Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


De waanzin van terrasverwarmers

Op 16 mei was ik weer te gast bij Vroege Vogels, voor de maandelijkse column. Over een van mijn ergernissen deze keer: de terrasverwarmer.

De laatste vier, vijf weken was het gemiddeld veel te koud voor de tijd van het jaar. Een gure noordooster teisterde het land; boomknoppen bleven van ellende in hun bruine schubben schuilen, de krentenbloesem wachtte twee weken met ontluiken, fruittelers moesten ’s nachts hun boomgaard besproeien. Maar het was een april zoals we die vijftig jaar geleden altijd hadden en dat iedereen nu zo zat te klagen over de kou is een mooi voorbeeld van het shifting baseline syndrome. We weten tegenwoordig niet beter dan dat je in april lekker op het terras kunt zitten. Zo werd de lockdown toch een beetje draaglijk, want je denkt: wie wil er nou buiten zitten bij een noordooster windkracht 4 en een temperatuur van hooguit 9 graden? 

Antwoord: bijna iedereen. En we mogen weer. Terrassen zaten dus meteen overal stampvol. Gezellig op anderhalve meter en onder achterlating van je telefoonnummer laafde ons land zich aan koffie en bier. Natuurlijk, het was veel te koud om lang buiten te zitten, we zijn hier tenslotte niet in de Provence of Andalusië, maar daar heeft men iets op gevonden. De terrasverwarming. Een zalige uitvinding is dat, tot je er over gaat nadenken. Want wat doet zo’n ding, behalve je nek langzaam stoven zodat je eigenlijk als een speenvarken aan een spit af en toe zou willen ronddraaien? De terrasverwarmer verwarmt niet het terras, maar de buitenlucht. De wolken. Die buitenlucht wordt – ondanks die noordooster van de afgelopen tijd – door de klimaatverandering vanzelf wel warmer, daar hoeven we niet nog eens extra aan bij te dragen. Maar dat is té logisch geredeneerd.

De horeca is een in ons land goed florerende bedrijfstak met twee doelstellingen, of businessmodellen of targets, want het moderne personeel spreekt nog amper Nederlands, of hoe je het ook wilt noemen. Het eerste is het serveren van eten en drinken. Exquise sterrengerechten of vettig fastfood en alles daartussenin, en diverse dranken. Het tweede businesstarget is het opwarmen van de buitenlucht. Voor het eerste doel zijn de menukaart, tafeltjes, bestek, het fornuis, de kurkentrekker en de bierpomp uitgevonden, voor het tweede doel de terrasverwarmer. Dit terwijl de overheid te pas en te onpas roept dat we vooral erg duurzaam moeten zijn. Plaatselijke overheden willen graag de duurzaamste gemeente van het land zijn. Wij burgers worden met zachte drang gestimuleerd om oude ruiten te vervangen door HR++glas, onze vloer te isoleren, onze vleesconsumptie te reduceren, onze benzine- of dieselauto te vervangen door een elektrisch exemplaar en om een warmtepomp te installeren. Terwijl dat dus allemaal wordt geroepen en gestimuleerd, mag de horeca gewoon met welwillende goedkeuring van diezelfde overheid vrolijk de wolken verwarmen.

Een paar jaar geleden liep ik rond elf uur ’s avonds van het station door de binnenstad naar huis. Het was winter, het vroor een graad of vijf, zes en er stond een nare en gure noordoostenwind want die had je toen ook. Het was van dat winterweer waarbij je vroeger een oude krant onder je trui stopte voor een beetje extra isolatie. Ik liep over een plein. Op een van de terrassen daar zat een vrolijk gezelschap aan het bier. In hemdsmouwen. U hoort het goed: IN HEMDSMOUWEN! Bij krakende vorst en een snerpende noordooster. De terrasverwarmer is van overheidswege gedoogde waanzin.

In Frankrijk heeft het parlement onlangs het licht gezien en worden ze binnenkort verboden. Nu hier nog.


Pol – pollen – pollens!

