Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Nieuwe mensaap!

Vanmorgen weer een column bij Vara’s Vroege Vogels gedaan. Over de nieuwe orang oetan die onlangs werd gepubliceerd. Hij kan hier desgewenst ook worden beluisterd.

Yes, dat was nog eens nieuws! Voor het eerst sinds, nu bijna een eeuw geleden, de bonobo als een aparte soort mensaap werd beschreven, is er weer een nieuwe soort bijgekomen. Op Sumatra is een derde orang oetansoort gevonden.

Het dier kreeg in een artikel in het tijdschrift Current Biology de weinig tot de verbeelding sprekende naam Pongo tapanuliensis aangemeten. De andere soorten orang oetan zijn Pongo pygmaeus, dat is de Borneose soort, en Pongo abelii, die net als de nieuwe soort ook op Sumatra voorkomt. Een nieuwe mensaap, dat verwacht je echt werkelijk niet meer. Af en toe wordt er nog wel eens een nieuwe Colombiaanse muizensoort ontdekt of een vers gevonden Venezolaanse vleermuis beschreven, maar grote zoogdieren echt heel zelden en mensapen natuurlijk al helemaal nooit. Nou ja, tot twee weken geleden dus, toen die orang oetan met zijn onuitspreekbare naam werd gepubliceerd. Die naam tapanuliensis is overigens afgeleid van het Sumatraanse regentschap waar de soort is gevonden, Tapanuli Selatan. Regentschap, wat een mooi Multatuliaans woord is dat trouwens, maar dat terzijde.

Nog meer dan het bericht over die nieuwe aap verbaasde mij een terloopse opmerking in een van de vele nieuwsitems die ik erover voorbij zag komen. Daar stond namelijk opgemerkt dat er nu dus intussen zeven soorten mensapen bekend zijn. Ik citeer: “nu zijn er zeven soorten mensapen: drie orang oetans, twee gorilla-soorten, chimpansees en de bonobo.” Zeven. Ik ging ook maar eens tellen: uit Azië kennen we nu dus drie orang oetans en uit Afrika de mens, de westelijke en de oostelijke gorilla, de chimpansee en de bonobo, dat maakt volgens mij acht. En geen zeven. Om tot zeven te komen moet je er dus minstens één stiekem vergeten. Ik heb een chimpanseebruin vermoeden dat dat de mens is. Letterlijk stond daar dus dat de mens geen mensaap is, oftewel dat Homo sapiens niet zou behoren tot de familie der Hominidae, de mensachtigen. Dat is toch vreemd, dat mensen geen mensachtigen zijn. Het is een mooi voorbeeld van menselijke hoogmoed, van soortsarrogantie, en de neerslag van de oudtestamentische gedachte dat mensen niet tot het dierenrijk behoren.

Toen ooit de schepper schiep, schiep hij licht en donker, de hemel en de aarde, de planten, de dieren en helemaal aan het eind, vlak voordat hij aan zijn rustdag toe was, schiep hij de mens, twee stuks, een mannetje en een vrouwtje. Zo was het bij de dieren ook gegaan en dat werkte prima. Vele jaren later bedacht ene meneer Linnaeus dat wij mensen ook een wetenschappelijke naam nodig hebben, en sindsdien heten we Homo sapiens. Een drietal wetenschappers kwam in  2001 met een nieuwe en vooral zeer interessante indeling: zij stopten alle Afrikaanse mensapen in het geslacht Homo. De westelijke gorilla heet dan niet meer Gorilla gorilla maar Homo gorilla, enzovoort, en het leidt ertoe dat er tegenwoordig niet één mensensoort op aarde leeft, namelijk Homo sapiens, maar wel vijf. Het is de ultieme gelijkschakeling, het definitieve einde aan ons superioriteitsgevoel. Dit bijzondere voorstel om de chimp, de bonobo en de twee gorilla’s in de diersystematiek te vermenselijken, heeft onder bio1ogen helaas niet tot veel navolging geleid. Toch vind ik het wel een interessant idee, al is het maar als gedachtenoefening. Het maakt nederig. Het verklaart een hoop misplaatste borstklopperij van menselijke alfamannetjes en het maakt Bokito een stuk humaner. Wij zijn allemaal apen.

