Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Thoreau op Tiengemeten, deel 8 (slot)

Aan alles komt een eind, ook aan mijn zes weken op Tiengemeten, die vreemde lensvormige ingedijkte zandplaat in het Haringvliet. Zes weken blijkt lang genoeg om van zo’n gebied te gaan houden, om je er thuis te gaan voelen. Natuurmonumenten heeft de naam van het meest oostelijke deel goed gekozen, ‘Weemoed’, want met weemoed reed ik vrijdag 14 oktober de pont van 10 uur op, alle bagage en mijn reisbibliotheek netjes in de auto gestouwd, ‘mijn’ eiland en mijn honderd harige herkauwende vriendinnen achterlatend onder een waterig opkomende zon.

img_2980

Het doel van mijn verblijf was werken aan een boek over Henry Thoreau, de grote negentiende-eeuwse Amerikaanse natuurfilosoof. Dat is gelukt, want behalve met de bagage vertrok ik met twee gereed gekomen hoofdstukmanuscripten: een biografisch opstel over Thoreau en het belang van zijn werken, en een essay in Thoreauviaanse stijl over wildernis, natuur en ongereptheid, ‘opgehangen’ aan mijn ervaringen op het eiland.

Het was zeer betreurenswaardig dat Thoreau niet samen met mij een uurtje kon zitten uitkijken over het wijde land, turen naar de kiekendieven en de ganzen, slenteren over de weggegraven dijk, onderwijl mijmerend over de natuur. Helaas, naar zijn gedachten kan ik slechts gissen. Wat zou hij ervan hebben gevonden, van dit op de aardappels en suikerbieten terugveroverde eiland vol guldenroede en hooglanders? Zijn wellicht beroemdste zin, uit het essay Walking, luidt: In wildness is the preservation of the world. Deze zin is op twee manieren vertaalbaar, namelijk: ‘in de wildernis’ of ‘in wildheid’ ligt het behoud van de wereld. In het Engels kennen we de woorden ‘wildness’ en ‘wilderness’, die respectievelijk wild- of woestheid en wildernis betekenen. Meestal zien we in de Nederlandse vertaling van Thoreau’s zinsnede het woord wildernis opduiken. Ik denk dat dat onjuist is. Thoreau bedoelde juist wildheid, het ongetemde, het niet-gedomesticeerde. Wat we hier op Tiengemeten zien, en in alle andere gebieden waar de nieuwe natuur opduikt, is niet het ongerepte van de wildernis, want dat is niet meer terug te krijgen. Nieuwe natuur berust op een menselijk besluit en is dus géén werkelijke wildernis, hoewel je er wel een wildernisgevoel kunt ervaren. Het is wel wild en ook op Tiengemeten vind je de wildheid, hoewel met mate, terug.

Ik vermoed dat Thoreau ons Tiengemeten wel zou hebben gewaardeerd. Tenslotte was het bosgebied rond zijn hut bij Walden Pond ook geen ongerepte wildernis, maar hij genoot er evengoed met volle teugen van. Dat laatste heb ik ook gedaan, en het idee dat we Tiengemeten een klein beetje danken aan Thoreau maakte het verblijf extra bijzonder.

Advertenties


De Afrikaanse bloterik

Ik moest toch even van Tiengemeten af, het was de enige keer dat ik dat deed (afgezien van de wekelijkse boodschappen bij de plaatselijke grootgrutter van Zuid-Beijerland). De aanleiding was mooi: mijn krant (Trouw) had me verzocht een column uit te spreken bij de bekendmaking van de top-25 van de Duurzame 100, op 10 oktober in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Dat gaf me mooi de gelegenheid het enige weekdier te behandelen dat mijn rubriek Jelle’s Weekdier in de krant niet zal halen: de Afrikaanse bloterik. Het leverde de volgende tekst op.

De Afrikaanse bloterik

In de biologie geldt wie zich lustig voortplant als een succesvolle soort. Met een grote fitness, het vermogen om je aan diverse omstandigheden aan te passen, en een ruimhartige rondstrooiing van ei en zaad zit je gebeiteld. Als soort. Of beter: als pakketje genen van die soort, want als we Richard Dawkins mogen geloven, zijn het de genen die zich voortplanten en gebruiken ze daar de planten en de dieren voor als hun vervoermiddel. Verreweg de succesvolste genen zijn de exemplaren die daartoe de vlieg gebruiken. Er zijn meer vliegen op aard dan sterren in het universum. Strontvliegen, huisvliegen, klustervliegen, herfstvliegen of hoe ze ook mogen heten, die zwarte zoemers, ze lusten alles, van poep tot lijk tot de inhoud van uw kliko. Zelfs Mao Zedong, die alle Chinezen een gratis vliegenmepper gaf, kreeg ze er niet onder. De vlieg staat met stip op nummer 1 op de hitlijst van succesvolle soorten.

