Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Henry David Thoreau: Wandelen

“Ik wil een pleidooi houden voor de Natuur, voor wildheid en absolute vrijheid, en deze plaatsen tegenover burgerlijke vrijheid en beschaving. Ik wil de mens niet beschouwen als lid van de samenleving maar als bewoner, die deel van en één met de Natuur is. Ik wil mijn standpunt zonder voorbehoud en zo radicaal mogelijk duidelijk maken, want verdedigers van de beschaving zijn er genoeg: de predikant, het schoolbestuur – en ook u allen hier aanwezig is dat toevertrouwd.”

(…)

“Het Westen waarover ik spreek, is alleen maar een andere naam voor het Wilde; en wat ik heb willen zeggen, is dat in Wildheid het behoud van de wereld ligt.”

(…)

“Afgelopen november maakten we op een dag een prachtige zonsondergang mee. Ik wandelde in een weide waar een beek ontsprong, toen de zon ten slotte, vlak voor hij onderging, na een koude, grijze dag, een wolkenloze laag aan de horizon bereikte, en het allerzachtste, helderste ochtendzonlicht op het droge gras viel, op de stammen van de bomen aan de tegenovergelegen horizon en op de bladeren van de struikeiken op de helling, terwijl onze lange schaduwen zich naar het oosten over het gras uitstrekten, alsof we de enige stofdeeltjes in zijn stralen waren. Het was een licht zoals we het ons vlak daarvoor niet eens hadden kunnen voorstellen, en de lucht was ook zo warm en kalm dat er niets meer hoefde te gebeuren om van de weide een paradijs te maken. Toen we bedachten dat dit niet een uitzonderlijk verschijnsel was dat nooit weer zou plaatsvinden, maar dat het altijd weer, een oneindig aantal avonden zou plaatsvinden en het ook het jongste kind dat met ons liep zou opbeuren en vrolijk maken, was het nog schitterender. De zon gaat onder boven een oude weide, waar geen huis te zien is, met alle glorie en pracht waarmee hij steden overlaadt, zoals hij misschien nooit eerder is ondergegaan – daar laat een enkele blauwe kiekendief zijn vleugels vergulden, een muskusrat kijkt uit zijn hut, en in het midden van het drasland begint een zwartgeaderd beekje net te meanderen en wentelt traag om een vermolmde boomstronk. Zonder enige rimpeling of geruis te horen, wandelden we in zo’n zuiver en helder licht dat de dorre grassen en bladeren zo zacht en sereen verguldde, dat het was alsof ik nog nooit in zo’n gouden vloed had gebaad. De westkant van elk bos en elke helling lichtte op als de grenzen van het Elysium, en de zon op onze rug voelde aan als een vriendelijke herder die ons tegen de avond naar huis dreef. Zo kuieren wij naar het Heilige Land, tot de dag dat de zon helderder zal schijnen dan ooit, en onze geesten en onze harten zal verlichten, en onze levens zal beschijnen met een ontwakend licht, zo warm, zo sereen en goudkleurig als op een oever in de herfst.”

Dit waren achtereenvolgens de openingszin, de beroemde zin over Wildness (“in Wildness is the preservation of the World”), en de slotalinea, het prachtige coda met de zonsondergang uit Henry David Thoreau’s essay Walking, dat nu onder de titel Wandelen in Nederlandse vertaling is verschenen bij de Historische Uitgeverij (isbn 9789065540997). De vertaling is voorzien van een voorwoord van Norbert Peeters en een duidend nawoord van mijzelf. Het is een prachtig boekje geworden!

