschandaal kwam dat laatste niet voor.

Neonicotinoïden helpen de insectenwereld om zeep. Om te beginnen. Het wordt ook wel bijengif genoemd, hoewel het niet tegen bijen bedoeld is. Er kwam een klein mediastormpje op gang, dat waarschijnlijk net zoveel effect zal hebben als voorstellen voor een wapenverbod in de VS, maar we houden hoop. Eerder dit jaar publiceerde datzelfde Science een artikel van Duitse onderzoekers die constateerden dat in een natuurgebied, niet ver over de grens bij Venlo, de insectenfauna in 24 jaar tijd met 78% was afgenomen. Kortom: er zit bijengif in driekwart van de potjes honing en er zijn driekwart minder insecten. Beter kunnen we de teloorgang van het buitengebied niet schetsen. Het gaat in rap tempo naar de knoppen – ik druk me diplomatiek uit. Wat resteert kunnen we het beste aanduiden met de term zombienatuur. Het ziet er groen uit maar is zo dood als een pier.

Je kunt het ook zelf waarnemen wanneer je een zomerse autorit gaat maken. Vroeger moest je dan af en toe je autoruit reinigen. Nu hoeft dat niet meer, na driehonderd kilometer rijden zitten er hooguit drie verdwaalde muggen op. Het lijkt een futiliteit, zelfs prettig voor de automobilist, maar in werkelijkheid toont het haarscherp aan waar we intussen zijn aangeland. Onze natuur is zombienatuur geworden. De insecten zijn verdwenen, de veldleeuweriken, de grutto’s, de noem-maar-op, alles is totaal of bijna totaal verdwenen. Met dank aan wat men eufemistisch gewasbeschermingsmiddelen noemt, en allerlei andere aspecten van de moderne agrarische bedrijfsvoering, die hele keten van burgers, banken en boeren, gefaciliteerd door de politiek.

Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie constateerde het al in zijn uiterst urgente boekje Wilde apen. Het land gaat naar de knoppen, maar we staan erbij en kijken ernaar. Onze natuurgebieden zijn te klein, te droog en te versnipperd en het platteland lijdt in ernstige mate onder de neerslag van ammoniak, verontreiniging met bestrijdingsmiddelen en een te lage grondwaterstand. Zijn conclusie is dat natuurgebieden fors moeten worden uitgebreid en dat de agrarische sector op een totaal andere leest moet worden geschoeid.

Natuur uitbreiden dus. Maar wat is dan natuur? Eerder definieerde ik natuur als alles wat spontaan is; al hetgeen spontaan opkomt in de toevallig voorhanden zijnde omgeving. Het is een bijna Aristotelische definitie: natuur is volgens de oude Griekse wijsgeer al hetgeen uit zichzelf beweegt of verandert. In het ‘uit zichzelf’, zonder menselijke ingreep dus, zit de spontaniteit besloten. Er wordt in deze definitie echter uitgegaan van een onderscheid tussen enerzijds alles wat de mens doet of deed, en anderzijds al hetgeen zonder de mens tot stand komt of kwam. In dat geval wordt de mens buiten de natuur geplaatst in plaats van er als één van de ruim vijfduizend soorten zoogdieren deel van uit te maken. Daar kun je vraagtekens bij zetten. Bovendien heeft iedere definitie consequenties. Als we de mens er geheel buiten plaatsen, is er op de hele aardbol nog maar weinig natuur voorhanden, want overal zit wel een menselijk artefact verborgen, dikwijls onzichtbaar, van homeopathisch verdunde sporen DDT tot het verhoogde CO2 gehalte in de atmosfeer. Als de mens daarentegen tot integraal onderdeel van de natuur wordt gerekend, is daarvan de consequentie dat we verkrotte binnensteden, parkeerterreinen en olieraffinaderijen ook tot de natuur moeten rekenen. Dat is een interessante filosofische gedachtenoefening.

Ik wil graag een onderscheid maken tussen drie begrippen: ongerept, wildernis en natuur. Ongerept is al hetgeen dat nooit door de mens op enigerlei wijze, in ieder geval niet fysiek waarneembaar, is beïnvloed, zoals nu nog grote delen van het Amazonegebied. Wildernis is iets heel anders. Het ongerepte behoort tot de wildernis, maar niet iedere wildernis is ongerept. Ongereptheid kunnen we als mens teniet doen. Het kan worden getemd, gekapt, omgeploegd, ontgonnen, zoals ooit de Brabantse en Drentse hoogvenen, en vervolgens ook weer terugverwilderen tot heide of petgaten, tot nieuwe wildernis. Op veel plekken in ons land is het goed mogelijk om je in de wildernis te wanen. Natuur is weer iets heel anders. Het is een nog ruimer begrip. Het is alles wat spontaan opkomt, met óf zonder menselijke wegbereiding. De (on)kruidjes tussen de stoeptegels in de stad, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn allemaal ook natuur. Daar zit een belangrijk verschil met de begrippen ongerept en wildernis. Natuur laat zich niet teniet doen en niet temmen. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk.

Is er dan geen heil meer? Is onze natuur gereduceerd tot de kaalgegeten en platgetreden Oostvaarderplassen en de intussen lelietje-van-dalen loze Bloemendaalse Waterleidingduinen, de wulp- en korhoenloze heidevelden, de met handtamme Schotse hooglanders bevolkte en met Canadese guldenroede overwoekerde nepnatuur op Tiengemeten? Zien we geen lichtpuntjes in de verte? Jazeker! Juist de definitie dat natuur alles is wat spontaan optreedt, is onze redding. Voor het aanschouwen van Nederlandse biodiversiteit moet je de eeuwige raaigrasvelden, de bloemloze weiden in het Groene Hart en de letterlijk onoverzienbare maisakkers achter je laten en de stadspoort binnentreden. Iets ongerepts zullen we in de stad niet aantreffen, daarover zijn we het snel eens. Of je in de gebouwde omgeving van wildernis kunt spreken valt ook nog te bezien, maar een wilderniservaring kun je er hier en daar zeer zeker opdoen. Maar de natuur, die is overal. Een bijkomend voordeel van de stadsnatuur is bovendien dat je er op veel plekken koffie kunt drinken. Wel zonder dekseltje graag, want dat wordt weer zwerfvuil.

 

 

Advertenties