Excuus, ik ben een tijdje uit de lucht geweest. Maar niet inactief gelukkig – het leven gaat door. Nog altijd iedere week een rubriek in Trouw, een keer per maand in Vroege Vogels, en ik werk aan een nieuw boek. In februari werd ik een keer – geheel onverwacht – ontzettend snotterig na een wandeling. Hooikoorts! Er zat pollen in de lucht. Of is het: er zaten pollen in de lucht. Pollens! (dixit Jef van Oekel): daar zat een column in.

Pollen is een hagelslagwoord

Het hooikoortsseizoen is weer losgebarsten. Ik heb er zelf gelukkig weinig last van, maar liep toch op 24 februari, precies tijdens de piek van het elzenstuifmeel, na een wandeling bij een Utrechts fort een halve dag te snotteren. Kort daarna kwam het bericht dat een studie was gepubliceerd die een mogelijk verband legde tussen de pollenpieken en de bevattelijkheid voor covid-19. Geen direct verband, zo werd meteen opgemerkt, maar er is wel een correlatie, en men vermoedt nu dat het stuifmeel dat op de slijmvliezen neerslaat het virus meer kans geeft om zijn slag te slaan. Maar daar wil ik nu het niet over hebben, want ik heb naast een interessant gezondheidsprobleem ook een leuk taalkundig probleem geconstateerd.

Het gaat daarbij om het woord pollen. Pollen is stuifmeel. Maar pollen is ook een raar woord, dat door de uitgang -en de indruk wekt dat het een meervoudsvorm is. Van pol dus. Maar dat is het niet. Pollen is namelijk een hagelslagwoord. Een hagelslagwoord, waarvan hagelslag de naamgever is, is een woord dat alleen in het enkelvoud bestaat maar een meervoud uitdrukt. Hagelslag is een grote hoeveelheid kleine bruine chocoladesliertjes. Je kunt een pak hagelslag kopen. Maar één zo’n chocoladedingetje heeft in feite geen naam, je kunt eigenlijk niet zeggen: één hagelslagje. Thuis gebruiken we altijd het woord pummetje, en strooien we pummetjes op de boterham.

Er zijn best veel hagelslagwoorden. Regen bijvoorbeeld, dat is niet het meervoud van reeg; en het bestaat uit druppels. Ook sneeuw, zand en grind zijn hagelslagwoorden, enkelvoud maar als spul bestaat het uit vlokken, korrels of steentjes.

Bij pollen doet zich hetzelfde verschijnsel voor, dat het handigst is uit te leggen door het synoniem ervan te gebruiken: stuifmeel. Je spreekt niet over één stuifmeeltje, maar van stuifmeelkorrels. Zo zijn er dus ook pollenkorrels. Er zijn elzenpollenkorrels en graspollenkorrels, die bij elkaar het elzenpollen en het graspollen vormen.

En nu wordt het nog leuker. Graspollen in de betekenis van grasstuifmeel is enkelvoud, maar er bestaat ook een meervoudsvorm graspollen. Dat is het meervoud van graspol. Een graspol is een kluit gras met worteltjes en een klont aarde eraan, dat een voetballer bij een verkeerd uitgevoerde sliding uit de grasmat losschopt. Met een beetje sportief geweld kan zo’n graspol zelfs door de lucht vliegen.

En nóg weer leuker wordt het wanneer je in de krant leest of op de radio hoort dat er veel graspollen in de lucht zíjn, in plaats van dat er veel graspollen in de lucht ís. Ik zie dan in gedachten al die pollen gras, met wapperende groene sprietjes en afbrokkelende kluiten zwarte grond eraan door de lucht vliegen. Ik weet het, het is een vorm van taalkundig mierenneuken, maar juist aan dat soort kleinigheden kun je een hoop plezier beleven.

En nu maar hopen dat het pollenseizoen snel voorbij is en dat het af en toe lekker gaat regenen, dat is bijna overal goed voor. Fijne zondag verder, en als u gaat wandelen: blijf op de paden en nies vooral in uw elleboog.

Hatsjie!


