Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Herkomstpijn

Mijn Vroege Vogels column van maart was geïnspireerd op het fraaie landschap in de Franse Orne. En op de ook in dat land onverbiddelijk oprukkende verdozing.

De mensheid is ooit in Afrika ontstaan en van daaruit over de rest van de wereld uitgewaaierd. Onze bakermat is de savanne, een glooiend halfopen landschap van graslanden, verspreide bomen en boomgroepen, kuddes grazende dieren en af en toe een rivier of meertje want er moest ook gedronken kunnen worden. Dat landschap is het decor waarin Homo sapiens ontstond en opgroeide, alvorens de biezen werden gepakt op weg naar elders. Dat landschap is echter nog niet uit onze genetische bagage verdwenen. We zijn eraan aangepast en voelen ons erin thuis, zoals een eekhoorn zich thuis voelt in een naaldbomenbos en een haring in de Noordzee.

Deze gedachte wordt wel aangeduid met de term savanne-hypothese en je komt de gevolgen ervan op diverse plaatsen en in diverse uitingen tegen. Een goed voorbeeld zijn schilderijen uit de tijd van de Romantiek, met koeien die loom onder een boomgroepje rusten, een herder en een herderinnetje naast een kabbelend beekje. Stadsparken zoals het Amsterdamse Vondelpark, het Utrechtse Wilhelminapark, Park Sonsbeek in Arnhem en Het Park in Rotterdam zijn aangelegd in wat wel de Engelse landschapsstijl wordt genoemd, een ontwerpprincipe dat feitelijk een vertaling is van de savannehypothese. Dat woord ‘Engels’ in de term Engelse landschapsstijl is afkomstig van het fraaie Britse landschap van streken als de Cotswolds dat we allemaal wel kennen van kneuterige Engelse series als Midsomer Murders. Het is ook het landschap waar we graag de vakantie doorbrengen en dat we vinden in de Normandische bocage, in de Ardèche en de Limousin: glooiende landschappen met bosschages, meidoornheggetjes, beige koeien, kabbelende beekjes en allerlei ander pittoresks. Je vindt meer campings bij Vaals of Valkenburg dan bij Lelystad of Emmeloord.

Maar zo’n landschap is niet rendabel voor de intensieve landbouw en voor de moderne distributie-economie. Een meidoornhaag mag dan wel aardig zijn voor de braamsluiper en de zwartkop, maar die vierkante meters leveren niks op; weg ermee! Een weiland met koeien of schapen mag dan wel leuk en groen zijn, het is economisch gezien zonde van de ruimte want een datacenter of distributiecentrum levert meer rendement op. En dus gaat ons landschap naar de knoppen.

Ik ben net terug van een paar weken in Frankrijk en hier en daar is ook dat land in rap tempo aan het veranderen in een eindeloze aaneenschakeling van distributiecentra, enorme golfplaten bouwsels met de esthetiek van een verhuisdoos. De verdozing van het landschap is een universeel verschijnsel geworden. Na de ramp met de onafzienbare mais- en raaigrasakkers waarvoor het woord landschapspijn werd gemunt, zien we nu het volgende fenomeen op de glijdende schaal naar de afgrond. Data- en distributiecentra. En vergeet de glinsterende velden vol zonnepanelen niet. Het levert een landschap op waar niemand zich nog in thuis voelt. Het doet pijn, niet alleen aan de ogen, maar dieper, het bezeert onze ingeboren gevoelens van herkomst en geborgenheid en doorbreekt de eeuwenoude evolutionaire lijn naar onze wortels op de savanne. Het is herkomstpijn. En het lijkt onomkeerbaar, dat is nog het ergste.


De Snuiters zijn gearriveerd!

Het eerste exemplaar van De snuiters (anatomie en gedrag van de Rhinogradentia) is uitgereikt aan Bibi Dumon Tak tijdens een genoeglijke bijeenkomst in Het Natuurhistorisch te Rotterdam. Ik las daarbij het beroemde gedicht voor van Christian Morgenstern over het Nasobeem. Dit vers inspireerde Stümpke / Steiner tot het schrijven van zijn monografie over de Rhinogradentia.

Met trage pas, niet heel gezwind,

en in gezelschap van zijn kind,

schrijdt op zijn neus het nasobeem.

Hij staat in Winkler Prins noch Brehm,

en evenmin in de Larousse,

en ook in Brockhaus staat hij niet.

Zijn eerste openbaring kwam pardoes

tot stand dankzij mijn lied.