Advertenties


Het werkwoord pissebedden

Het Kenniscafé in De Balie van september handelde onder de titel De weg kwijt over oriëntatie, over oude en nieuwe kaarten, en de vraag of vrouwen inderdaad slechter zijn in kaartlezen dan mannen (dat is dus aperte nonsens). Mijn column ging over verdwalen:

Wanneer je in de tuin een achtergelaten bloempot, een losse steen of een vergeten houtblok optilt, is de kans groot dat zich daaronder een aantal pissebedden bevinden. Leuke beestjes zijn dat, eigenlijk op land levende kreeftjes en nuttige opruimers van allerlei dood spul. Zeer waarschijnlijk hebben ze een weinig ontwikkeld gevoelsleven hoewel je ze wel vaak in gezellige groepjes bijeen aantreft. Maar, ook al zullen ze niet veel denken, ze hebben wel ergens een hekel aan, namelijk om te worden gestoord in hun rust. Die plotselinge vrijheid na het optillen van de bloempot, het overvloedige licht dat ze overvalt, en tot overmaat van ramp ook de al even plotselinge overvloedigheid aan frisse lucht. Ze gaan er van door; in een paniekerige reactie schieten ze alle kanten op, totaal gedesoriënteerd.

Grijze trilobietjes die hun rust kwijt zijn, én de weg. ‘Waarheen?’ flitst het door de minuscule pissebreintjes. Als in een Brownse beweging begeven de diertjes zich derwaarts, op zoek naar rust, duisternis en vochtige bedomptheid. Ze vinden het wel weer, maar de erratische zoektocht ernaar is koddig om te zien, hoewel er een zekere mate van leedvermaak in deze observatie schuilt. Het is zelfs zó koddig, dat bij ons in huiselijke kring het werkwoord ‘pissebedden’ is ontstaan, om gedesoriënteerd rondlopen mee aan te duiden. En let maar eens op: ongemerkt loopt menigeen heel wat te pissebedden.

Maar dan: wat is daar mis mee? Wat gaat er fout als je even de weg niet weet?  Of je ergens links- of rechtsaf moet? Of misschien toch nog even rechtdoor? Het ergste wat je kan overkomen is dat je verdwaalt. Verdwalen is de overtreffende trap van pissebedden. Of beter: de ultieme vorm ervan.

De meeste mensen vinden het vervelend om te verdwalen. Je wordt op jezelf teruggeworpen, geconfronteerd met je eigen gedachten, je feilbaarheid, je onzekerheden en – dat geef ik toe – weinig dingen kunnen zo irritant zijn als de confrontatie met jezelf. Maar daar moet je overheen proberen te stappen. Rondlopend in een onbekende omgeving, zonder visuele herkenningspunten of geografische houvast, zonder tomtom of googlemaps, ontstaat juist de mogelijkheid om los te komen van alle beslommeringen en je te concentreren op diepere gedachten.

Veel schrijvers en filosofen hadden of hebben de gewoonte om te wandelen of zomaar wat te slenteren. Een deel daarvan, dat geef ik toe, betrad of betreedt slechts gebaande paden, zoals Charles Darwin die dagelijks zijn eigen tuinpad bewandelde, of Immanuel Kant die nooit verder kwam dan de straten van Königsberg. Nee, de ware wandelaar zwerft en ontdekt al pissebeddend nieuwe en onbekende wegen op het land én in zijn gedachten. Henry David Thoreau is een mooi voorbeeld. Die zwierf ogenschijnlijk doelloos door New England, struinde los van wegen en paden door onbekende bossen en mijmerde daarbij een wonderbaarlijk oeuvre bij elkaar.

Lanterfantend mijmeren, een fijne en rustgevende bezigheid, het zou in het basiszorgpakket moeten worden opgenomen, met als eerste activiteit een kleine cursus verdwalen. Wat jammer toch dat pissebedden niet kunnen denken, of als ze het geheel onverwacht toch zouden kunnen, ons daarvan niet op de hoogte kunnen brengen en ook hun gedachten niet met ons kunnen delen. Er zou vermoedelijk een wereld voor ons opengaan.

 

 

 

 

 


Stephen Hawking

Het Kenniscafé van 14 mei was gewijd aan Stephen Hawking, die ons onlangs is ontvallen. En die ons veel duidelijk maakte wat erg onduidelijk was en we nog altijd maar moeilijk kunnen snappen. Mijn column daarover luidde als volgt.