Zeeboontjes bij Cadzand, en de jager-verzamelaar in mij

In december verbleef ik twee weken in de buurt van Cadzand, bekend van de haaientandjes die er niet meer te vinden zijn. Bijgaande column maakte ik voor Vroege Vogels (met een knipoog naar de corona-actualiteit):

Terwijl een deel van ons anarchistische volkje nog even snel de niet-essentiële boodschappen deed, de kapper platbelde, de laatste rollen behang wegsnaaide bij de bouwmarkt (in geval van nood altijd handig als toiletpapier) of met een lepel op de bodem van een steelpannetje stond te slaan, had ik mij teruggetrokken op een plek die het beste te omschrijven is met de Engelse term ‘right in the middle of nowhere’. Nowhere was in dit geval een dorpje van hooguit twintig huizen en een king-size kerktoren in het westen van Zeeuws Vlaanderen, op enkele kilometers van het strand van Cadzand. Daar kon ik mij overgeven aan twee aandriften die de mensheid al sinds het paleolithicum bezit: langs de kust slenteren en schelpjes zoeken.

Toen Homo sapiens een paar honderdduizend jaar geleden uit Afrika vertrok om de rest van de wereld met zijn aanwezigheid te gaan verzieken, deed hij dat bij gebrek aan snelwegen, vliegvelden en cruiseterminals gewoon wandelend langs de kusten. Het grote voordeel van de kust is dat er altijd eiwitrijk voedsel is te vinden in de vorm van schaal- en schelpdieren en verse vis, met ook nog eens voldoende kalk, jodium en andere onmisbare natuurlijke elementen voor een gezonde en uitgebalanceerde voeding. De mens is vanouds een langs kusten migrerende jager en verzamelaar.

Juist die genetisch ingebakken aspecten van onze geschiedenis kun je uitleven tijdens een bezoekje aan het strand van Cadzand. Als paleontoloog kwam ik er vooral om naar de bekende haaientandjes te zoeken waar dit badplaatsje beroemd mee is geworden. Helaas, de enige haaientand die er is, is het plaatselijke standbeeldje. Maar op het strand liggen ze niet meer. Een natuurgids uit Knokke meldde me dat de overvloed aan fossiele haaientandjes destijds het gevolg was van een zandsuppletie, en die is nu uitgeput. Af en toe schijnt er nog een kleintje gevonden te worden, maar u hoeft er niet meer helemaal voor naar het verre Zwin af te reizen.

Gelukkig ligt er nog van alles dat wél leuk is, fossiele schelpjes bijvoorbeeld, sommige wel enkele tientallen miljoenen jaren oud. Maar mijn jager-en-verzamelaar-oog werd vooral getrokken door zeeboontjes. Piepkleine witte schijfjes met een gaatje erin aan de ene kant en een vijfpuntig sterretje aan de andere, maar voor dat laatste heb je wel een loepje nodig. Een zeeboontje ziet eruit alsof iemand een overhemdknoopje is kwijtgeraakt. Het zijn kleine zee-egeltjes; ze zijn het meest verwant aan de grote sand-dollars die in de Caribische Zee leven, maar dan een factor dertig kleiner. Ik heb er honderden opgeraapt. Natuurlijk lijkt het behoorlijk gestoord om tijdens een strandwandeling voorovergebukt lopend honderden kwijtgeraakte overhemdknoopjes op te rapen, maar ik kon het echt niet laten. Strandlopen en verzamelen, het zit al zeker sinds het paleolithicum in ons bloed, en ook in het mijne. En ach, het is sowieso een gezondere bezigheid dan met een lepel op een steelpannetje slaan aan de rand van de Haagse Hofvijver.


