Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Het werkwoord pissebedden

Het Kenniscafé in De Balie van september handelde onder de titel De weg kwijt over oriëntatie, over oude en nieuwe kaarten, en de vraag of vrouwen inderdaad slechter zijn in kaartlezen dan mannen (dat is dus aperte nonsens). Mijn column ging over verdwalen:

Wanneer je in de tuin een achtergelaten bloempot, een losse steen of een vergeten houtblok optilt, is de kans groot dat zich daaronder een aantal pissebedden bevinden. Leuke beestjes zijn dat, eigenlijk op land levende kreeftjes en nuttige opruimers van allerlei dood spul. Zeer waarschijnlijk hebben ze een weinig ontwikkeld gevoelsleven hoewel je ze wel vaak in gezellige groepjes bijeen aantreft. Maar, ook al zullen ze niet veel denken, ze hebben wel ergens een hekel aan, namelijk om te worden gestoord in hun rust. Die plotselinge vrijheid na het optillen van de bloempot, het overvloedige licht dat ze overvalt, en tot overmaat van ramp ook de al even plotselinge overvloedigheid aan frisse lucht. Ze gaan er van door; in een paniekerige reactie schieten ze alle kanten op, totaal gedesoriënteerd.

Grijze trilobietjes die hun rust kwijt zijn, én de weg. ‘Waarheen?’ flitst het door de minuscule pissebreintjes. Als in een Brownse beweging begeven de diertjes zich derwaarts, op zoek naar rust, duisternis en vochtige bedomptheid. Ze vinden het wel weer, maar de erratische zoektocht ernaar is koddig om te zien, hoewel er een zekere mate van leedvermaak in deze observatie schuilt. Het is zelfs zó koddig, dat bij ons in huiselijke kring het werkwoord ‘pissebedden’ is ontstaan, om gedesoriënteerd rondlopen mee aan te duiden. En let maar eens op: ongemerkt loopt menigeen heel wat te pissebedden.

Maar dan: wat is daar mis mee? Wat gaat er fout als je even de weg niet weet?  Of je ergens links- of rechtsaf moet? Of misschien toch nog even rechtdoor? Het ergste wat je kan overkomen is dat je verdwaalt. Verdwalen is de overtreffende trap van pissebedden. Of beter: de ultieme vorm ervan.

De meeste mensen vinden het vervelend om te verdwalen. Je wordt op jezelf teruggeworpen, geconfronteerd met je eigen gedachten, je feilbaarheid, je onzekerheden en – dat geef ik toe – weinig dingen kunnen zo irritant zijn als de confrontatie met jezelf. Maar daar moet je overheen proberen te stappen. Rondlopend in een onbekende omgeving, zonder visuele herkenningspunten of geografische houvast, zonder tomtom of googlemaps, ontstaat juist de mogelijkheid om los te komen van alle beslommeringen en je te concentreren op diepere gedachten.

Veel schrijvers en filosofen hadden of hebben de gewoonte om te wandelen of zomaar wat te slenteren. Een deel daarvan, dat geef ik toe, betrad of betreedt slechts gebaande paden, zoals Charles Darwin die dagelijks zijn eigen tuinpad bewandelde, of Immanuel Kant die nooit verder kwam dan de straten van Königsberg. Nee, de ware wandelaar zwerft en ontdekt al pissebeddend nieuwe en onbekende wegen op het land én in zijn gedachten. Henry David Thoreau is een mooi voorbeeld. Die zwierf ogenschijnlijk doelloos door New England, struinde los van wegen en paden door onbekende bossen en mijmerde daarbij een wonderbaarlijk oeuvre bij elkaar.

Lanterfantend mijmeren, een fijne en rustgevende bezigheid, het zou in het basiszorgpakket moeten worden opgenomen, met als eerste activiteit een kleine cursus verdwalen. Wat jammer toch dat pissebedden niet kunnen denken, of als ze het geheel onverwacht toch zouden kunnen, ons daarvan niet op de hoogte kunnen brengen en ook hun gedachten niet met ons kunnen delen. Er zou vermoedelijk een wereld voor ons opengaan.

 

 

 

 

 

Advertenties