De dood van Stephen Hawking – die overigens vaak werd verward met bioloog en atheïst Richard Dawkins die daarom wegens Hawking’s overlijden ook werd betreurd maar nog springlevend is en dus zíjn verschijnen voor de troon van God in tegenstelling tot Hawking nog even moet afwachten – de dood van Hawking dus, was wereldwijd aanleiding tot bespiegelingen over zwarte gaten, het universum, de Big Bang, en andere onduidelijke dingen. Dingen waarvan je je als gewone sterveling afvraagt wat je er mee moet. Wat kun je ermee? Behalve bespiegelingen maken.

Het antwoord luidt: niets. Kennis over zwarte gaten, het mogelijke aantal heelallen, de exacte ouderdom van het heelal of de heelallen en de chemische reacties die plaatsvonden tijdens de eerste paar seconden na de Big Bang, het is interessante kennis maar we kunnen er niets mee. Van zulke kennis is er heel veel! Ook de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op Fiji, de grondwaterstand onder Timboektoe, de oogkleur van de zuster van Kim Yung Un en de exacte diepte van de Marianentrog zijn interessante dingen, maar we kunnen er niets mee. Maar er is een verschil. Die verkiezingsuitslagen, waterstand, oogkleur en zeediepte zijn nog dingen die we kunnen begrijpen. Het is allemaal simpel waarneembaar.

Dat is niet altijd het geval met de dingen die Hawking bezighielden. Die zijn bovendien vaak contra-intuïtief. Laten we eens naar dat heelal kijken. Het lijkt oneindig groot maar schijnt dat niet te wezen. Op een afstand van ongeveer 13,8 miljard lichtjaar komt er een einde aan het heelal. Als je zo ver kunt kijken, kijk je ook naar het begin de tijden, want wat zich 13,8 miljard lichtjaar verderop afspeelt is de nagloei van de Big Bang. We kijken dus eigenlijk niet alleen de ruimte in, maar ook terug in de tijd. De rand van het heelal is dan tevens het ontstaan ervan. Maar vervolgens schiet ons denkvermogen tekort. Want wat is er dan voorbij die rand? Wat is er vóór de Big Bang? Kun je wel verder reizen, in gedachten bedoel ik, dan voorbij het heelal of tot vóór de Big Bang? Ik weet dat Vincent Icke ooit uitlegde dat dat onzin is, omdat dat je wel naar het noorden kunt lopen, maar zodra je de noordpool hebt bereikt kan dan niet meer, terwijl je toch verder kunt lopen. Naar het zuiden. Je kunt dus tot het einde van het heelal reizen, en dan kun  je verder gaan maar niet meer tot het einde van het heelal. Reis je dan terug in de tijd?

Mij gaat het nu duizelen. Is er iets buiten het heelal, was er iets vóór de Big Bang. Dat probleem hou je ook als je daarbij God die alles schiep inschakelt (ik hoop dat Dawkins nu even niet meeleest), want wie of wat heeft God dan weer geschapen? De tijd vóór het begin van de tijd, de ruimte voorbij het eind van de ruimte, of voor mijn part een schepper die er al was voor bij bestond – het gaat de intuïtie te boven. Of te buiten. Als Hawking mij iets heeft duidelijk gemaakt, is het wel dat onze intuïtie faalt. Hij maakte het onbegrijpelijke begrijpelijk en liet zien dat het onmogelijke mogelijk is. Nu hoeven we het alleen nog maar te snappen, als u begrijpt wat ik bedoel, dat ik dus bedoel wat ikzelf amper begrijp.

Geloof ik.