Pleidooi voor de taxonomie

Onlangs bestond Naturalis (voluit Naturalis Biodiversity Center) 200 jaar. Ons nationale natuurhistorische museum werd in 1820 opgericht door koning Willem I. In bijzijn van zijn verre nazaat koning Willem Alexander werd het jubileum grotendeels online en coronaproof gevierd met een interessant programma, het Gala van de Biodiversiteit. Ik las daarbij een column voor waarin ik een lans brak voor de taxonomie:

“Dit is het Gala van de Biodiversiteit, een feest gewijd aan een containerbegrip. Biodiversiteit is zo’n term waarover iedereen wel een vaag idee heeft maar die niemand in één kernachtige zin kan definiëren. Ja, iets met alle dieren, en alle planten ook natuurlijk, en dat biologen het heel belangrijk vinden en dat het behouden moet worden, dat ook, maar daar zorgt het Wereldnatuurfonds gelukkig voor. Om grip op het containerbegrip te krijgen moet het worden gekwalificeerd en gekwantificeerd. Wat hebben we allemaal en in welke hoeveelheden? – en deze vragen moeten in díe volgorde worden beantwoord, zodat we eerst weten dat dat donkere harige beest een berggorilla is om vervolgens vast te stellen dat er nog maar duizend van in het wild leven en dat dat wel erg weinig is.

Om te weten waarover we spreken is in de achttiende eeuw de taxonomie uitgevonden, de bezigheid om iedere soort van een naam te voorzien. Natuurlijk gebeurde dat benoemen van plant en dier al eeuwen lang, maar gewoon in de landstaal en in iedere taal werden en worden de soorten met een ander woord aangeduid. Om aan die Babylonische toestand een eind te maken, begon de Zweedse natuurvorser Carolus Linnaeus met zijn biologische boekhouding in potjeslatijn. Overigens niet met als hoofddoel om te communicatie tussen biologen te vergemakkelijken maar om een veel minder praktische reden, namelijk het doorgronden van de Schepping. Alle soorten die op aarde voorkwamen, waren rechtstreeks en onveranderd afkomstig van het Scheppingsmoment en door al die soorten te boekstaven, moest het mogelijk zijn om de bedoeling van de Schepper te begrijpen. Aan het eind van zijn leven had Linnaeus ongeveer 18.000 planten en dieren van een wetenschappelijke naam voorzien.

We zijn nu tweeënhalve eeuw verder. Over de Schepping wordt inmiddels in brede kring anders gedacht, die noemen we nu de biodiversiteit – en de onveranderlijkheid ervan is sinds 1859 vervangen door de evolutie. De 18.000 soorten die in 1766 van een naam waren voorzien, zijn nu uitgebreid tot naar schatting twee miljoen taxa, met misschien nog zo’n acht miljoen vooralsnog onbeschreven soorten te gaan. Werk aan de winkel dus.

Nothing in biology makes sense if not seen in the light of evolution’ schreef de botanicus Dobzhansky in 1973. Ik wil daar graag aan toevoegen dat nothing in evolution and in biodiversity makes sense if not seen in the light of taxonomy. Want hoe kun je ergens iets van vinden als je niet weet waarover je spreekt, zoals een sportverslaggever een volstrekt zinloos beroep uitoefent als hij de namen en de rugnummers van de voetballers en de wielrenners niet kent. Om de biodiversiteit te doorgronden en de toenemende teloorgang ervan te kunnen kwantificeren is om te beginnen nodig dat we de soorten kennen. Nog vele miljoenen wachten op beschrijving. Insecten, mijten, rondwormen, springstaarten, vissen, kwallen, varens, mossen, diatomeeën, radiolariën. En de hele rest. Aan het werk dus. Eigenlijk is dit Gala zonde van de tijd, het kost een hele middag waarin de taxonomen van Naturalis zeker vijf nieuwe soorten hadden kunnen beschrijven.

Zelf ben ik paleontoloog. Ik beschrijf soorten die al zijn verdwenen, opgelost in de mist van het verleden, soorten die in de loop der tijd uit de voortdenderende trein van de evolutie zijn gevallen, gesprongen of geduwd en er niet meer zijn, van trilobiet tot Trix en trekduif. Er is veel verloren gegaan en as we speak sterven er meer soorten uit dan de taxonomen kunnen bijhouden. Die trend moet omgedraaid. Er moet minder worden uitgestorven en meer beschreven. Want dit Gala is leuk en biodiversiteit is belangrijk, maar alleen dankzij taxonomen weten we waarover we praten.”