Op twee, ook met stip, staat het weegbree, dat stiekem met de Neolithische mens meereisde over de wereld. Amerikaanse indianen noemden weegbree ‘White men’s footprint’, want overal waar de Europeanen zich vertoonden schoot het onooglijke plantje uit de grond. U hoort het goed: hier komt het woord footprint al tevoorschijn. Op plek drie van onze hitlijst van succes is het een gedrang. Ik heb ze niet allemaal geteld, dus ik weet niet of het de muis is, of de rat, of de kip. Er zijn onnoemlijk veel muizen, ratten en kippen op de wereld, zonder twijfel nog meer dan er mensen zijn. Laten we ze maar ex-aequo op drie zetten, dat leert ze wat bescheidenheid. En ze zijn slim, die muizen, ratten en kippen, want net als het weegbree liften ze met de mens mee. Het zijn wat we noemen cultuurvolgers. Zonder de mens liep de kip nog doelloos rond te scharrelen in de bossen van Thailand en Birma, en hadden ze het nooit helemaal tot Barneveld geschopt, om over Kentucky Fried nog maar te zwijgen.

Ook de mens staat in de top tien. Succesvol, tweehonderdduizend jaar geleden ergens in Afrika ontstaan als een populatie eigenwijze bloterikken. Zestigduizend jaar geleden hadden ze het daar wel gezien en gingen aan de wandel, via de Sinaiwoestijn de wijde wereld in. Tienduizend jaar later arriveerden ze in Australië. Naar Amerika duurde wat langer, daar lagen gletschers in de weg, en praktische bewaren. Zodra die verdwenen waren, staken ze de Beringstraat over en liepen in duizend jaar tijd door tot Vuurland,  om daar te gaan zitten wachten tot Charles Darwin langsvoer om zich over hun enorme aanpassingsvermogen te verbazen. De mens is een zoogdier. Een aap. De enige aap die zich als een invasieve exoot gedraagt. Hij zou bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op de lijst van te bestrijden invasieven moeten worden geplaatst, want hij voldoet aan alle criteria: hij komt van elders, drukt andere soorten uit hun leefmilieu, veroorzaakt ecologische en economische schade en plant zich ongebreideld voort. We hebben hier dus de Amerikaanse muskusrat, de Indiase halsbandparkiet, de Japanse duizendknoop, de Californische rivierkreeft en de Afrikaanse bloterik, de laatste met muizen en ratten en kippen in zijn kielzog.

Met duurzaamheid heeft dit allemaal weinig te maken, althans met duurzaamheid in de moderne betekenis van het woord, of liever, het frame. Een dier- of plantensoort die het goed redt, zich lustig voortteelt en geen enkele aanstalten maakt om uit te sterven is natuurlijk vreselijk duurzaam. Die duren nog wel even, in tegenstelling tot soorten als de grote panda of de witte neushoorn, die als evolutionaire losers helemaal niet duurzaam zijn. De mens is dus een van de duurzaamste diersoorten op aarde. Dat staat in schril contrast tot zijn leefomgeving, waarvan de duurzaamheid steeds twijfelachtiger wordt. Hier zit een soort communicerende-vaten-effect verscholen: hoe duurzamer de Afrikaanse bloterik is, hoe minder duurzaam zijn omgeving, en weliswaar is dat op termijn een slang die in zijn eigen staart bijt, maar daar hebben we nu niks aan. Als we de duurzaamheid van de aarde willen stimuleren moeten we de duurzaamheid van Homo sapiens een beetje reduceren. Er zijn er teveel. Zevenmiljard exemplaren zijn er zesmiljard teveel. Daar moet wat aan gebeuren. Ik ben bang dat de gebruikelijke methoden die bij invasieve exoten worden toegepast niet zullen worden toegestaan. We kunnen de Afrikaanse bloterik niet gaan bestrijden met klapvallen, giftig lokaas of aantalsregulerend afschot. Dan rest ons, dames en heren, het slapste middeltje dat er is: het preservatief.