Advertenties


Shortlist UU-Publiprijs 2017

Dat is een leuke verrassing: ik ben samen met drie andere medewerkers van de Universiteit Utrecht (UU) genomineerd voor de UU-Publiprijs 2017, een prestigieuze prijs voor UU-medewerkers die op het gebied van public outreach leuk aan de weg timmeren. Annelien Bredenoord, Beatrice de Graaf en Joop Schippers, geen slecht gezelschap om tussen te verkeren. De informatie over de shortlist staat op het UU-intranet; dat is uiteraard besloten, dus hier is even het bericht gekopieerd:

De UU heeft de Utrechtse onderzoekers Annelien Bredenoord, Beatrice de Graaf, Jelle Reumer en Joop Schippers genomineerd voor de UU-Publiprijs 2017.  

Met de publiciteitsprijs beloont de universiteit een wetenschapper die zeer prominent in de media is en daar zelf ook actief een bijdrage aan levert. De UU wil hiermee wetenschappers stimuleren publiciteit te genereren voor hun onderzoek en deel te nemen aan het maatschappelijk debat.

De genomineerden

  • Prof. dr. Annelien Bredenoord is hoogleraar Ethiek van Biomedische Innovatie in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Zij publiceert veel over de invloed die medische innovaties (stamcelonderzoek, voortplantingstechnologie, Big Data en biobanken) hebben op patiëntenzorg en de maatschappij.
  • Prof. dr. Beatrice de Graaf is hoogleraar History of international relations & global governance bij de faculteit Geesteswetenschappen. Zij komt veelvuldig in de media, onder andere met duiding van nieuws rond terrorisme en veiligheid.
  • Prof. dr. Jelle Reumer is hoogleraar Vertebrate Paleontology bij de faculteit Geowetenschappen en publiceerde in columns en boeken afgelopen jaar veel over onder meer natuur in steden.
  • Prof. dr. Joop Schippers is als arbeidseconoom verbonden aan de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie. Hij publiceert over talloze onderwerpen zoals bijvoorbeeld flexibel, vast of contract werk, deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en pensioenleeftijd.

De winnaar van vorig jaar was Martin van den Berg, hoogleraar Toxicologie. Twee genomineerden van dit jaar wonnen de Publiprijs al eerder, namelijk Beatrice de Graaf en Joop Schippers. De winnaar wordt op 8 januari bekend gemaakt. De nominatie komt tot stand door een gewogen telling van publiciteitsuitingen van Utrechtse wetenschappers, zowel in kranten en bladen als via radio en televisie en social media. Een jury evalueert binnenkort de vier genomineerden en maakt de winnaar bekend op 8 januari tijdens de nieuwjaarsreceptie van het College van Bestuur.


Zombienatuur

Op 10 oktober 2017 werden in Pakhuis de Zwijger de laatste namen van de Trouw Duurzame 100 bekendgemaakt, de nummer 25 tot en met 1. Bij die gelegenheid sprak ik de volgende column uit, over de teloorgang van ons platteland.

Afgelopen week publiceerde Science een alarmerend artikel dat me totaal niet verbaasde, wat uitzonderlijk is voor alarmerende berichten. Die zouden moeten verbazen. Deze niet. In 75% van de potjes honing die onderzoekers wereldwijd hadden verzameld, bleken neonicotinoïden te zitten. In sommige maar één, maar in andere wel vijf verschillende typen. De meeste potjes bleven gelukkig onder de norm voor menselijk consumptie, maar in een enkel geval was ook dat niet zo. Zelfs bij het fipronilschandaal kwam dat laatste niet voor.

Neonicotinoïden helpen de insectenwereld om zeep. Om te beginnen. Het wordt ook wel bijengif genoemd, hoewel het niet tegen bijen bedoeld is. Er kwam een klein mediastormpje op gang, dat waarschijnlijk net zoveel effect zal hebben als voorstellen voor een wapenverbod in de VS, maar we houden hoop. Eerder dit jaar publiceerde datzelfde Science een artikel van Duitse onderzoekers die constateerden dat in een natuurgebied, niet ver over de grens bij Venlo, de insectenfauna in 24 jaar tijd met 78% was afgenomen. Kortom: er zit bijengif in driekwart van de potjes honing en er zijn driekwart minder insecten. Beter kunnen we de teloorgang van het buitengebied niet schetsen. Het gaat in rap tempo naar de knoppen – ik druk me diplomatiek uit. Wat resteert kunnen we het beste aanduiden met de term zombienatuur. Het ziet er groen uit maar is zo dood als een pier.