Een herstart – de steengroeve van Winterswijk

Sinds januari heb ik geen nieuwe blogs gepost. Ik zat de hele maand februari in Frankrijk om aan een boek over de fossielen van Teylers Museum te werken, en meteen daarna begon de corona-ellende, met de ‘intelligente’ lockdown en een aanwezigheidsverbod bij de universiteit. Het is allemaal goed gegaan (touchwood) en het is tijd voor een herstart, Binnenkort meer over nieuwe boekprojecten, maar eerst iets over Winterswijk.

Vrijdag 21 augustus wordt het eerste exemplaar uitgereikt van mijn Gids voor de Winterswijkse Steengroeve (ISBN 978-90-5345-563-0).  Het boek verschijnt bij Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Het boek geeft, na een inleiding over de groeve en de geschiedenis ervan, een overzicht over de mineralen en fossielen die er tot nu toe zijn gevonden, met veel foto’s om de herkenning te vergemakkelijken. Van pyriet tot Nothosaurus, van de bekende voetsporen tot een zeldzame zeepissebed. Ze hebben er een fraaie uitgave van gemaakt mag ik al verklappen. Het kost 19,95 euro en kan desgewenst hier worden besteld bij de uitgeverij. 

Naar aanleiding van het verschijnen mocht ik al op zondag 16 augustus bij Vroege Vogels erover vertellen. Luister hier dat gesprek terug.


Kijk waar je loopt!

Deze week heb ik de volledig vernieuwde tekst en 228 afbeeldingen voor de tweede, vermeerderde druk van Kijk waar je loopt! naar de uitgever gestuurd.

Kijk waar je loopt! gaat over fossielen die in de (voornamelijk) Nederlandse steden gevonden kunnen worden in stoepen, stoepranden, gevels, bordessen en vloeren van o.a. winkelcentra. Er is een grote rijkdom aan fossielen uit diverse geologische tijdvakken, variërend van sponzen en schelpen tot ammonieten en koralen, en zelfs een enkele eencellige. De afbeeldingen geven fossielen weer uit Groningen, Middelburg, Maastricht, Utrecht, Amsterdam, Den Haag en een boel andere steden. Maar ik ben niet overal geweest. Er zijn dus vast nog mooie exemplaren te vinden van de spons Asteractinella, van een schelpachtige Rostroconch, of van het koraal Siphonophyllia. Ik houd me dus altijd aanbevolen voor vondstmeldingen. Weet u een fossiel te zitten dat niet mag ontbreken? Tot 1 maart 2020 is er nog tijd om uw vondst in het overzicht op te nemen. Stuur een foto (wat?) en een vindplaatsbeschrijving (waar?) naar mijn mailadres of mijn twitteraccount (zie Contactpagina voor details).

Deze tweede druk van Kijk waar je loopt! vervangt de eerste druk, die intussen is uitverkocht, en vormt het begin van een geplande serie boeken over de Nederlandse fossielen. Er staan delen over de gewervelde dieren (van Mosasaurus tot mammoet) en de ongewervelde dieren in de planning, en wellicht ook over de fossiele planten van Nederlandse bodem. Ze verschijnen bij de Historische Uitgeverij, Groningen.

(foto: detail ammoniet Houtrustrug, Den Haag)


De Uil en het Poesje

Het kakelverse en nu al onvolprezen vogelblad (-tijdschrift, -boek, -bundel: wat is het?) De Scharrelaar loofde in nummer 2019/1 een prijs uit voor de beste Nederlandse vertaling van Edward Lear’s beroemde nonsense-vers The Owl and The Pussycat. Ik waagde een poging, rekening houdend met Lear’s rijm en metrum, en won tot mijn niet geringe verbazing de prijs! Hier de vertaling:

De Uil en het Poesje

De uil en het poesje gingen uit varen
in een prachtige grasgroene schuit
Met een watermeloen en een flinke zak poen
voeren ze samen het zeegat uit
De uil zag de sterren, hoog in het zwerk
en zong begeleid door zijn luit
‘O heerlijke poes, mijn liefde voelt sterk
Wat een bloedmooie poes ben je toch
Dat ben je
Dat ben je
Wat een bloedmooie poes ben je toch!’