Thoreau op Tiengemeten, deel 7

Dat de natuur onvoorspelbaar is en niet te sturen wisten we al, maar sinds gisteren heb ik er weer een bewijs van. Ik ging bevers kijken, samen met filmmaker Cees van Kempen die twee jaar op Tiengemeten verbleef en er een schitterende documentaire heeft gemaakt over de bevers. De film is voor tachtig procent op Tiengemeten geschoten. We voeren samen uren lang rond en hebben meer gezien dan we hoopten, maar een levende bever: niet dus. Daar kun je om gaan zitten mokken, maar eigenlijk vind ik het wel leuk, want stel je voor dat de natuur volkomen voorspelbaar zou zijn, zoiets als een bezoekje aan Artis of Blijdorp. Dat zou toch oersaai zijn.

Op Tiengemeten zitten twee beverterritoria, eentje op het eiland bij de vervallen boerderij, en een andere ten oosten van de grote kreek; de ene burcht is onbereikbaar, de andere volkomen onvindbaar. Maar met een plat kunststof bootje en een gids die weet waar je moeten wezen, zijn de burchten te vinden. Een grote, bijna kale populier midden op het eiland vormt de grens tussen de territoria. Overal zie je omgeknaagde bomen, afgeknaagde takken, telkens opnieuw uitlopende wilgenstobben die de bevers als voedselbron gebruiken; de gebieden zijn dooraderd met paden die de dieren gebruiken om zich te verplaatsen.

Die stobben zijn een leuk verschijnsel. Je ziet ze overal. Bevers voeden zich vooral met bast en bladeren van wilgentenen, en hebben daartoe ontdekt dat als je een wilg afknaagt, hij opnieuw uitloopt en nieuwe twijgen maakt. De bever is de uitvinder van de knotwilg, met de knot alleen vlak boven de grond in plaats van op twee meter hoogte. In de film van Cees van Kempen zit een time-lapse opname van zo’n uitbottende wilgenknot; dezelfde knot, zo bewijst de foto, is nog altijd in gebruik!

knotwilg-img_2083Al varende ontdekten we een splinternieuwe burcht, een takkending van toch al snel drie meter diameter en een meterhoog, in het oostelijke territorium en vlak in de buurt van de grote burcht. Door de lage waterstand stond de oever ernaast droog, als een soort strandje. Grote pootafdrukken duidden op recent bezoek. Ik voelde me heel even Robinson Crusoë, die ook voetafdrukken ontdekte op het strand van zijn eiland. Maar dat was op vrijdag, ik was er een dag eerder, op donderdag. En gelukkig zijn bevers ook geen kannibalen.

afdrukken-bij-nieuwe-burcht-img_2080


Thoreau op Tiengemeten, deel 6

Drie begrippen tollen hier op Tiengemeten rond in mijn hoofd. Ze lijken hetzelfde te betekenen, maar dat is schijn. Het gaat om de termen ongerept, wildernis en natuur.

Ongerept is alles wat nooit door de mens is beïnvloed. Grote delen van het Amazonegebied, vrijwel geheel Antarctica en het grootse deel van Groenland zijn nog ongerept. Je moet voor het ongerepte in elk geval Europa uit, want zelfs het beroemde woud van Bialowieza in Oost-Polen is niet ongerept.

Wildernis is iets heel anders. Hier op Tiengemeten is het goed mogelijk om je in de wildernis te wanen. Tijdens een van mijn dwaaltochten raakte ik verzeild op een deel van het eiland dat blank stond, niet zichtbaar want het was helemaal dichtgegroeid met gras en watermunt en biezen, maar er stond zo’n vijf tot tien centimeter water. Ik waadde door een moeras en was volledig omgeven door uitbundige plantengroei en zoemende insecten. Een libel ging even zitten. Een paar tot dan onzichtbare watersnippen vlogen krijsend weg toen ik te dichtbij kwam. Ik waande mij er in de wildernis. Zo heeft Natuurmonumenten dat deel van het eiland trouwens ook genoemd, ‘Wildernis’, voor het geval je het niet in de gaten zou hebben.

img_1974-kopie

Natuur is weer iets anders. Het is alles wat spontaan opkomt, met óf zonder menselijke interventie. De (on)kruidjes tussen de stoeptegels in de stad, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn ook natuur. Daar zit een belangrijk verschil met de begrippen ongerept en wildernis. Ongereptheid kunnen we als mens teniet doen. Wildernis kan worden getemd, gekapt, omgeploegd, ontgonnen, zoals ooit de Brabantse en Drentse hoogvenen. Maar natuur laat zich niet teniet doen en niet temmen. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk. Ik vergelijk ‘natuur’ graag met ‘het weer’. Het weer is er ook altijd. Het weer kan mooi zijn, het kan slecht zijn of ronduit waardeloos. Maar er is altijd weer. Er is ook altijd natuur en ook natuur kunnen we als lelijk of mooi beoordelen, maar in beide gevallen is sprake van natuur. Natuur is alles wat spontaan opkomt in de toevallig voorhanden zijnde omgeving. Hier zijn dat watermunt en guldenroede, libellen, watersnippen en een zeearend.