Op zijn neus, niet heel gezwind,

(zoals gezegd) en niet alleen,

maar in gezelschap van zijn kind,

schrijdt sindsdien het nasobeem.

Het boek is in de boekhandel te koop (o.a. hier en hier), en kost 17,95 euro.


Long time no see

Ik ben een tijdje niet heel actief geweest op mijn site. Daar gaat verandering in komen. Volgende week verschijnt mijn nieuwe boek De snuiters! Eigenlijk is het niet mijn eigen boek, want het is geschreven door Harald Stümpke (een pseudoniem van de Duitse hoogleraar zoölogie Gerolf Steiner). Het is al meer dan een halve eeuw geleden verschenen, in het Duits, en het gaat over een fictieve diergroep, de Rhinogradentia, die tot voor kort voorkwam op een thans verdwenen archipel in de Stille Oceaan. Alles in het boek is verzonnen, maar op een zodanige wijze dat het echt zou kunnen zijn. Ooit zijn er vertalingen van verschenen in het Engels, Frans, Italiaans en Japans, maar een Nederlandse vertaling van dit waanzinnig leuke boek over de evolutie van de Rhinogradentia – de Snuiters- was er niet. Om die reden heb ik besloten er een Nederlandse vertaling van te maken, en het boek te voorzien van een inleiding waarin onder andere de serieuze wetenschappelijke aspecten en de literaire positie van het nonsensverhaal worden uitgelegd. Op 25 maart neemt Bibi Dumon Tak het eerste exemplaar in ontvangst.

Zie hier op de website van Uitgeverij Lias voor meer informatie. Wordt vervolgd!


Een uitgewoond huis achterlaten?

De Vroege Vogels column van afgelopen week was getriggerd door de waanzin van de commerciële ruimtevaart:

Goedemorgen beste vroegevogelaars. Hopelijk hebben jullie allemaal goed geslapen. De ervaring leert dat veel luisteraars op dit tijdstip nog in bed liggen, wellicht voorzien van een zachtgekookt eitje, een croissant en een kop koffie of thee. Of u heeft dat al op, maar in elk geval bent u thuis. Misschien zit u nu wel in uw tent of caravan of kampeerbusje, dat kan ook, maar ook dat kunt u uw thuis noemen.

Dat thuis, daar wil ik het eens over hebben. Wat voor een konijn zijn hol is en voor een ooievaar zijn takkennest, is voor u uw thuis. Het konijn houdt zijn hol een beetje proper en comfortabel. De ooievaar is vrij permanent bezig met het herschikken van takken en het uit het nest gooien van rommel die er niet thuishoort. De dieren plegen voortdurend onderhoud aan wat ze, als ze konden praten, hun thuis zouden noemen. Wij doen hetzelfde. De ramen worden gelapt, het tapijt gestofzuigd, het bed verschoond, de prullenbak geleegd, de buitenboel geschilderd en de dakgoten ontdaan van verstoppend blad. Er zullen niet veel mensen zijn die totaal niets aan reiniging of onderhoud doen, want anders gaan de kozijnen rotten, stort de dakgoot omlaag, lopen de ratten en de muizen feest te vieren in uw keuken en uiteindelijk groeien de bomen een keer letterlijk door het vermolmde dakbeschot.

Zover laten we het niet komen, maar het zou kunnen. U kunt uw thuis totaal verwaarlozen, laten vervuilen en vergaan en instorten en wanneer het echt te gek wordt, besluiten te vertrekken naar een ander huis, onder achterlating van het oude uitgewoonde karkas.

Nu denkt u natuurlijk dat ik gek geworden ben, en dat er geen zinnig mens is die zoiets zou doen, een huis totaal uitwonen en het daarna gewoon achterlaten. Maar zulke mensen zijn er wel degelijk. Ze wonen ons aller thuis uit, onze oikos, de aarde. Het IPCC rapport dat deze week verscheen, is een meerjarenonderhoudsplan voor de aarde, die ons thuis is. Er is veel onderhoud nodig, want een deel van dat thuis staat flink in de fik, een ander deel is overstroomd en de atmosfeer, het dakbeschot van ons thuis, is er slecht aan toe. Er moet echt wat gebeuren.