 

 


Stochastiek en terrasverwarmers

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen zondag:

Dat was flink genieten vorige week, dat mooie warme weekend met temperaturen boven 20 graden. Halsoverkop de teenslippers tevoorschijn gehaald, rokjesdag was aangebroken. Heerlijk. Zes weken geleden werden we nog geteisterd door die verrekte Russische beer met gevoelstemperaturen van onder de min 10, gure winden die rechtstreeks van de ijzige Karelische toendra’s kwamen. Het weer is vooral zo boeiend omdat het zo onvoorspelbaar is. Ja, het weer van morgen kan redelijk worden voorspeld, maar dat van overmorgen is al iets lastiger en het weer van volgende week is per definitie onvoorspelbaar. En dat terwijl het weer zo mooi meetbaar is in termen van temperatuur, windsnelheid, luchtvochtigheid en zonintensiteit. Het is hartstikke bèta, maar toch weten we het nauwelijks langer dan over drie, vier dagen met zekerheid te voorspellen. Dat komt doordat het weer een zogenoemd stochastisch proces is. Moeilijk woord, stochastisch; het is een deelgebied van de hogere wiskunde en verwant aan dingen als kansberekeningen en de algebra van het toeval. Volgens wiki is een stochastisch proces een opeenvolging van toevallige uitkomsten. Simpel gezegd zijn er zoveel toevallige invloeden van buitenaf dat je daardoor niet kunt voorspellen wat er gaat gebeuren.

Er zijn ontzettend veel stochastische processen waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben. Bekende voorbeelden zijn economische processen zoals de beurskoersen, het gedrag en de stemming van andere mensen met nadruk – uiteraard – op dat van pubers, de uitslagen van verkiezingen en de looprichting van een dronkenlap. Al zulke zaken kun je wel grofweg een beetje voorspellen, maar de uiteindelijke uitkomst is per definitie ongewis. Dat geldt ook voor het weer. Ja, we weten dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, maar daar blijft het ook wel bij, want het kan volgende week zondag zowel 30 als 15 graden zijn, stortregenen of kurkdroog zijn, stormen of windstil. Het houdt het leven spannend.

Maar goed, dit is allemaal een aanloop naar een grote ergernis in verband met die kou van onlangs. We houden niet van ongewisheid. We willen zekerheid. Mooi weer, een fijne warmte, en als de natuur er niet voor zorgt, maken we die zelf wel. Het laatste waar ikzelf bij een gevoelstemperatuur van min 12 en een snerpende noordoostenwind aan zou denken, is om buiten op een terras te gaan zitten om een biertje te drinken of zelfs in hemdsmouwen te dineren. En toch gebeurde dat overal, dankzij de meest idiote uitvinding die de mensheid ooit heeft voortgebracht: de terrasverwarmer. Vooral sinds het rookverbod de rokers naar de buitenruimte heeft verbannen, is het verschijnsel terrasverwarmer epidemisch toegenomen. Hele straten en halve pleinen worden opgewarmd met behulp van elektrische of gasgestookte branders. De hitte zorgt ervoor dat je aan de ene kant opwarmt en aan de andere kant even koud blijft als tevoren, maar vooral dat er een ongelooflijke hoeveelheid energie nutteloos in de gure wind wegwaait. Wat een onzin, het is hier Griekenland of Benidorm niet waar je het hele jaar buiten kunt zitten. Terwijl iedereen, de overheid voorop, de mond vol heeft over duurzaamheid en isolatie en dat we moeten besparen en van het gas af moeten, dat de laatste raamkiertjes moeten worden dichtgekit en we vooral geen lampje mogen laten branden in een ruimte waar we héél even niet zijn, vindt iedereen, de overheid voorop, het doodgewoon dat we de winterse buitenlucht verwarmen. Hoe krijg je het verzonnen? Bierdrinken op een ijzig winters terras, om dan na ruime intake van het nodige alcohol in een stochastische zwalk terug naar huis te waggelen.

Kunnen we niet gewoon stoppen met die onzin?


Cryptozoölogie

De februari-column voor Vroege Vogels was geïnspireerd door de prachtige tentoonstelling die momenteel in Teylers Museum in Haarlem te zien is: Monsterdieren. Over cryptozoölogie, en de onbewijsbaarheid van het niet-bestaan van het niet-bestaande:

Volgens de filosoof Bertrand Russell cirkelt er een theepot in een baan om de zon, en hij daagde ons allemaal uit om te bewijzen dat dat niet waar is. Russell’s theepot vormt de kern van een filosofisch vraagstuk, namelijk de vraag of je het niet-bestaan van iets dat niet bestaat kunt bewijzen. Dat kun je dus niet. Niemand kan overtuigend aantonen dat die theepot daar daadwerkelijk rondzweeft, maar het omgekeerde, namelijk bewijzen dat hij er NIET is, is ook onmogelijk.

