Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Stochastiek en terrasverwarmers

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen zondag:

Dat was flink genieten vorige week, dat mooie warme weekend met temperaturen boven 20 graden. Halsoverkop de teenslippers tevoorschijn gehaald, rokjesdag was aangebroken. Heerlijk. Zes weken geleden werden we nog geteisterd door die verrekte Russische beer met gevoelstemperaturen van onder de min 10, gure winden die rechtstreeks van de ijzige Karelische toendra’s kwamen. Het weer is vooral zo boeiend omdat het zo onvoorspelbaar is. Ja, het weer van morgen kan redelijk worden voorspeld, maar dat van overmorgen is al iets lastiger en het weer van volgende week is per definitie onvoorspelbaar. En dat terwijl het weer zo mooi meetbaar is in termen van temperatuur, windsnelheid, luchtvochtigheid en zonintensiteit. Het is hartstikke bèta, maar toch weten we het nauwelijks langer dan over drie, vier dagen met zekerheid te voorspellen. Dat komt doordat het weer een zogenoemd stochastisch proces is. Moeilijk woord, stochastisch; het is een deelgebied van de hogere wiskunde en verwant aan dingen als kansberekeningen en de algebra van het toeval. Volgens wiki is een stochastisch proces een opeenvolging van toevallige uitkomsten. Simpel gezegd zijn er zoveel toevallige invloeden van buitenaf dat je daardoor niet kunt voorspellen wat er gaat gebeuren.

Er zijn ontzettend veel stochastische processen waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben. Bekende voorbeelden zijn economische processen zoals de beurskoersen, het gedrag en de stemming van andere mensen met nadruk – uiteraard – op dat van pubers, de uitslagen van verkiezingen en de looprichting van een dronkenlap. Al zulke zaken kun je wel grofweg een beetje voorspellen, maar de uiteindelijke uitkomst is per definitie ongewis. Dat geldt ook voor het weer. Ja, we weten dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, maar daar blijft het ook wel bij, want het kan volgende week zondag zowel 30 als 15 graden zijn, stortregenen of kurkdroog zijn, stormen of windstil. Het houdt het leven spannend.

Maar goed, dit is allemaal een aanloop naar een grote ergernis in verband met die kou van onlangs. We houden niet van ongewisheid. We willen zekerheid. Mooi weer, een fijne warmte, en als de natuur er niet voor zorgt, maken we die zelf wel. Het laatste waar ikzelf bij een gevoelstemperatuur van min 12 en een snerpende noordoostenwind aan zou denken, is om buiten op een terras te gaan zitten om een biertje te drinken of zelfs in hemdsmouwen te dineren. En toch gebeurde dat overal, dankzij de meest idiote uitvinding die de mensheid ooit heeft voortgebracht: de terrasverwarmer. Vooral sinds het rookverbod de rokers naar de buitenruimte heeft verbannen, is het verschijnsel terrasverwarmer epidemisch toegenomen. Hele straten en halve pleinen worden opgewarmd met behulp van elektrische of gasgestookte branders. De hitte zorgt ervoor dat je aan de ene kant opwarmt en aan de andere kant even koud blijft als tevoren, maar vooral dat er een ongelooflijke hoeveelheid energie nutteloos in de gure wind wegwaait. Wat een onzin, het is hier Griekenland of Benidorm niet waar je het hele jaar buiten kunt zitten. Terwijl iedereen, de overheid voorop, de mond vol heeft over duurzaamheid en isolatie en dat we moeten besparen en van het gas af moeten, dat de laatste raamkiertjes moeten worden dichtgekit en we vooral geen lampje mogen laten branden in een ruimte waar we héél even niet zijn, vindt iedereen, de overheid voorop, het doodgewoon dat we de winterse buitenlucht verwarmen. Hoe krijg je het verzonnen? Bierdrinken op een ijzig winters terras, om dan na ruime intake van het nodige alcohol in een stochastische zwalk terug naar huis te waggelen.

Kunnen we niet gewoon stoppen met die onzin?