Maar ziet: vertroebelde geesten beweren nu dat we best naar een ander thuis kunnen verkassen. Dat we op de maan kunnen gaan wonen of zelfs op Mars. Onder de bezielende leiding van Richard Branson, Jeff Bezos en Elon Musk zou de mensheid zich moeten voorbereiden op een verhuizing naar het heelal, de aarde achterlatend als een leeggeperste sinaasappelschil. Wat mij betreft mogen de heren definitief vertrekken, alle drie, naar de maan of naar Mars, en daar blijven. Dan hoeven ze óns niet te hinderen bij het broodnodige onderhoud aan ons aller thuis, onze aarde, die wel een poetsbeurt en spreekwoordelijk kwastje verf kan gebruiken.


De waanzin van terrasverwarmers

Op 16 mei was ik weer te gast bij Vroege Vogels, voor de maandelijkse column. Over een van mijn ergernissen deze keer: de terrasverwarmer.

De laatste vier, vijf weken was het gemiddeld veel te koud voor de tijd van het jaar. Een gure noordooster teisterde het land; boomknoppen bleven van ellende in hun bruine schubben schuilen, de krentenbloesem wachtte twee weken met ontluiken, fruittelers moesten ’s nachts hun boomgaard besproeien. Maar het was een april zoals we die vijftig jaar geleden altijd hadden en dat iedereen nu zo zat te klagen over de kou is een mooi voorbeeld van het shifting baseline syndrome. We weten tegenwoordig niet beter dan dat je in april lekker op het terras kunt zitten. Zo werd de lockdown toch een beetje draaglijk, want je denkt: wie wil er nou buiten zitten bij een noordooster windkracht 4 en een temperatuur van hooguit 9 graden? 

Antwoord: bijna iedereen. En we mogen weer. Terrassen zaten dus meteen overal stampvol. Gezellig op anderhalve meter en onder achterlating van je telefoonnummer laafde ons land zich aan koffie en bier. Natuurlijk, het was veel te koud om lang buiten te zitten, we zijn hier tenslotte niet in de Provence of Andalusië, maar daar heeft men iets op gevonden. De terrasverwarming. Een zalige uitvinding is dat, tot je er over gaat nadenken. Want wat doet zo’n ding, behalve je nek langzaam stoven zodat je eigenlijk als een speenvarken aan een spit af en toe zou willen ronddraaien? De terrasverwarmer verwarmt niet het terras, maar de buitenlucht. De wolken. Die buitenlucht wordt – ondanks die noordooster van de afgelopen tijd – door de klimaatverandering vanzelf wel warmer, daar hoeven we niet nog eens extra aan bij te dragen. Maar dat is té logisch geredeneerd.

De horeca is een in ons land goed florerende bedrijfstak met twee doelstellingen, of businessmodellen of targets, want het moderne personeel spreekt nog amper Nederlands, of hoe je het ook wilt noemen. Het eerste is het serveren van eten en drinken. Exquise sterrengerechten of vettig fastfood en alles daartussenin, en diverse dranken. Het tweede businesstarget is het opwarmen van de buitenlucht. Voor het eerste doel zijn de menukaart, tafeltjes, bestek, het fornuis, de kurkentrekker en de bierpomp uitgevonden, voor het tweede doel de terrasverwarmer. Dit terwijl de overheid te pas en te onpas roept dat we vooral erg duurzaam moeten zijn. Plaatselijke overheden willen graag de duurzaamste gemeente van het land zijn. Wij burgers worden met zachte drang gestimuleerd om oude ruiten te vervangen door HR++glas, onze vloer te isoleren, onze vleesconsumptie te reduceren, onze benzine- of dieselauto te vervangen door een elektrisch exemplaar en om een warmtepomp te installeren. Terwijl dat dus allemaal wordt geroepen en gestimuleerd, mag de horeca gewoon met welwillende goedkeuring van diezelfde overheid vrolijk de wolken verwarmen.

Een paar jaar geleden liep ik rond elf uur ’s avonds van het station door de binnenstad naar huis. Het was winter, het vroor een graad of vijf, zes en er stond een nare en gure noordoostenwind want die had je toen ook. Het was van dat winterweer waarbij je vroeger een oude krant onder je trui stopte voor een beetje extra isolatie. Ik liep over een plein. Op een van de terrassen daar zat een vrolijk gezelschap aan het bier. In hemdsmouwen. U hoort het goed: IN HEMDSMOUWEN! Bij krakende vorst en een snerpende noordooster. De terrasverwarmer is van overheidswege gedoogde waanzin.

In Frankrijk heeft het parlement onlangs het licht gezien en worden ze binnenkort verboden. Nu hier nog.


Pol – pollen – pollens!