Dezelfde onzekerheid heerst er rond de diersoorten die worden bestudeerd door de cryptozoölogie. Denk aan het monster van Loch Ness, de verschrikkelijke sneeuwman ofwel de yeti, de Sumatraanse dwergmensjes (orang pendek), en meer van dergelijke verborgen diersoorten. De charme van de cryptozoölogie is dezelfde als die van Russell’s theepot. Je kunt vooralsnog niet bewijzen dat het monster van Loch Ness daadwerkelijk door de koude Schotse wateren zwemt, maar het is evengoed ook niet voor 100% uit te sluiten. Afwezigheid van bewijs is geen bewijs voor afwezigheid. Juist die onzekerheid levert de charme.

Aan de cryptozoölogie is nu een mooie tentoonstelling in Teylers Museum gewijd. Het gaat over dieren waarvan we eigenlijk aannemen dat hun bestaan fictie is. Ja, of niet dus! Het ultieme cryptobeest ontbreekt op de tentoonstelling, de theoretische kat van Nobelprijswinnaar Erwin Schrödinger, die tegelijkertijd leeft én dood is. Die kat dus. Of hij leeft of niet, hangt af van de waarneming. Als je hem ziet en hij leeft, dan is hij levend, en als je hem ziet en hij is dood, dan is hij dood. Tot het moment van waarneming is hij dus zowel dood als levend. Het is cryptozoölogie voor gevorderden. Hetzelfde geldt voor de yeti. Zolang hij niet in levenden lijve is waargenomen of weliswaar dood maar als onmiskenbare sneeuwman is aangetroffen, bestaat hij niet. Maar als we hem wél vinden, bestaat hij. Vooralsnog bestaat hij dus tegelijkertijd wel én niet.

In Centraal Azië zijn diverse fossielen gevonden van een diersoort die een yeti zou kunnen zijn: de reuzen-orang-oetan Gigantopithecus, maar er wordt vanuit gegaan dat die al enkele tienduizenden jaren geleden is uitgestorven. Hetzelfde geldt voor de Indonesische dwergmensjes, die in de vorm van de hobbit Homo floresiensis wel degelijk hebben bestaan. Maar ook deze Flores-mens is allang uitgestorven. Ja, of niet dus!

Niemand kan met 100% zekerheid uitsluiten dat er niet nog ergens een kleine populatie van deze of aanverwante boskaboutertjes in de binnenlanden van Flores rondloopt, of desnoods op Celebes of Sumatra of zo. Tot het moment dat héél zuidoost Azië is platgebrand en herschapen in een monotone palmolieplantage blijft de mogelijkheid bestaan dat … ja, vult u zelf maar in.

En zo blijven we in het duister tasten. Over Loch Ness en het monster. De tot nu toe overlegde bewijzen overtuigen niet echt, de bekende vage foto is een hoax, en bijna iedereen vindt het aperte onzin, maar tegelijkertijd aanvaardt een niet onaanzienlijk deel van intelligent Europa zonder enige aarzeling dat ooit de maagd Maria is verschenen in een grot bij Lourdes. Bernadette Soubirous heeft haar zelf gezien en die waarneming staat als een huis, ook al is er geen foto van, zelfs geen vage of getructe. Maar bewijst u maar eens dat het onzin is. Bewijst u maar eens dat dat beest in het meer van Loch Ness onzin is. Dat lukt niet. Het niet-bestaan van het niet-bestaande is onbewijsbaar. Zo simpel en frustrerend is dat, en daarom blijft de cryptozoölogie zo’n fascinerend vakgebied op het grensvlak van geloof, bijgeloof, volksgeloof, leuterkoek, fantasie en wetenschap.


Vliegen: imbeciel!