Advertenties


Cryptozoölogie

De februari-column voor Vroege Vogels was geïnspireerd door de prachtige tentoonstelling die momenteel in Teylers Museum in Haarlem te zien is: Monsterdieren. Over cryptozoölogie, en de onbewijsbaarheid van het niet-bestaan van het niet-bestaande:

Volgens de filosoof Bertrand Russell cirkelt er een theepot in een baan om de zon, en hij daagde ons allemaal uit om te bewijzen dat dat niet waar is. Russell’s theepot vormt de kern van een filosofisch vraagstuk, namelijk de vraag of je het niet-bestaan van iets dat niet bestaat kunt bewijzen. Dat kun je dus niet. Niemand kan overtuigend aantonen dat die theepot daar daadwerkelijk rondzweeft, maar het omgekeerde, namelijk bewijzen dat hij er NIET is, is ook onmogelijk.

Dezelfde onzekerheid heerst er rond de diersoorten die worden bestudeerd door de cryptozoölogie. Denk aan het monster van Loch Ness, de verschrikkelijke sneeuwman ofwel de yeti, de Sumatraanse dwergmensjes (orang pendek), en meer van dergelijke verborgen diersoorten. De charme van de cryptozoölogie is dezelfde als die van Russell’s theepot. Je kunt vooralsnog niet bewijzen dat het monster van Loch Ness daadwerkelijk door de koude Schotse wateren zwemt, maar het is evengoed ook niet voor 100% uit te sluiten. Afwezigheid van bewijs is geen bewijs voor afwezigheid. Juist die onzekerheid levert de charme.

Aan de cryptozoölogie is nu een mooie tentoonstelling in Teylers Museum gewijd. Het gaat over dieren waarvan we eigenlijk aannemen dat hun bestaan fictie is. Ja, of niet dus! Het ultieme cryptobeest ontbreekt op de tentoonstelling, de theoretische kat van Nobelprijswinnaar Erwin Schrödinger, die tegelijkertijd leeft én dood is. Die kat dus. Of hij leeft of niet, hangt af van de waarneming. Als je hem ziet en hij leeft, dan is hij levend, en als je hem ziet en hij is dood, dan is hij dood. Tot het moment van waarneming is hij dus zowel dood als levend. Het is cryptozoölogie voor gevorderden. Hetzelfde geldt voor de yeti. Zolang hij niet in levenden lijve is waargenomen of weliswaar dood maar als onmiskenbare sneeuwman is aangetroffen, bestaat hij niet. Maar als we hem wél vinden, bestaat hij. Vooralsnog bestaat hij dus tegelijkertijd wel én niet.

In Centraal Azië zijn diverse fossielen gevonden van een diersoort die een yeti zou kunnen zijn: de reuzen-orang-oetan Gigantopithecus, maar er wordt vanuit gegaan dat die al enkele tienduizenden jaren geleden is uitgestorven. Hetzelfde geldt voor de Indonesische dwergmensjes, die in de vorm van de hobbit Homo floresiensis wel degelijk hebben bestaan. Maar ook deze Flores-mens is allang uitgestorven. Ja, of niet dus!

Niemand kan met 100% zekerheid uitsluiten dat er niet nog ergens een kleine populatie van deze of aanverwante boskaboutertjes in de binnenlanden van Flores rondloopt, of desnoods op Celebes of Sumatra of zo. Tot het moment dat héél zuidoost Azië is platgebrand en herschapen in een monotone palmolieplantage blijft de mogelijkheid bestaan dat … ja, vult u zelf maar in.

En zo blijven we in het duister tasten. Over Loch Ness en het monster. De tot nu toe overlegde bewijzen overtuigen niet echt, de bekende vage foto is een hoax, en bijna iedereen vindt het aperte onzin, maar tegelijkertijd aanvaardt een niet onaanzienlijk deel van intelligent Europa zonder enige aarzeling dat ooit de maagd Maria is verschenen in een grot bij Lourdes. Bernadette Soubirous heeft haar zelf gezien en die waarneming staat als een huis, ook al is er geen foto van, zelfs geen vage of getructe. Maar bewijst u maar eens dat het onzin is. Bewijst u maar eens dat dat beest in het meer van Loch Ness onzin is. Dat lukt niet. Het niet-bestaan van het niet-bestaande is onbewijsbaar. Zo simpel en frustrerend is dat, en daarom blijft de cryptozoölogie zo’n fascinerend vakgebied op het grensvlak van geloof, bijgeloof, volksgeloof, leuterkoek, fantasie en wetenschap.


Vliegen: imbeciel!