Je kunt het ook zelf waarnemen wanneer je een zomerse autorit gaat maken. Vroeger moest je dan af en toe je autoruit reinigen. Nu hoeft dat niet meer, na driehonderd kilometer rijden zitten er hooguit drie verdwaalde muggen op. Het lijkt een futiliteit, zelfs prettig voor de automobilist, maar in werkelijkheid toont het haarscherp aan waar we intussen zijn aangeland. Onze natuur is zombienatuur geworden. De insecten zijn verdwenen, de veldleeuweriken, de grutto’s, de noem-maar-op, alles is totaal of bijna totaal verdwenen. Met dank aan wat men eufemistisch gewasbeschermingsmiddelen noemt, en allerlei andere aspecten van de moderne agrarische bedrijfsvoering, die hele keten van burgers, banken en boeren, gefaciliteerd door de politiek.

Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie constateerde het al in zijn uiterst urgente boekje Wilde apen. Het land gaat naar de knoppen, maar we staan erbij en kijken ernaar. Onze natuurgebieden zijn te klein, te droog en te versnipperd en het platteland lijdt in ernstige mate onder de neerslag van ammoniak, verontreiniging met bestrijdingsmiddelen en een te lage grondwaterstand. Zijn conclusie is dat natuurgebieden fors moeten worden uitgebreid en dat de agrarische sector op een totaal andere leest moet worden geschoeid.

Natuur uitbreiden dus. Maar wat is dan natuur? Eerder definieerde ik natuur als alles wat spontaan is; al hetgeen spontaan opkomt in de toevallig voorhanden zijnde omgeving. Het is een bijna Aristotelische definitie: natuur is volgens de oude Griekse wijsgeer al hetgeen uit zichzelf beweegt of verandert. In het ‘uit zichzelf’, zonder menselijke ingreep dus, zit de spontaniteit besloten. Er wordt in deze definitie echter uitgegaan van een onderscheid tussen enerzijds alles wat de mens doet of deed, en anderzijds al hetgeen zonder de mens tot stand komt of kwam. In dat geval wordt de mens buiten de natuur geplaatst in plaats van er als één van de ruim vijfduizend soorten zoogdieren deel van uit te maken. Daar kun je vraagtekens bij zetten. Bovendien heeft iedere definitie consequenties. Als we de mens er geheel buiten plaatsen, is er op de hele aardbol nog maar weinig natuur voorhanden, want overal zit wel een menselijk artefact verborgen, dikwijls onzichtbaar, van homeopathisch verdunde sporen DDT tot het verhoogde CO2 gehalte in de atmosfeer. Als de mens daarentegen tot integraal onderdeel van de natuur wordt gerekend, is daarvan de consequentie dat we verkrotte binnensteden, parkeerterreinen en olieraffinaderijen ook tot de natuur moeten rekenen. Dat is een interessante filosofische gedachtenoefening.

Ik wil graag een onderscheid maken tussen drie begrippen: ongerept, wildernis en natuur. Ongerept is al hetgeen dat nooit door de mens op enigerlei wijze, in ieder geval niet fysiek waarneembaar, is beïnvloed, zoals nu nog grote delen van het Amazonegebied. Wildernis is iets heel anders. Het ongerepte behoort tot de wildernis, maar niet iedere wildernis is ongerept. Ongereptheid kunnen we als mens teniet doen. Het kan worden getemd, gekapt, omgeploegd, ontgonnen, zoals ooit de Brabantse en Drentse hoogvenen, en vervolgens ook weer terugverwilderen tot heide of petgaten, tot nieuwe wildernis. Op veel plekken in ons land is het goed mogelijk om je in de wildernis te wanen. Natuur is weer iets heel anders. Het is een nog ruimer begrip. Het is alles wat spontaan opkomt, met óf zonder menselijke wegbereiding. De (on)kruidjes tussen de stoeptegels in de stad, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn allemaal ook natuur. Daar zit een belangrijk verschil met de begrippen ongerept en wildernis. Natuur laat zich niet teniet doen en niet temmen. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk.