Het honderste (100e !) Kenniscafé in De Balie van 15 januari ging over vliegen. Over de gevolgen ervan, de voor- en (vooral) nadelen, en wat ertegen te doen. Dit was mijn traditionele slotcolumn:

vliegen: imbeciel!

Sinds de eerste oermens zich twee miljoen jaar geleden ontrukte aan het bestaan als een Australopithecus en zich Homo habilis ging noemen, sinds die tijd is de mens onderweg. Hij reist, en al snel had hij zijn vleugels vanuit Afrika uitgestrekt naar Europa en Azië, en later, toen hij intussen een reislabel met de naam Homo sapiens aan zijn knapzak had gehangen, ook naar Australië en Amerika. De mens is een reiziger. Hij loopt de aardkloot rond, of liever: hij liep, want de mens is het lopen verleerd. Voor lopen is de mens te lui geworden, te haastig, te gestresst. We willen liefst ergens aankomen op het moment dat we vertrekken. Tijd is geld, reistijd tijdverspilling. De mens hield op met lopen, klom op een paard, hees zich in een koets, maakte daar een automobiel van, vond de trein uit, en toen de TGV, de Fokker, de Airbus, de Concorde. Hoe sneller hoe beter.

En nu is het gierend uit de hand gelopen. We blazen ongehoorde hoeveelheden fijnstof en CO2 de atmosfeer in met al die haast van ons. Er is een enorm probleem ontstaan dat niet zomaar van de ene op de andere dag zal zijn verdwenen, zeker niet als daartoe de politieke wil ontbreekt. Maar er is nog een probleem, naast dat fijnstof en die CO2, en dat is de ontmenselijking. De mens is geëvolueerd en gepredestineerd om zich te verplaatsen en hij doet dat in principe met zijn benen. Vijf kilometer per uur. Dat is de menselijke maat. Een beetje sneller gaat ook nog wel, te paard of te fiets, of desnoods de auto of de trein. Maar eigenlijk is dat al te snel. Zelden zag ik dit snelheidsprobleem zo mooi verwoord als in de korte roman Monsieur Ibrahim et les fleurs du Coran, van de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt. De hoofdpersonen, meneer Ibrahim en zijn pleegzoon Momo, rijden in een auto door Europa op weg naar Turkije, als Momo zich afvraagt of ze niet beter de snelweg kunnen nemen in plaats van binnenwegen. Daarop antwoordt Ibrahim het volgende (en ik vertaal het zelf even uit mijn Franse tekst):

“Oh nee, niet de snelweg. Momo, niet de snelweg. Snelwegen betekenen: doorjakkeren en niets zien. Het is voor imbecielen die zo snel mogelijk van A naar B willen geraken. Maar wij, wij reizen. Zoek mooie kleine weggetjes voor me uit, die ons alles goed laten zien wat er te bekijken valt. (…) Luister Momo, als je helemáál niets wilt zien, moet je net als iedereen het vliegtuig nemen.” (einde citaat).

Als de snelweg eigenlijk al een uitvinding voor imbecielen is, wat is het vliegtuig dan wel niet? Het vliegen laat ons op zo’n snelheid van A naar B reizen dat de menselijke maat zoek is. Wat je eraan overhoudt, is een gevoel van ontheemdheid, een jetlag of een cultuurschok, en dikwijls een combinatie van deze verschijnselen. Waar de wandeling de meest menselijke manier van reizen is, is het vliegverkeer de meest onmenselijke. Maar veel keus wordt ons dikwijls niet gelaten. Het is zo lekker goedkoop, en vaak de enige mogelijkheid. Vorig jaar is de nachttrein naar Wenen uit de dienstregeling genomen, verdrongen door de vliegende prijsvechters. Nu kom je niet meer heerlijk uitgeslapen midden in de stad van je bestemming aan, maar landt je met een zoekgeraakte koffer ergens ver daarbuiten, tussen de weilanden. Monsieur Ibrahim had daar het juiste woord voor: imbeciel.


Nieuwe mensaap!

Vanmorgen weer een column bij Vara’s Vroege Vogels gedaan. Over de nieuwe orang oetan die onlangs werd gepubliceerd. Hij kan hier desgewenst ook worden beluisterd.