Het honderste (100e !) Kenniscafé in De Balie van 15 januari ging over vliegen. Over de gevolgen ervan, de voor- en (vooral) nadelen, en wat ertegen te doen. Dit was mijn traditionele slotcolumn:

vliegen: imbeciel!

Sinds de eerste oermens zich twee miljoen jaar geleden ontrukte aan het bestaan als een Australopithecus en zich Homo habilis ging noemen, sinds die tijd is de mens onderweg. Hij reist, en al snel had hij zijn vleugels vanuit Afrika uitgestrekt naar Europa en Azië, en later, toen hij intussen een reislabel met de naam Homo sapiens aan zijn knapzak had gehangen, ook naar Australië en Amerika. De mens is een reiziger. Hij loopt de aardkloot rond, of liever: hij liep, want de mens is het lopen verleerd. Voor lopen is de mens te lui geworden, te haastig, te gestresst. We willen liefst ergens aankomen op het moment dat we vertrekken. Tijd is geld, reistijd tijdverspilling. De mens hield op met lopen, klom op een paard, hees zich in een koets, maakte daar een automobiel van, vond de trein uit, en toen de TGV, de Fokker, de Airbus, de Concorde. Hoe sneller hoe beter.

En nu is het gierend uit de hand gelopen. We blazen ongehoorde hoeveelheden fijnstof en CO2 de atmosfeer in met al die haast van ons. Er is een enorm probleem ontstaan dat niet zomaar van de ene op de andere dag zal zijn verdwenen, zeker niet als daartoe de politieke wil ontbreekt. Maar er is nog een probleem, naast dat fijnstof en die CO2, en dat is de ontmenselijking. De mens is geëvolueerd en gepredestineerd om zich te verplaatsen en hij doet dat in principe met zijn benen. Vijf kilometer per uur. Dat is de menselijke maat. Een beetje sneller gaat ook nog wel, te paard of te fiets, of desnoods de auto of de trein. Maar eigenlijk is dat al te snel. Zelden zag ik dit snelheidsprobleem zo mooi verwoord als in de korte roman Monsieur Ibrahim et les fleurs du Coran, van de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt. De hoofdpersonen, meneer Ibrahim en zijn pleegzoon Momo, rijden in een auto door Europa op weg naar Turkije, als Momo zich afvraagt of ze niet beter de snelweg kunnen nemen in plaats van binnenwegen. Daarop antwoordt Ibrahim het volgende (en ik vertaal het zelf even uit mijn Franse tekst):

“Oh nee, niet de snelweg. Momo, niet de snelweg. Snelwegen betekenen: doorjakkeren en niets zien. Het is voor imbecielen die zo snel mogelijk van A naar B willen geraken. Maar wij, wij reizen. Zoek mooie kleine weggetjes voor me uit, die ons alles goed laten zien wat er te bekijken valt. (…) Luister Momo, als je helemáál niets wilt zien, moet je net als iedereen het vliegtuig nemen.” (einde citaat).

Als de snelweg eigenlijk al een uitvinding voor imbecielen is, wat is het vliegtuig dan wel niet? Het vliegen laat ons op zo’n snelheid van A naar B reizen dat de menselijke maat zoek is. Wat je eraan overhoudt, is een gevoel van ontheemdheid, een jetlag of een cultuurschok, en dikwijls een combinatie van deze verschijnselen. Waar de wandeling de meest menselijke manier van reizen is, is het vliegverkeer de meest onmenselijke. Maar veel keus wordt ons dikwijls niet gelaten. Het is zo lekker goedkoop, en vaak de enige mogelijkheid. Vorig jaar is de nachttrein naar Wenen uit de dienstregeling genomen, verdrongen door de vliegende prijsvechters. Nu kom je niet meer heerlijk uitgeslapen midden in de stad van je bestemming aan, maar landt je met een zoekgeraakte koffer ergens ver daarbuiten, tussen de weilanden. Monsieur Ibrahim had daar het juiste woord voor: imbeciel.


Nieuwe mensaap!

Vanmorgen weer een column bij Vara’s Vroege Vogels gedaan. Over de nieuwe orang oetan die onlangs werd gepubliceerd. Hij kan hier desgewenst ook worden beluisterd.

Yes, dat was nog eens nieuws! Voor het eerst sinds, nu bijna een eeuw geleden, de bonobo als een aparte soort mensaap werd beschreven, is er weer een nieuwe soort bijgekomen. Op Sumatra is een derde orang oetansoort gevonden.