Excuus, ik ben een tijdje uit de lucht geweest. Maar niet inactief gelukkig – het leven gaat door. Nog altijd iedere week een rubriek in Trouw, een keer per maand in Vroege Vogels, en ik werk aan een nieuw boek. In februari werd ik een keer – geheel onverwacht – ontzettend snotterig na een wandeling. Hooikoorts! Er zat pollen in de lucht. Of is het: er zaten pollen in de lucht. Pollens! (dixit Jef van Oekel): daar zat een column in.

Pollen is een hagelslagwoord

Het hooikoortsseizoen is weer losgebarsten. Ik heb er zelf gelukkig weinig last van, maar liep toch op 24 februari, precies tijdens de piek van het elzenstuifmeel, na een wandeling bij een Utrechts fort een halve dag te snotteren. Kort daarna kwam het bericht dat een studie was gepubliceerd die een mogelijk verband legde tussen de pollenpieken en de bevattelijkheid voor covid-19. Geen direct verband, zo werd meteen opgemerkt, maar er is wel een correlatie, en men vermoedt nu dat het stuifmeel dat op de slijmvliezen neerslaat het virus meer kans geeft om zijn slag te slaan. Maar daar wil ik nu het niet over hebben, want ik heb naast een interessant gezondheidsprobleem ook een leuk taalkundig probleem geconstateerd.

Het gaat daarbij om het woord pollen. Pollen is stuifmeel. Maar pollen is ook een raar woord, dat door de uitgang -en de indruk wekt dat het een meervoudsvorm is. Van pol dus. Maar dat is het niet. Pollen is namelijk een hagelslagwoord. Een hagelslagwoord, waarvan hagelslag de naamgever is, is een woord dat alleen in het enkelvoud bestaat maar een meervoud uitdrukt. Hagelslag is een grote hoeveelheid kleine bruine chocoladesliertjes. Je kunt een pak hagelslag kopen. Maar één zo’n chocoladedingetje heeft in feite geen naam, je kunt eigenlijk niet zeggen: één hagelslagje. Thuis gebruiken we altijd het woord pummetje, en strooien we pummetjes op de boterham.

Er zijn best veel hagelslagwoorden. Regen bijvoorbeeld, dat is niet het meervoud van reeg; en het bestaat uit druppels. Ook sneeuw, zand en grind zijn hagelslagwoorden, enkelvoud maar als spul bestaat het uit vlokken, korrels of steentjes.

Bij pollen doet zich hetzelfde verschijnsel voor, dat het handigst is uit te leggen door het synoniem ervan te gebruiken: stuifmeel. Je spreekt niet over één stuifmeeltje, maar van stuifmeelkorrels. Zo zijn er dus ook pollenkorrels. Er zijn elzenpollenkorrels en graspollenkorrels, die bij elkaar het elzenpollen en het graspollen vormen.

En nu wordt het nog leuker. Graspollen in de betekenis van grasstuifmeel is enkelvoud, maar er bestaat ook een meervoudsvorm graspollen. Dat is het meervoud van graspol. Een graspol is een kluit gras met worteltjes en een klont aarde eraan, dat een voetballer bij een verkeerd uitgevoerde sliding uit de grasmat losschopt. Met een beetje sportief geweld kan zo’n graspol zelfs door de lucht vliegen.

En nóg weer leuker wordt het wanneer je in de krant leest of op de radio hoort dat er veel graspollen in de lucht zíjn, in plaats van dat er veel graspollen in de lucht ís. Ik zie dan in gedachten al die pollen gras, met wapperende groene sprietjes en afbrokkelende kluiten zwarte grond eraan door de lucht vliegen. Ik weet het, het is een vorm van taalkundig mierenneuken, maar juist aan dat soort kleinigheden kun je een hoop plezier beleven.

En nu maar hopen dat het pollenseizoen snel voorbij is en dat het af en toe lekker gaat regenen, dat is bijna overal goed voor. Fijne zondag verder, en als u gaat wandelen: blijf op de paden en nies vooral in uw elleboog.

Hatsjie!


Zeeboontjes bij Cadzand, en de jager-verzamelaar in mij

In december verbleef ik twee weken in de buurt van Cadzand, bekend van de haaientandjes die er niet meer te vinden zijn. Bijgaande column maakte ik voor Vroege Vogels (met een knipoog naar de corona-actualiteit):

Terwijl een deel van ons anarchistische volkje nog even snel de niet-essentiële boodschappen deed, de kapper platbelde, de laatste rollen behang wegsnaaide bij de bouwmarkt (in geval van nood altijd handig als toiletpapier) of met een lepel op de bodem van een steelpannetje stond te slaan, had ik mij teruggetrokken op een plek die het beste te omschrijven is met de Engelse term ‘right in the middle of nowhere’. Nowhere was in dit geval een dorpje van hooguit twintig huizen en een king-size kerktoren in het westen van Zeeuws Vlaanderen, op enkele kilometers van het strand van Cadzand. Daar kon ik mij overgeven aan twee aandriften die de mensheid al sinds het paleolithicum bezit: langs de kust slenteren en schelpjes zoeken.