Poes riep met plezier: ‘Jij allerliefst dier,
‘k wist niet dat je zó mooi kon zingen
O laten we trouwen, ‘k zal ’t nimmer berouwen.
maar hoe komen we dan aan de ringen?’
Zo voeren ze maar, wel meer dan een jaar
naar het land van het Bingelbongkruid
En daar in het bos liepen twee varkentjes los
Met een ring aan het eind van hun snuit
Van hun snuit
Van hun snuit
Met een ring aan het eind van hun snuit.

Ze wilden het doen en boden toen poen
aan de zwijntjes, die riepen ‘da’s fijn!’
Ze werden getrouwd door een oude kalkoen
die woont naast de berg bij ’t ravijn.
Ze aten een dis van gebakken banaan
met een mes en een aftandse vork
En hand in hand, aan de rand van het strand
Dansten ze bij het licht van de maan
Van de maan
Van de maan
Ze dansten bij het licht van de maan.

PS: koop evengoed vooral De Scharrelaar, een uitgave van AtlasContact


Kijken in de Zwarte Spiegel

Naar aanleiding van de Netflix-serie Black Mirror ging het Kenniscafé van september in De Balie over de raakvlakken tussen science-fiction, realiteit, privacy en big brother. Helaas was ik zelf verhinderd om te komen, maar had passende vervanging geregeld om de column uit te spreken:

digitale transsubstantiatie

Dag allemaal, ik moet helaas beginnen met het verontschuldigen van de columnist van vanavond. Hij is verhinderd, beetje ziek naar het schijnt. Gelukkig heeft hij mij gestuurd, zijn avatar. Waarschijnlijk kunt u het verschil niet zien tussen Jelle Reumer en het object dat nu tegen u staat te praten, maar sinds al vroeg in de middeleeuwen de katholieke kerk de transsubstantiatie uitvond, is de techniek eromheen enorm verbeterd. Vandaar.

Destijds werden een korst brood en een beker wijn tevoorschijn getoverd uit het altaar en na wat prevelementen waren die veranderd in het lichaam van de verlosser. En hoewel broodkorst en wijn er zo op het oog niet echt uitzagen als de gekruisigde heiland, was dat wel degelijk het geval. Het fenomeen bewijst dat iets niet hoeft te zijn wat u ziet. Wat de kerkganger zag, was een representatie. Beetje primitief wel. Maar de techniek, ik zei het al, is vooral in de jaren dertig van de eenentwintigste eeuw met sprongen vooruit gegaan en zo komt het dus dat Reumer hier nu niet zelf staat, maar is vervangen door een levensechte getranssubstantieerde representatie. Ik ben slechts een vleesgeworden algoritme en kan spreken en bewegen dankzij de modernste techniek.

Straks, na afloop van dit Kenniscafé, moet ik nog even wat boodschappen doen. Bij de Albert Heijn hier verderop, die geheel personeel-loos is. Wat een weelde. Ik kan van de schappen pakken wat ik wil. Alles wordt met behulp van camera’s, warmtesensoren en ingebouwde microchips minutieus gevolgd. Ieder pak hagelslag, elke doos eieren en alle flessen afwasmiddel en versgebakken pistoletjes die ik pak, worden feilloos geregistreerd; dankzij vierdimensionale en daardoor onfeilbare gezichtsherkenning aan Reumers Bonuskaart-account toegevoegd en bij het verlaten van de winkel automatisch van zijn bankrekening afgeboekt. Bij het zich vanzelf openende poortje bij de uitgang wordt het hem toegemeten aantal zelfklevende insectenplaatjes van de nieuwste Freek Vonkserie in een bakje gestort, waar ik ze uit kan pakken. Echt leuk. Een kind kan de was doen. Soms voel ik me net een echt mens.