Yes, dat was nog eens nieuws! Voor het eerst sinds, nu bijna een eeuw geleden, de bonobo als een aparte soort mensaap werd beschreven, is er weer een nieuwe soort bijgekomen. Op Sumatra is een derde orang oetansoort gevonden.

Het dier kreeg in een artikel in het tijdschrift Current Biology de weinig tot de verbeelding sprekende naam Pongo tapanuliensis aangemeten. De andere soorten orang oetan zijn Pongo pygmaeus, dat is de Borneose soort, en Pongo abelii, die net als de nieuwe soort ook op Sumatra voorkomt. Een nieuwe mensaap, dat verwacht je echt werkelijk niet meer. Af en toe wordt er nog wel eens een nieuwe Colombiaanse muizensoort ontdekt of een vers gevonden Venezolaanse vleermuis beschreven, maar grote zoogdieren echt heel zelden en mensapen natuurlijk al helemaal nooit. Nou ja, tot twee weken geleden dus, toen die orang oetan met zijn onuitspreekbare naam werd gepubliceerd. Die naam tapanuliensis is overigens afgeleid van het Sumatraanse regentschap waar de soort is gevonden, Tapanuli Selatan. Regentschap, wat een mooi Multatuliaans woord is dat trouwens, maar dat terzijde.

Nog meer dan het bericht over die nieuwe aap verbaasde mij een terloopse opmerking in een van de vele nieuwsitems die ik erover voorbij zag komen. Daar stond namelijk opgemerkt dat er nu dus intussen zeven soorten mensapen bekend zijn. Ik citeer: “nu zijn er zeven soorten mensapen: drie orang oetans, twee gorilla-soorten, chimpansees en de bonobo.” Zeven. Ik ging ook maar eens tellen: uit Azië kennen we nu dus drie orang oetans en uit Afrika de mens, de westelijke en de oostelijke gorilla, de chimpansee en de bonobo, dat maakt volgens mij acht. En geen zeven. Om tot zeven te komen moet je er dus minstens één stiekem vergeten. Ik heb een chimpanseebruin vermoeden dat dat de mens is. Letterlijk stond daar dus dat de mens geen mensaap is, oftewel dat Homo sapiens niet zou behoren tot de familie der Hominidae, de mensachtigen. Dat is toch vreemd, dat mensen geen mensachtigen zijn. Het is een mooi voorbeeld van menselijke hoogmoed, van soortsarrogantie, en de neerslag van de oudtestamentische gedachte dat mensen niet tot het dierenrijk behoren.

Toen ooit de schepper schiep, schiep hij licht en donker, de hemel en de aarde, de planten, de dieren en helemaal aan het eind, vlak voordat hij aan zijn rustdag toe was, schiep hij de mens, twee stuks, een mannetje en een vrouwtje. Zo was het bij de dieren ook gegaan en dat werkte prima. Vele jaren later bedacht ene meneer Linnaeus dat wij mensen ook een wetenschappelijke naam nodig hebben, en sindsdien heten we Homo sapiens. Een drietal wetenschappers kwam in  2001 met een nieuwe en vooral zeer interessante indeling: zij stopten alle Afrikaanse mensapen in het geslacht Homo. De westelijke gorilla heet dan niet meer Gorilla gorilla maar Homo gorilla, enzovoort, en het leidt ertoe dat er tegenwoordig niet één mensensoort op aarde leeft, namelijk Homo sapiens, maar wel vijf. Het is de ultieme gelijkschakeling, het definitieve einde aan ons superioriteitsgevoel. Dit bijzondere voorstel om de chimp, de bonobo en de twee gorilla’s in de diersystematiek te vermenselijken, heeft onder bio1ogen helaas niet tot veel navolging geleid. Toch vind ik het wel een interessant idee, al is het maar als gedachtenoefening. Het maakt nederig. Het verklaart een hoop misplaatste borstklopperij van menselijke alfamannetjes en het maakt Bokito een stuk humaner. Wij zijn allemaal apen.