De Schotse hooglanders die hier ook lopen zijn niet ongerept, geen deel van de wildernis en ook geen natuur. Ze behoren tot een vierde begrip: cultuur. En dat is weer heel iets anders.

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 5

Vlakbij de westelijke haventje van Tiengemeten is een klein modderig strandje, waar ik een plantje ontdekte dat ik nooit eerder had gezien. Het bloeide uitbundig met leuke gele bolletjes, zoiets als het hart van een madeliefje maar dan wat groter en zonder de krans van witte straalbloemetjes eromheen. Overduidelijk een zogenoemde composiet, een lid van de grote plantenfamilie waartoe ook de zonnebloem, de margriet en de paardenbloem behoren. De bloemen van deze planten zijn eigenlijk geen echte bloem, maar een bundel van heel veel kleine bloemetjes, een samenstelsel dus, vandaar de naam composieten. En dat plantje hier aan de oever van het Vuile Gat was overduidelijk ook zo’n composiet. Maar helaas, ik kon hem niet vinden in mijn plantengids, de bekende Heukels’ Flora van Nederland, wat er ongetwijfeld aan ligt dat het boekwerkje dat ik hier bij me heb en dat ik ooit voor mijn studie aanschafte, intussen zwaar verouderd is. Het is de zestiende druk uit 1970, wat niet verbazingwekkend is omdat ik in 1971 biologie ging studeren.

img_2912

 

De smartphone biedt gelukkig uitkomst. Ik maak een foto van de plant, schiet een detailplaatje van een bloem (ja, ik weet het: ik hoor hier natuurlijk ‘bloeiwijze’ te schrijven) en stuur beide via de satelliet de wereld in. Binnen een paar minuten was er antwoord van een jonge bioloog die werkt bij het Rotterdamse Bureau Stadsnatuur: ‘Jelle, dit is goudknopje’. Weer wat geleerd. Goudknopje is een exoot, pas sinds 1972 in ons land aanwezig en hij groeit bij voorkeur op oevers die door koeien of ganzen worden beweid. Dat voorkeursmilieu is hier met duizend ganzen en honderd Schotse hooglanders wel gegarandeerd.

Goudknopje is niet de enige exoot op Tiengemeten. Begin september nog kleurde het halve eiland geel vanwege de uitbundig aanwezige Canadese guldenroede.  De buitendijkse slikken, waar ooit riet werd gesneden, zijn er vrijwel geheel mee bedekt. De planten worden bijna manshoog, in elk geval hooglanderhoog, want de hooglanders vallen geheel weg als ze ertussendoor lopen.

Verder zag ik hier roze bloeiende reuzenbalsemien, er staan wat zorgwekkende plukken Japanse duizendknoop en Natuurmonumenten probeert de woekerende kleine waterteunisbloem uit te roeien voor het te laat is. Exoten doen het altijd uitstekend op verstoorde grond. En wees eerlijk: wat is er nou meer verstoord dan voormalige aardappelakkers of suikerbietenvelden? Uiteindelijk zal het wel goed komen en ik weet zeker dat die guldenroede over honderd jaar geen probleem meer is; let maar op.

En tja, nu toch maar eens de nieuwste druk van Heukels’ Flora op de kop tikken.

 

 

 

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 4

Vanochtend vroeg is er een enorm kabaal naast het huis, allemaal geplons en gespetter vlak onder het slaapkamerraam, alsof een buslading tienjarigen in de ondiepe vaart is gesprongen en elkaar nu staat nat te petsen. Ik verblijf in de sluiswachterswoning; ernaast is een oude spuisluis, maar veel gespuid hoeft er niet meer te worden sinds Natuurmonumenten aan de andere kant van het eiland een gat in de dijk heeft gemaakt. Als ik opsta, blijken het geen kinderen te zijn maar vogels. Een stuk of vijftig aalscholvers en een twintigtal grote zilverreigers zijn naast de woning in het binnendijkse deel van de tocht tekeer aan het gaan. Als kinderen in een zwembad. Er zit vast veel vis, maar zodra ze mij ontwaren, in mijn ochtendjas en met de camera klikklaar, gaan ze allemaal de lucht in. Het is een lawaai van jewelste als tientallen aalscholvers het water tegelijkertijd als startbaan benutten.