Ooit, in 2019 als ik me goed herinner, werd er nog wel gezanikt over een ouderwets concept dat men destijds privacy placht te noemen. Maar toen al was dat een volstrekte idee-fixe geworden. Ook nu. Op iedere straathoek hangen camera’s, iedere pinbetaling, elke OV in- en uitcheck, alle boeren en scheten die we laten, elke kus die we geven, alles wordt digitaal geregistreerd. U en ik zijn geen mensen meer, maar tot algoritmen gereduceerde objecten. Daar is geen brood en wijn meer voor nodig. Laat die maar lekker liggen in de supermarkt. De transsubstantiatie is volledig en totaal geworden. De heiland is over ons gekomen en in ons gevaren.

Namens Jelle Reumer dank ik u voor uw aandacht.


Heggen, veel heggen graag!

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen week: over een lichtpuntje aan de horizon, en Waalse heggen:

Soms is het heerlijk om in een column eens even flink van leer te trekken tegen alles en iedereen die er een potje van maakt, van de natuur, van het landschap, de biodiversiteit, het klimaat en het algehele welbevinden van de mensheid op de langere termijn. Maar soms ook is het een genoegen om lichtpuntjes te benoemen. En vandaag heb ik er een voor u, zo’n lichtpuntje. De regering van Wallonië heeft namelijk het licht gezien, vandaar. En nee, dit is géén Belgenmop.

De Waalse regering heeft deze week een nieuw regeerakkoord gepresenteerd, en een van de speerpunten die daarin worden genoemd is het aanplanten van 4000 kilometer heggen. U hoort het goed: vierduizend kilometer, dat is de hemelsbrede afstand van het Naardermeer tot aan het Aralmeer in westelijk Oezbekistan. Als dat lukt, wordt heel Wallonië nog mooier dan het Normandische bocage-landschap.

Waar is dat nou goed voor, zult u denken. Want behalve dat heggen een landschap wel pittoresk stofferen, staan ze voor de moderne agro-ondernemer met zijn kolossale machinepark flink in de weg. Nou, de franstalige Belgen hebben niet minder dan tien voordelen ontdekt. En die zijn niet primair bedoeld voor wandelaars met een afritsbroek, plantengids en een verrekijker, maar juist voor de boeren. Heggen beschermen gewassen tegen windschade, werken als een dijkje bij plotselinge overstromingen, huisvesten insecten die plagen kunnen helpen bestrijden of die de bestuiving regelen, ze produceren hakhout voor de kachel en verfraaien daarnaast het landschap en bevorderen de biodiversiteit. Het is dus geen win-win dingetje, maar een win-win-win-win-enzovoort oplossing. De bijdrage aan de CO2 reductie is helaas te verwaarlozen, maar ja, je kunt nu eenmaal niet alles hebben.

In een land, Wallonië dus, dat te maken heeft met een teruggang van 57% onder de reptielen, met 52% minder mieren, 43% minder amfibieën, 33% van de libellen die op punt van uitsterven staan, en 30% van de vogels en 28% van de zoogdieren die in hun voortbestaan worden bedreigd, komen die vierduizend kilometer meidoorns, haagbeuken, vuilboompjes, sleedoorns, vlierbessen en ander struikgewas als een geschenk uit de hemel. Nou ja, ze staan er nog niet natuurlijk. Een Waalse boer had onlangs 700 meter aangeplant, en prompt zaten er groenlingen, vinken, kneutjes en geelgorzen die hij er daarvoor nooit zag, en insecten die vraatzuchtige de rupsen van zijn gewas plukten. In de afgelopen regeerperiode, toen het nog geen vastgesteld beleid was, is er al meer dan 100 kilometer aangeplant, dus de rest komt vast ook wel. En what about Nederland? In gedachten zie ik al mogelijkheden om zelfs van de Flevopolders nog iets moois te maken. Een idyllische bocage rond Biddinghuizen en Dronten.

Nee, die Belgen zijn echt zo gek nog niet.