Is er dan geen heil meer? Is onze natuur gereduceerd tot de kaalgegeten en platgetreden Oostvaarderplassen en de intussen lelietje-van-dalen loze Bloemendaalse Waterleidingduinen, de wulp- en korhoenloze heidevelden, de met handtamme Schotse hooglanders bevolkte en met Canadese guldenroede overwoekerde nepnatuur op Tiengemeten? Zien we geen lichtpuntjes in de verte? Jazeker! Juist de definitie dat natuur alles is wat spontaan optreedt, is onze redding. Voor het aanschouwen van Nederlandse biodiversiteit moet je de eeuwige raaigrasvelden, de bloemloze weiden in het Groene Hart en de letterlijk onoverzienbare maisakkers achter je laten en de stadspoort binnentreden. Iets ongerepts zullen we in de stad niet aantreffen, daarover zijn we het snel eens. Of je in de gebouwde omgeving van wildernis kunt spreken valt ook nog te bezien, maar een wilderniservaring kun je er hier en daar zeer zeker opdoen. Maar de natuur, die is overal. Een bijkomend voordeel van de stadsnatuur is bovendien dat je er op veel plekken koffie kunt drinken. Wel zonder dekseltje graag, want dat wordt weer zwerfvuil.

 

 


Afval, weg ermee!

Het Volkskrant Kenniscafé in De Balie ging deze maand over afval. Bestaat het of niet? Een heikel onderwerp. Dit was mijn slotcolumn.

Ze noemen het eufemistisch Les fleurs du Sahel, bloemen van de Sahel, de miljoenen kleurige plastic zakken die grote delen van Afrika opvrolijken. Eenmalig gebruikt en daarna weggegooid, vallen ze ten prooi aan de wind, die de zakken meevoert totdat ze ergens aan de stekels en takken van bomen en struiken blijven hangen. Het lijkt dan alsof die in bloei staan. Ook in ons eigen land is dit lang een probleem geweest. Overal kreeg je van die dunne zakjes uitgereikt, dikwijls gestreept als een gevangenispak en steevast in de vorm van een ouderwets mouwloos hemdje. Tegenwoordig zijn ze grotendeels verboden. Alleen op de markt wordt de vis er nog in verpakt, voorlopig althans.

Dat in ons land het gebruik van plastic tassen en hemdtasjes tenzij je ervoor wilt betalen is verboden, is zowel een godswonder als een bizarre polderoplossing. De plastictasjesfabrikanten schreeuwden destijds moord en brand, met argumenten als de werkgelegenheid en dat papieren tasjes ook milieubelastend zijn. Het godswonder is dat er toch een verbod door het parlement kwam, ook al is het geen echt verbod, want als je tien cent betaalt, krijg je alsnog een plastic tasje. Pecunia non olet in de polder.

Nee, dan Kenia. Daar zijn alle plastic tassen en tasjes verboden, op straffe van draconische geldboetes; tot 35.000 euro of één à twee jaar achter de tralies. Men gebruikte alleen al in  Kenia 24 miljoen plastic tasjes per maand. Soms werden ze éénmalig hergebruikt; bij gebrek aan een toilet kon je er je ontlasting in deponeren en het dichtgeknoopte tasje met inhoud daarna over het tuinhek de straat op, of de rivier in, slingeren. De bloemen van de Sahel worden goed bemest.

Costa Rica heeft, ook deze zomer, al het wegwerpplastic verboden. Van wegwerpbestek tot vleeswaarbakjes en PET-flessen, allemaal verboden. Kijk, dat gaat nog ergens op lijken.