Het dier kreeg in een artikel in het tijdschrift Current Biology de weinig tot de verbeelding sprekende naam Pongo tapanuliensis aangemeten. De andere soorten orang oetan zijn Pongo pygmaeus, dat is de Borneose soort, en Pongo abelii, die net als de nieuwe soort ook op Sumatra voorkomt. Een nieuwe mensaap, dat verwacht je echt werkelijk niet meer. Af en toe wordt er nog wel eens een nieuwe Colombiaanse muizensoort ontdekt of een vers gevonden Venezolaanse vleermuis beschreven, maar grote zoogdieren echt heel zelden en mensapen natuurlijk al helemaal nooit. Nou ja, tot twee weken geleden dus, toen die orang oetan met zijn onuitspreekbare naam werd gepubliceerd. Die naam tapanuliensis is overigens afgeleid van het Sumatraanse regentschap waar de soort is gevonden, Tapanuli Selatan. Regentschap, wat een mooi Multatuliaans woord is dat trouwens, maar dat terzijde.

Nog meer dan het bericht over die nieuwe aap verbaasde mij een terloopse opmerking in een van de vele nieuwsitems die ik erover voorbij zag komen. Daar stond namelijk opgemerkt dat er nu dus intussen zeven soorten mensapen bekend zijn. Ik citeer: “nu zijn er zeven soorten mensapen: drie orang oetans, twee gorilla-soorten, chimpansees en de bonobo.” Zeven. Ik ging ook maar eens tellen: uit Azië kennen we nu dus drie orang oetans en uit Afrika de mens, de westelijke en de oostelijke gorilla, de chimpansee en de bonobo, dat maakt volgens mij acht. En geen zeven. Om tot zeven te komen moet je er dus minstens één stiekem vergeten. Ik heb een chimpanseebruin vermoeden dat dat de mens is. Letterlijk stond daar dus dat de mens geen mensaap is, oftewel dat Homo sapiens niet zou behoren tot de familie der Hominidae, de mensachtigen. Dat is toch vreemd, dat mensen geen mensachtigen zijn. Het is een mooi voorbeeld van menselijke hoogmoed, van soortsarrogantie, en de neerslag van de oudtestamentische gedachte dat mensen niet tot het dierenrijk behoren.

Toen ooit de schepper schiep, schiep hij licht en donker, de hemel en de aarde, de planten, de dieren en helemaal aan het eind, vlak voordat hij aan zijn rustdag toe was, schiep hij de mens, twee stuks, een mannetje en een vrouwtje. Zo was het bij de dieren ook gegaan en dat werkte prima. Vele jaren later bedacht ene meneer Linnaeus dat wij mensen ook een wetenschappelijke naam nodig hebben, en sindsdien heten we Homo sapiens. Een drietal wetenschappers kwam in  2001 met een nieuwe en vooral zeer interessante indeling: zij stopten alle Afrikaanse mensapen in het geslacht Homo. De westelijke gorilla heet dan niet meer Gorilla gorilla maar Homo gorilla, enzovoort, en het leidt ertoe dat er tegenwoordig niet één mensensoort op aarde leeft, namelijk Homo sapiens, maar wel vijf. Het is de ultieme gelijkschakeling, het definitieve einde aan ons superioriteitsgevoel. Dit bijzondere voorstel om de chimp, de bonobo en de twee gorilla’s in de diersystematiek te vermenselijken, heeft onder bio1ogen helaas niet tot veel navolging geleid. Toch vind ik het wel een interessant idee, al is het maar als gedachtenoefening. Het maakt nederig. Het verklaart een hoop misplaatste borstklopperij van menselijke alfamannetjes en het maakt Bokito een stuk humaner. Wij zijn allemaal apen.


Shortlist UU-Publiprijs 2017

Dat is een leuke verrassing: ik ben samen met drie andere medewerkers van de Universiteit Utrecht (UU) genomineerd voor de UU-Publiprijs 2017, een prestigieuze prijs voor UU-medewerkers die op het gebied van public outreach leuk aan de weg timmeren. Annelien Bredenoord, Beatrice de Graaf en Joop Schippers, geen slecht gezelschap om tussen te verkeren. De informatie over de shortlist staat op het UU-intranet; dat is uiteraard besloten, dus hier is even het bericht gekopieerd:

De UU heeft de Utrechtse onderzoekers Annelien Bredenoord, Beatrice de Graaf, Jelle Reumer en Joop Schippers genomineerd voor de UU-Publiprijs 2017.  

