Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Pol – pollen – pollens!

Excuus, ik ben een tijdje uit de lucht geweest. Maar niet inactief gelukkig – het leven gaat door. Nog altijd iedere week een rubriek in Trouw, een keer per maand in Vroege Vogels, en ik werk aan een nieuw boek. In februari werd ik een keer – geheel onverwacht – ontzettend snotterig na een wandeling. Hooikoorts! Er zat pollen in de lucht. Of is het: er zaten pollen in de lucht. Pollens! (dixit Jef van Oekel): daar zat een column in.

Pollen is een hagelslagwoord

Het hooikoortsseizoen is weer losgebarsten. Ik heb er zelf gelukkig weinig last van, maar liep toch op 24 februari, precies tijdens de piek van het elzenstuifmeel, na een wandeling bij een Utrechts fort een halve dag te snotteren. Kort daarna kwam het bericht dat een studie was gepubliceerd die een mogelijk verband legde tussen de pollenpieken en de bevattelijkheid voor covid-19. Geen direct verband, zo werd meteen opgemerkt, maar er is wel een correlatie, en men vermoedt nu dat het stuifmeel dat op de slijmvliezen neerslaat het virus meer kans geeft om zijn slag te slaan. Maar daar wil ik nu het niet over hebben, want ik heb naast een interessant gezondheidsprobleem ook een leuk taalkundig probleem geconstateerd.

Het gaat daarbij om het woord pollen. Pollen is stuifmeel. Maar pollen is ook een raar woord, dat door de uitgang -en de indruk wekt dat het een meervoudsvorm is. Van pol dus. Maar dat is het niet. Pollen is namelijk een hagelslagwoord. Een hagelslagwoord, waarvan hagelslag de naamgever is, is een woord dat alleen in het enkelvoud bestaat maar een meervoud uitdrukt. Hagelslag is een grote hoeveelheid kleine bruine chocoladesliertjes. Je kunt een pak hagelslag kopen. Maar één zo’n chocoladedingetje heeft in feite geen naam, je kunt eigenlijk niet zeggen: één hagelslagje. Thuis gebruiken we altijd het woord pummetje, en strooien we pummetjes op de boterham.

Er zijn best veel hagelslagwoorden. Regen bijvoorbeeld, dat is niet het meervoud van reeg; en het bestaat uit druppels. Ook sneeuw, zand en grind zijn hagelslagwoorden, enkelvoud maar als spul bestaat het uit vlokken, korrels of steentjes.

Bij pollen doet zich hetzelfde verschijnsel voor, dat het handigst is uit te leggen door het synoniem ervan te gebruiken: stuifmeel. Je spreekt niet over één stuifmeeltje, maar van stuifmeelkorrels. Zo zijn er dus ook pollenkorrels. Er zijn elzenpollenkorrels en graspollenkorrels, die bij elkaar het elzenpollen en het graspollen vormen.

En nu wordt het nog leuker. Graspollen in de betekenis van grasstuifmeel is enkelvoud, maar er bestaat ook een meervoudsvorm graspollen. Dat is het meervoud van graspol. Een graspol is een kluit gras met worteltjes en een klont aarde eraan, dat een voetballer bij een verkeerd uitgevoerde sliding uit de grasmat losschopt. Met een beetje sportief geweld kan zo’n graspol zelfs door de lucht vliegen.

En nóg weer leuker wordt het wanneer je in de krant leest of op de radio hoort dat er veel graspollen in de lucht zíjn, in plaats van dat er veel graspollen in de lucht ís. Ik zie dan in gedachten al die pollen gras, met wapperende groene sprietjes en afbrokkelende kluiten zwarte grond eraan door de lucht vliegen. Ik weet het, het is een vorm van taalkundig mierenneuken, maar juist aan dat soort kleinigheden kun je een hoop plezier beleven.

En nu maar hopen dat het pollenseizoen snel voorbij is en dat het af en toe lekker gaat regenen, dat is bijna overal goed voor. Fijne zondag verder, en als u gaat wandelen: blijf op de paden en nies vooral in uw elleboog.

Hatsjie!