Maar nu Nederland. Een kind snapt dat er een eind moet komen aan het ongebreidelde gebruik van al dat plastic. Dat er hoognodig statiegeld moet worden geheven op flesjes en blikjes. Maar de Tweede Kamer draalt, hakt geen knoop door, laat een door de frisdrankindustrie betaald onderzoek doen door de commerciële Wageningen Universiteit, laat dat na terechte ophef nog eens overdoen door Delft, zal dat laatste rapport, dat overduidelijk aantoont dat statiegeld wel degelijk helpt, ongetwijfeld in een diepe la leggen waar het nooit meer uitkomt. Want ja, de werkgelegenheid van de plasticflesjes en -zakjesfabrikanten, ai, ai, ai.

Nederland moet zich schamen. Waarom kan hier niet wat in ontwikkelings-landen als Kenia en Costa Rica en Niger en nog een aantal andere wel kan? Soms valt te betreuren dat Nederland geen ontwikkelingsland is, dan was de wetgeving een stuk sneller geregeld. Die hele pro-plastic en anti-statiegeldlobby moet in een flinke plastic zak worden gestort, en die dan dichtgeknoopt en over het nationale tuinhek geslingerd, de Keniaanse stront achterna. Weg met die shit!

(Voor wie het hele Kenniscafé wil terugzien deze link)

 

 

 

 


krakflatsers en flatskrakkers

In augustus had ik deze, ietwat persoonlijke, column gemaakt voor Vara’s Vroege Vogels.

Krakflatsers en flatskrakkers

U kunt het op de radio uiteraard niet zien, maar achter deze microfoon zit een herboren columnist. Het laatste half jaar werd ik geteisterd door een versleten heup, maar een maand geleden heeft een bekwame orthopeed mij voorzien van een splinternieuwe bionische schokbreker van staal, nylon en keramiek. Een verademing. Het hele gedoe gaf aanleiding tot gedachten over zaken als ons lijf en de kwetsbaarheid ervan, maar vooral over de buitengewoon gecompliceerde wijze hoe wij gewervelden in elkaar steken. Neem nou dat skelet, vele tientallen botten en botjes die met z’n allen steun en bescherming verschaffen. Stel je voor dat een mens geen geraamte zou hebben. We zouden als een vijftig, zestig, zeventig kilo zware en vormeloze blob vlees op de grond liggen, nauwelijks in staat tot bewegen. We zouden veroordeeld zijn tot een troosteloos bestaan als een enorme zeeanemoon, geheel afhankelijk van wat er toevallig aan ons voorbij zou vliegen of lopen. Een eenvoudige hand met spieren, pezen en botjes om een mug een klap te geven of om te kunnen krabben waar het jeukt, zou ontbreken.

In de loop van de evolutie is het verschijnsel skelet meerdere malen ontstaan. De twee belangrijkste modellen die nog altijd leverbaar zijn, zijn het exoskelet dat aan de buitenkant van het beest zit, en het endoskelet dat aan de binnenkant zit. Bij een exoskelet heeft het dier een pantser en zitten de spieren daar binnenin, en bij een endoskelet is dat andersom, daar zitten de spieren aan de buitenkant en het geraamte van binnen.

Een goede vriend van mij, onlangs gepensioneerd als biologieleraar aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, bedacht twee werkelijk beeldende termen om het onderscheid tussen exo- en endoskelet nooit meer te vergeten: krakflats en flatskrak. Stel dat een olifant per ongeluk op een dier stapt met een exoskelet, een kreeft bijvoorbeeld. Je hoort dan eerst de ‘krak’ van het brekende skelet en vervolgens een ‘flats’ als gevolg van de geplette spieren en organen. Bij een dier met een endoskelet, bijvoorbeeld een pad of een rat, hoor je eerst ‘flats’ en pas daarna ‘krak’. Zo onderscheidt hij het dierenrijk simpelweg in krakflatsers en flatskrakkers. Subliem.

De krakflatsers waren er het eerst. Al tijdens het Cambrium, ruim een half miljard jaar gelden, kropen trilobieten over de zeebodem en zwommen enge garnaalachtige roofdieren in het lauwe zeewater. Dat waren toen al volledig ontwikkelde krakflatsers. Het zou nog enkele tientallen miljoenen jaren duren aleer de eerste vissen met graten waren ontstaan, en daarmee de flatskrakkers. Sindsdien is het in principe zo gebleven.