Toen Homo sapiens een paar honderdduizend jaar geleden uit Afrika vertrok om de rest van de wereld met zijn aanwezigheid te gaan verzieken, deed hij dat bij gebrek aan snelwegen, vliegvelden en cruiseterminals gewoon wandelend langs de kusten. Het grote voordeel van de kust is dat er altijd eiwitrijk voedsel is te vinden in de vorm van schaal- en schelpdieren en verse vis, met ook nog eens voldoende kalk, jodium en andere onmisbare natuurlijke elementen voor een gezonde en uitgebalanceerde voeding. De mens is vanouds een langs kusten migrerende jager en verzamelaar.

Juist die genetisch ingebakken aspecten van onze geschiedenis kun je uitleven tijdens een bezoekje aan het strand van Cadzand. Als paleontoloog kwam ik er vooral om naar de bekende haaientandjes te zoeken waar dit badplaatsje beroemd mee is geworden. Helaas, de enige haaientand die er is, is het plaatselijke standbeeldje. Maar op het strand liggen ze niet meer. Een natuurgids uit Knokke meldde me dat de overvloed aan fossiele haaientandjes destijds het gevolg was van een zandsuppletie, en die is nu uitgeput. Af en toe schijnt er nog een kleintje gevonden te worden, maar u hoeft er niet meer helemaal voor naar het verre Zwin af te reizen.

Gelukkig ligt er nog van alles dat wél leuk is, fossiele schelpjes bijvoorbeeld, sommige wel enkele tientallen miljoenen jaren oud. Maar mijn jager-en-verzamelaar-oog werd vooral getrokken door zeeboontjes. Piepkleine witte schijfjes met een gaatje erin aan de ene kant en een vijfpuntig sterretje aan de andere, maar voor dat laatste heb je wel een loepje nodig. Een zeeboontje ziet eruit alsof iemand een overhemdknoopje is kwijtgeraakt. Het zijn kleine zee-egeltjes; ze zijn het meest verwant aan de grote sand-dollars die in de Caribische Zee leven, maar dan een factor dertig kleiner. Ik heb er honderden opgeraapt. Natuurlijk lijkt het behoorlijk gestoord om tijdens een strandwandeling voorovergebukt lopend honderden kwijtgeraakte overhemdknoopjes op te rapen, maar ik kon het echt niet laten. Strandlopen en verzamelen, het zit al zeker sinds het paleolithicum in ons bloed, en ook in het mijne. En ach, het is sowieso een gezondere bezigheid dan met een lepel op een steelpannetje slaan aan de rand van de Haagse Hofvijver.


Pleidooi voor de taxonomie

Onlangs bestond Naturalis (voluit Naturalis Biodiversity Center) 200 jaar. Ons nationale natuurhistorische museum werd in 1820 opgericht door koning Willem I. In bijzijn van zijn verre nazaat koning Willem Alexander werd het jubileum grotendeels online en coronaproof gevierd met een interessant programma, het Gala van de Biodiversiteit. Ik las daarbij een column voor waarin ik een lans brak voor de taxonomie:

“Dit is het Gala van de Biodiversiteit, een feest gewijd aan een containerbegrip. Biodiversiteit is zo’n term waarover iedereen wel een vaag idee heeft maar die niemand in één kernachtige zin kan definiëren. Ja, iets met alle dieren, en alle planten ook natuurlijk, en dat biologen het heel belangrijk vinden en dat het behouden moet worden, dat ook, maar daar zorgt het Wereldnatuurfonds gelukkig voor. Om grip op het containerbegrip te krijgen moet het worden gekwalificeerd en gekwantificeerd. Wat hebben we allemaal en in welke hoeveelheden? – en deze vragen moeten in díe volgorde worden beantwoord, zodat we eerst weten dat dat donkere harige beest een berggorilla is om vervolgens vast te stellen dat er nog maar duizend van in het wild leven en dat dat wel erg weinig is.