img_1901

Twee minuten later is het stil. Ik wil teruglopen, maar zie iets door het water bewegen. Iets groots. Een bever? Het is groot en bol, steekt een paar centimeter boven water uit, soms wat meer, soms is het bijna verdwenen. Vreemd: het blijkt een aalscholver te zijn, maar ik zie alleen zijn rug bol en snel en opwippend voortbewegen. Dan tilt hij zijn kop op, die vreemd onder het lichaam gebogen zit. En nog een keer, en nog een keer. Is hij aan het verdrinken? Daar doet hij dan wel erg lang over. Hij lijkt eigenlijk wel dood, maar is toch flink aan het spartelen. De kop blijft krampachtig onder het lichaam gevouwen zitten en is vrijwel permanent onder water. Hij had zo echt allang dood moeten zijn, maar blijft maar op en neer gaan, met die vreemde kromgevouwen nek.

Dan begint het me te dagen. Hij is inderdaad morsdood, de kop zit in een rigor mortis onder het lijf gevouwen, de vleugels half gespreid, de staart als een waaier naar achter stekend. Al dat gespartel is geen doodsstrijd, maar wordt veroorzaakt door een of andere vis die aan de omlaag stekende poten zit te trekken. Wie doet dat? Welke vis houdt ervan om aan het lijk van een dode schollevaar te sjorren? Gezien de kracht van de sjorbeweging moet het een forse vis zijn. Een brasem wellicht? Een snoek? Ik kom het niet te weten. Wanneer ik even later aangekleed ben, is het hele tafereel in het grote niets van Tiengemeten opgelost. De natuur begint een nieuwe dag. Ik ga maar thee zetten.

 

 

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 3

Het maandelijkse Volkskrant Kenniscafé in De Balie is op 19 september weer van start gegaan, met een uitverkochte zaal. Onderwerp: het brein. Ondanks mijn afwezigheid toch een column, in de vorm van een filmpje. Hier de tekst:

Laten we het eens hebben over frisse lucht. Het brein wordt ook wel de bovenkamer genoemd en – zoals we allemaal weten – een kamer moet af en toe worden gelucht om te voorkomen dat het er benauwd en bedompt wordt. De buitenlucht moet naar binnen, de muizenissen en spinnenwebben moeten eruit. Maar hoe doe je dat? Je kunt niet letterlijk een raam of luikje openzetten en schedelboringen zijn af te raden. De enige serieuze mogelijkheid is een flinke wandeling in de buitenlucht. Dat werkt, het geeft helderheid aan het beslagen brein en levert frisse nieuwe gedachten.

Er is geen betere plek voor het breinluchten dan Tiengemeten, waar ik momenteel verblijf tussen duizend ganzen en honderd harige hooglanders om over Henry Thoreau te schrijven, de man die twee jaar lang in het bos aan de rand van een meertje ging wonen om zijn eigen gedachten te ventileren. Thoreau was een transcendentalist, en hij zou gegruwd hebben van de bestseller van Dick Swaab. Hij zou het veel te materialistisch hebben gevonden. Hij zou de ziel hebben gemist, en het karakter. Thoreau zocht de bezieling in de natuur. Je kunt de natuur natuurlijk materialistisch bekijken, als allemaal soorten planten en dieren en milieufactoren en hormonen en feromonen, maar daarmee heb je nog niet de bezieling ervan te pakken. Je kunt je ook door de natuur laten overweldigen zonder precies te weten en te hóeven weten welk insect aan welk plantje zit te knagen en waarom. De natuur is meer dan al die soorten en wat ze doen, de natuur kan ons ook bezielen, zoals muziek ons kan raken en zoals een landschap ook een karakter kan hebben en ons overweldigen. Dat is het transcendente van Thoreau.

Ons brein moet ook meer zijn dan alleen maar een klont neuronen, dendrieten, neurotransmitters en stroompulsjes, ingebed een bleke vette pap. Ergens, tussen de muizenissen en de spinnenwebben zit de ziel, en de vrije wil, en het karakter. Door af en toe eens lekker te luchten kun je daar wellicht een glimp van te pakken krijgen. De beste manier om je brein te luchten en je kop te laten doorwaaien is door te gaan wandelen, liefst in de vrije natuur. Dat wisten de oude filosofen ook al, Aristoteles wandelde in Athene, Rousseau door de Alpen, Thoreau rond zijn bosmeer en Darwin door zijn tuin, maar een prima andere plek daarvoor is Tiengemeten. Hier, onder voortjagende Hollandse wolkenluchten, wordt het brein effectief leeggeblazen en blijft de ziel gelouterd achter, niet bestaand maar zeer aanwezig. U krijgt de groeten van de ganzen.