De natuur heeft twee keer geprobeerd om het principe te verbeteren. De eerste poging is geslaagd en heeft ons de schildpadden opgeleverd, wat feitelijk krakflatskrakkers zijn want ze hebben om hun zachte delen heen weer een pantser ontwikkeld. De tweede poging waren middeleeuwse ridders met hun ijzeren harnas. Het waren ook krakflatskrakkers, maar omdat het bezit van een harnas nooit genetisch of epigenetisch is vastgelegd, is dit geen evolutionair succes gebleken en zijn ze vervolgens weer uitgestorven.

Ook wij mensen zijn flatskrakkers. Als dat andersom was geweest, had het mooie vak van orthopedisch chirurg nooit kunnen ontstaan. Dan was een uitdeukbedrijf met een blikopener en een popnageltang voldoende geweest om mij van een nieuwe heup te voorzien.


Groeneveldprijs 2017

Op 19 mei krijg ik de Groeneveldprijs uitgereikt, een enorme eer! Wat kan ik daar over zeggen? Laat het persbericht maar voor zich spreken. Het is opgesteld door mijn uitgever, Patrick Everard van de Historische Uitgeverij:

Beste lezer,
aanstaande vrijdag 19 mei 2017 krijgen Jelle Reumer & Kees Moeliker samen de Groeneveldprijs 2017 uitgereikt, en zij zullen bij die gelegenheid elk een Groeneveldlezing houden.
Met de toekenning van de Groeneveldprijs 2017 aan Reumer en Moeliker wil de stichting Groeneveld niet alleen twee enthousiaste en oorspronkelijke aanjagers van de stedelijke natuurbeleving eren, maar ook het maatschappelijk belang van de stadsecologie en haar recente loot de stadspaleontologie in het licht stellen.
Jelle Reumer was vanaf 1987 directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en werd in 2015 in die functie opgevolgd door Kees Moeliker, sedert 1989 curator van het Natuurhistorisch.
Het Natuurhistorisch bestaat al sinds 1927, maar onder de bezielende leiding van Reumer en Moeliker heeft Het Natuurhistorisch een nieuwe gestalte gekregen. Dankzij nieuwbouw en de uitbouw van een educatief en wetenschappelijk verantwoorde collectie, de organisatie van interessante en spraakmakende tentoonstellingen en een bestendige reeks publicaties heeft het anno 2017 bovendien een uitstraling die de stadsgrenzen ver overschrijdt.
De sprankelende presentatie van eigenaardigheden uit de natuur, in het bijzonder de stedelijke natuur, is het eigenzinnige waarmerk geworden van beide laureaten en van Het Natuurhistorisch. Op speelse wijze plaatst Het Natuurhistorisch ogenschijnlijk triviale details uit de natuur in een ruimer maatschappelijk en natuurlijk perspectief. De open communicatie met lokale instellingen van onderwijs en wetenschap is een al even kenmerkende karakteristiek van beide laureaten.

Ook in hun publicitaire activiteiten zijn Reumer en Moeliker opmerkelijk actief en gericht op een stedelijk, nationaal en internationaal publiek. Jelle Reumer, sinds 2015 hoogleraar Vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht, publiceert iedere zaterdag ‘Jelle’s weekdier’ op de groene pagina’s van dagblad Trouw, en Kees Moeliker schrijft de rubriek ‘Beest’ op de Achterpagina van NRC Handelsblad, en sinds kort een column in National Geographic Magazine. Regelmatig dragen ze bij aan het radio- en televisieprogramma Vroege Vogels. En samen zowat jaarlijks een boek: Moeliker bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, Jelle Reumer bij uitgeverij Lias en Historische Uitgeverij.

Vrijdag 19 mei 2017 houden de laureaten op Kasteel Groeneveld in Baarn een dubbele Groeneveldlezing : aanvang 16.00 uur. U kunt de lezingen en de prijsuitreiking bijwonen; aanmelding via reserverengroeneveld@staatsbosbeheer.nl ; er is nog een beperkte hoeveelheid plaatsen beschikbaar.

Meer informatie op kasteelgroeneveld.nl/kasteel-kasteel/organisatie/stichting-groeneveld/

Goede groet,

Patrick Everard
Historische Uitgeverij