Met de publiciteitsprijs beloont de universiteit een wetenschapper die zeer prominent in de media is en daar zelf ook actief een bijdrage aan levert. De UU wil hiermee wetenschappers stimuleren publiciteit te genereren voor hun onderzoek en deel te nemen aan het maatschappelijk debat.

De genomineerden

  • Prof. dr. Annelien Bredenoord is hoogleraar Ethiek van Biomedische Innovatie in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Zij publiceert veel over de invloed die medische innovaties (stamcelonderzoek, voortplantingstechnologie, Big Data en biobanken) hebben op patiëntenzorg en de maatschappij.
  • Prof. dr. Beatrice de Graaf is hoogleraar History of international relations & global governance bij de faculteit Geesteswetenschappen. Zij komt veelvuldig in de media, onder andere met duiding van nieuws rond terrorisme en veiligheid.
  • Prof. dr. Jelle Reumer is hoogleraar Vertebrate Paleontology bij de faculteit Geowetenschappen en publiceerde in columns en boeken afgelopen jaar veel over onder meer natuur in steden.
  • Prof. dr. Joop Schippers is als arbeidseconoom verbonden aan de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie. Hij publiceert over talloze onderwerpen zoals bijvoorbeeld flexibel, vast of contract werk, deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en pensioenleeftijd.

De winnaar van vorig jaar was Martin van den Berg, hoogleraar Toxicologie. Twee genomineerden van dit jaar wonnen de Publiprijs al eerder, namelijk Beatrice de Graaf en Joop Schippers. De winnaar wordt op 8 januari bekend gemaakt. De nominatie komt tot stand door een gewogen telling van publiciteitsuitingen van Utrechtse wetenschappers, zowel in kranten en bladen als via radio en televisie en social media. Een jury evalueert binnenkort de vier genomineerden en maakt de winnaar bekend op 8 januari tijdens de nieuwjaarsreceptie van het College van Bestuur.


Zombienatuur

Op 10 oktober 2017 werden in Pakhuis de Zwijger de laatste namen van de Trouw Duurzame 100 bekendgemaakt, de nummer 25 tot en met 1. Bij die gelegenheid sprak ik de volgende column uit, over de teloorgang van ons platteland.

Afgelopen week publiceerde Science een alarmerend artikel dat me totaal niet verbaasde, wat uitzonderlijk is voor alarmerende berichten. Die zouden moeten verbazen. Deze niet. In 75% van de potjes honing die onderzoekers wereldwijd hadden verzameld, bleken neonicotinoïden te zitten. In sommige maar één, maar in andere wel vijf verschillende typen. De meeste potjes bleven gelukkig onder de norm voor menselijk consumptie, maar in een enkel geval was ook dat niet zo. Zelfs bij het fipronilschandaal kwam dat laatste niet voor.

Neonicotinoïden helpen de insectenwereld om zeep. Om te beginnen. Het wordt ook wel bijengif genoemd, hoewel het niet tegen bijen bedoeld is. Er kwam een klein mediastormpje op gang, dat waarschijnlijk net zoveel effect zal hebben als voorstellen voor een wapenverbod in de VS, maar we houden hoop. Eerder dit jaar publiceerde datzelfde Science een artikel van Duitse onderzoekers die constateerden dat in een natuurgebied, niet ver over de grens bij Venlo, de insectenfauna in 24 jaar tijd met 78% was afgenomen. Kortom: er zit bijengif in driekwart van de potjes honing en er zijn driekwart minder insecten. Beter kunnen we de teloorgang van het buitengebied niet schetsen. Het gaat in rap tempo naar de knoppen – ik druk me diplomatiek uit. Wat resteert kunnen we het beste aanduiden met de term zombienatuur. Het ziet er groen uit maar is zo dood als een pier.