Om te weten waarover we spreken is in de achttiende eeuw de taxonomie uitgevonden, de bezigheid om iedere soort van een naam te voorzien. Natuurlijk gebeurde dat benoemen van plant en dier al eeuwen lang, maar gewoon in de landstaal en in iedere taal werden en worden de soorten met een ander woord aangeduid. Om aan die Babylonische toestand een eind te maken, begon de Zweedse natuurvorser Carolus Linnaeus met zijn biologische boekhouding in potjeslatijn. Overigens niet met als hoofddoel om te communicatie tussen biologen te vergemakkelijken maar om een veel minder praktische reden, namelijk het doorgronden van de Schepping. Alle soorten die op aarde voorkwamen, waren rechtstreeks en onveranderd afkomstig van het Scheppingsmoment en door al die soorten te boekstaven, moest het mogelijk zijn om de bedoeling van de Schepper te begrijpen. Aan het eind van zijn leven had Linnaeus ongeveer 18.000 planten en dieren van een wetenschappelijke naam voorzien.

We zijn nu tweeënhalve eeuw verder. Over de Schepping wordt inmiddels in brede kring anders gedacht, die noemen we nu de biodiversiteit – en de onveranderlijkheid ervan is sinds 1859 vervangen door de evolutie. De 18.000 soorten die in 1766 van een naam waren voorzien, zijn nu uitgebreid tot naar schatting twee miljoen taxa, met misschien nog zo’n acht miljoen vooralsnog onbeschreven soorten te gaan. Werk aan de winkel dus.

Nothing in biology makes sense if not seen in the light of evolution’ schreef de botanicus Dobzhansky in 1973. Ik wil daar graag aan toevoegen dat nothing in evolution and in biodiversity makes sense if not seen in the light of taxonomy. Want hoe kun je ergens iets van vinden als je niet weet waarover je spreekt, zoals een sportverslaggever een volstrekt zinloos beroep uitoefent als hij de namen en de rugnummers van de voetballers en de wielrenners niet kent. Om de biodiversiteit te doorgronden en de toenemende teloorgang ervan te kunnen kwantificeren is om te beginnen nodig dat we de soorten kennen. Nog vele miljoenen wachten op beschrijving. Insecten, mijten, rondwormen, springstaarten, vissen, kwallen, varens, mossen, diatomeeën, radiolariën. En de hele rest. Aan het werk dus. Eigenlijk is dit Gala zonde van de tijd, het kost een hele middag waarin de taxonomen van Naturalis zeker vijf nieuwe soorten hadden kunnen beschrijven.

Zelf ben ik paleontoloog. Ik beschrijf soorten die al zijn verdwenen, opgelost in de mist van het verleden, soorten die in de loop der tijd uit de voortdenderende trein van de evolutie zijn gevallen, gesprongen of geduwd en er niet meer zijn, van trilobiet tot Trix en trekduif. Er is veel verloren gegaan en as we speak sterven er meer soorten uit dan de taxonomen kunnen bijhouden. Die trend moet omgedraaid. Er moet minder worden uitgestorven en meer beschreven. Want dit Gala is leuk en biodiversiteit is belangrijk, maar alleen dankzij taxonomen weten we waarover we praten.”


Een herstart – de steengroeve van Winterswijk

Sinds januari heb ik geen nieuwe blogs gepost. Ik zat de hele maand februari in Frankrijk om aan een boek over de fossielen van Teylers Museum te werken, en meteen daarna begon de corona-ellende, met de ‘intelligente’ lockdown en een aanwezigheidsverbod bij de universiteit. Het is allemaal goed gegaan (touchwood) en het is tijd voor een herstart, Binnenkort meer over nieuwe boekprojecten, maar eerst iets over Winterswijk.

Vrijdag 21 augustus wordt het eerste exemplaar uitgereikt van mijn Gids voor de Winterswijkse Steengroeve (ISBN 978-90-5345-563-0).  Het boek verschijnt bij Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Het boek geeft, na een inleiding over de groeve en de geschiedenis ervan, een overzicht over de mineralen en fossielen die er tot nu toe zijn gevonden, met veel foto’s om de herkenning te vergemakkelijken. Van pyriet tot Nothosaurus, van de bekende voetsporen tot een zeldzame zeepissebed. Ze hebben er een fraaie uitgave van gemaakt mag ik al verklappen. Het kost 19,95 euro en kan desgewenst hier worden besteld bij de uitgeverij. 

Naar aanleiding van het verschijnen mocht ik al op zondag 16 augustus bij Vroege Vogels erover vertellen. Luister hier dat gesprek terug.