Je kunt het ook zelf waarnemen wanneer je een zomerse autorit gaat maken. Vroeger moest je dan af en toe je autoruit reinigen. Nu hoeft dat niet meer, na driehonderd kilometer rijden zitten er hooguit drie verdwaalde muggen op. Het lijkt een futiliteit, zelfs prettig voor de automobilist, maar in werkelijkheid toont het haarscherp aan waar we intussen zijn aangeland. Onze natuur is zombienatuur geworden. De insecten zijn verdwenen, de veldleeuweriken, de grutto’s, de noem-maar-op, alles is totaal of bijna totaal verdwenen. Met dank aan wat men eufemistisch gewasbeschermingsmiddelen noemt, en allerlei andere aspecten van de moderne agrarische bedrijfsvoering, die hele keten van burgers, banken en boeren, gefaciliteerd door de politiek.

Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie constateerde het al in zijn uiterst urgente boekje Wilde apen. Het land gaat naar de knoppen, maar we staan erbij en kijken ernaar. Onze natuurgebieden zijn te klein, te droog en te versnipperd en het platteland lijdt in ernstige mate onder de neerslag van ammoniak, verontreiniging met bestrijdingsmiddelen en een te lage grondwaterstand. Zijn conclusie is dat natuurgebieden fors moeten worden uitgebreid en dat de agrarische sector op een totaal andere leest moet worden geschoeid.

Natuur uitbreiden dus. Maar wat is dan natuur? Eerder definieerde ik natuur als alles wat spontaan is; al hetgeen spontaan opkomt in de toevallig voorhanden zijnde omgeving. Het is een bijna Aristotelische definitie: natuur is volgens de oude Griekse wijsgeer al hetgeen uit zichzelf beweegt of verandert. In het ‘uit zichzelf’, zonder menselijke ingreep dus, zit de spontaniteit besloten. Er wordt in deze definitie echter uitgegaan van een onderscheid tussen enerzijds alles wat de mens doet of deed, en anderzijds al hetgeen zonder de mens tot stand komt of kwam. In dat geval wordt de mens buiten de natuur geplaatst in plaats van er als één van de ruim vijfduizend soorten zoogdieren deel van uit te maken. Daar kun je vraagtekens bij zetten. Bovendien heeft iedere definitie consequenties. Als we de mens er geheel buiten plaatsen, is er op de hele aardbol nog maar weinig natuur voorhanden, want overal zit wel een menselijk artefact verborgen, dikwijls onzichtbaar, van homeopathisch verdunde sporen DDT tot het verhoogde CO2 gehalte in de atmosfeer. Als de mens daarentegen tot integraal onderdeel van de natuur wordt gerekend, is daarvan de consequentie dat we verkrotte binnensteden, parkeerterreinen en olieraffinaderijen ook tot de natuur moeten rekenen. Dat is een interessante filosofische gedachtenoefening.

Ik wil graag een onderscheid maken tussen drie begrippen: ongerept, wildernis en natuur. Ongerept is al hetgeen dat nooit door de mens op enigerlei wijze, in ieder geval niet fysiek waarneembaar, is beïnvloed, zoals nu nog grote delen van het Amazonegebied. Wildernis is iets heel anders. Het ongerepte behoort tot de wildernis, maar niet iedere wildernis is ongerept. Ongereptheid kunnen we als mens teniet doen. Het kan worden getemd, gekapt, omgeploegd, ontgonnen, zoals ooit de Brabantse en Drentse hoogvenen, en vervolgens ook weer terugverwilderen tot heide of petgaten, tot nieuwe wildernis. Op veel plekken in ons land is het goed mogelijk om je in de wildernis te wanen. Natuur is weer iets heel anders. Het is een nog ruimer begrip. Het is alles wat spontaan opkomt, met óf zonder menselijke wegbereiding. De (on)kruidjes tussen de stoeptegels in de stad, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn allemaal ook natuur. Daar zit een belangrijk verschil met de begrippen ongerept en wildernis. Natuur laat zich niet teniet doen en niet temmen. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk.

Is er dan geen heil meer? Is onze natuur gereduceerd tot de kaalgegeten en platgetreden Oostvaarderplassen en de intussen lelietje-van-dalen loze Bloemendaalse Waterleidingduinen, de wulp- en korhoenloze heidevelden, de met handtamme Schotse hooglanders bevolkte en met Canadese guldenroede overwoekerde nepnatuur op Tiengemeten? Zien we geen lichtpuntjes in de verte? Jazeker! Juist de definitie dat natuur alles is wat spontaan optreedt, is onze redding. Voor het aanschouwen van Nederlandse biodiversiteit moet je de eeuwige raaigrasvelden, de bloemloze weiden in het Groene Hart en de letterlijk onoverzienbare maisakkers achter je laten en de stadspoort binnentreden. Iets ongerepts zullen we in de stad niet aantreffen, daarover zijn we het snel eens. Of je in de gebouwde omgeving van wildernis kunt spreken valt ook nog te bezien, maar een wilderniservaring kun je er hier en daar zeer zeker opdoen. Maar de natuur, die is overal. Een bijkomend voordeel van de stadsnatuur is bovendien dat je er op veel plekken koffie kunt drinken. Wel zonder dekseltje graag, want dat wordt weer zwerfvuil.

 

 


Afval, weg ermee!

Het Volkskrant Kenniscafé in De Balie ging deze maand over afval. Bestaat het of niet? Een heikel onderwerp. Dit was mijn slotcolumn.

Ze noemen het eufemistisch Les fleurs du Sahel, bloemen van de Sahel, de miljoenen kleurige plastic zakken die grote delen van Afrika opvrolijken. Eenmalig gebruikt en daarna weggegooid, vallen ze ten prooi aan de wind, die de zakken meevoert totdat ze ergens aan de stekels en takken van bomen en struiken blijven hangen. Het lijkt dan alsof die in bloei staan. Ook in ons eigen land is dit lang een probleem geweest. Overal kreeg je van die dunne zakjes uitgereikt, dikwijls gestreept als een gevangenispak en steevast in de vorm van een ouderwets mouwloos hemdje. Tegenwoordig zijn ze grotendeels verboden. Alleen op de markt wordt de vis er nog in verpakt, voorlopig althans.

Dat in ons land het gebruik van plastic tassen en hemdtasjes tenzij je ervoor wilt betalen is verboden, is zowel een godswonder als een bizarre polderoplossing. De plastictasjesfabrikanten schreeuwden destijds moord en brand, met argumenten als de werkgelegenheid en dat papieren tasjes ook milieubelastend zijn. Het godswonder is dat er toch een verbod door het parlement kwam, ook al is het geen echt verbod, want als je tien cent betaalt, krijg je alsnog een plastic tasje. Pecunia non olet in de polder.

Nee, dan Kenia. Daar zijn alle plastic tassen en tasjes verboden, op straffe van draconische geldboetes; tot 35.000 euro of één à twee jaar achter de tralies. Men gebruikte alleen al in  Kenia 24 miljoen plastic tasjes per maand. Soms werden ze éénmalig hergebruikt; bij gebrek aan een toilet kon je er je ontlasting in deponeren en het dichtgeknoopte tasje met inhoud daarna over het tuinhek de straat op, of de rivier in, slingeren. De bloemen van de Sahel worden goed bemest.

Costa Rica heeft, ook deze zomer, al het wegwerpplastic verboden. Van wegwerpbestek tot vleeswaarbakjes en PET-flessen, allemaal verboden. Kijk, dat gaat nog ergens op lijken.

Maar nu Nederland. Een kind snapt dat er een eind moet komen aan het ongebreidelde gebruik van al dat plastic. Dat er hoognodig statiegeld moet worden geheven op flesjes en blikjes. Maar de Tweede Kamer draalt, hakt geen knoop door, laat een door de frisdrankindustrie betaald onderzoek doen door de commerciële Wageningen Universiteit, laat dat na terechte ophef nog eens overdoen door Delft, zal dat laatste rapport, dat overduidelijk aantoont dat statiegeld wel degelijk helpt, ongetwijfeld in een diepe la leggen waar het nooit meer uitkomt. Want ja, de werkgelegenheid van de plasticflesjes en -zakjesfabrikanten, ai, ai, ai.

Nederland moet zich schamen. Waarom kan hier niet wat in ontwikkelings-landen als Kenia en Costa Rica en Niger en nog een aantal andere wel kan? Soms valt te betreuren dat Nederland geen ontwikkelingsland is, dan was de wetgeving een stuk sneller geregeld. Die hele pro-plastic en anti-statiegeldlobby moet in een flinke plastic zak worden gestort, en die dan dichtgeknoopt en over het nationale tuinhek geslingerd, de Keniaanse stront achterna. Weg met die shit!

(Voor wie het hele Kenniscafé wil terugzien deze link)