Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Kijk waar je loopt! bij Vroege Vogels TV

Drie mini-docu’s bij Vara’s Vroege Vogels TV

In aanloop naar de publicatie van Kijk waar je loopt!, besteedde Vroege Vogels TV drie maal aandacht aan de stadsfossielen van ons land; drie korte documentaires die hier terug te zien zijn:

http://vroegevogels.vara.nl/nieuws/oeroude-natuur-onder-je-voeten

http://vroegevogels.vara.nl/nieuws/stokoude-zeeslak-in-het-rijksmuseum

http://vroegevogels.vara.nl/nieuws/zeeuwse-zeelelies

 

Advertenties


Ludofoob

Het Kenniscafé van december, in De Balie, ging over iets waar ik echt van gruw: spelletjes. Pardon, over spel, de Homo ludens van Huizinga, en serious games. Heb even de toon gezet met een openingscolumn.

Hier moet een vergissing in het spel zijn (pun intended!). Dat ik hier sta, bedoel ik. Uw columnist van dienst heeft aan van alles een hekel, maar aan weinig dingen zoveel als aan spelletjes. De meeste mensen daarentegen zijn verzot op spelletjes. Dat zijn de ware ludofielen, die klaverjasavondjes organiseren met de buren, die Kolonisten van Catan spelen met hun opgroeiende kinderen, die graag in de kroeg een kaartje leggen of die dolle pret beleven aan de maandelijkse bingo-avond in het buurthuis, die hele dagen onder een parasol voor de caravan zitten te staren naar een boekje met kruiswoordpuzzels of sudoku’s, maar aan mij is dat vermaak niet besteed. Het wordt voor mij tijd om nu – en hier – maar eens uit de kast komen als een verstokte ludofoob. Ik zit nog liever in een hoek met een vergeeld derdehands Bouquetreeksdeeltje uit de kringloopwinkel of in de wachtkamer van de tandarts met een verkreukelde Nieuwe Revu van twee jaar geleden, dan dat ik meedoe aan een rondje eenendertigen of canasta.

Het probleem zit ’m niet eens zozeer in het spelletje als zodanig, want dat kan zelfs enige behendigheid aanwezig veronderstellen, of wellicht een zekere vorm van intelligentie vereisen, maar in het feit dat zo’n bezigheid wordt gepresenteerd en gewaardeerd als een aardig tijdverdrijf. Tijdverdrijf. Weet u wat dat is, een tijdverdrijf? Dat is een middel om de tijd te verdrijven. What the fuck? Waarom moet je de tijd verdrijven? Willen we soms sneller dood, de tijd tussen het nu en ons onvermijdelijke verscheiden zo kort mogelijk maken door die te verdrijven? Doe een beetje normaal! Tijd is datgene dat ons bij de geboorte is gegeven om zoveel mogelijk te gebruiken en te benutten. Tijd moet worden aangewend om leuke, nuttige, zinvolle, belangrijke, mooie, inspirerende, opwindende en voor mijn part ondeugende of lekkere geile dingen mee te doen. Mensen die hun tijd gaan zitten verdrijven, zijn feitelijk bezig met langzaam sterven. Wie avonden gaat zitten klaverjassen of bingoën of pimpampetten is bezig langzaam afscheid van het leven te nemen. Kaartspelend op weg naar het crematorium. Hebben we echt niks beters te doen?

Maar het vlees is zwak en de geest gewillig. Ik moet toegeven dat ik mij één avond per jaar totaal laat gaan en in familiekring deelneem aan een spelletje Monopoly. Dat is op oudejaarsavond, de enige avond van het jaar die opgaat aan zinloos wachten op het moment dat de klok twaalf keer slaat en wij Nederlanders massaal de straat op gaan om met veel kabaal en lichtflitsen Aleppo’tje te gaan spelen. De enige avond van het jaar dat de tijd inderdaad moet worden verdreven. Die avond verlies ik mij geheel schaamteloos in onnut tijdverdrijf en speel ik Monopoly. Het bevalt de familie godzijdank meestal slecht, want al jaren achtereen win ik meedogenloos, wat het grote voordeel heeft dat men mij de volgende 364 avonden met rust laat. Dan kan ik weer fijn een boek lezen, een stukje schrijven, iets repareren dat kapot is gegaan, mijn bureau opruimen, naar Bach of de Stones luisteren of andere dingen doen waar de ware ludofoob blij van wordt. Zolang er maar geen spelletje hoeft te worden gespeeld om de tijd te verdrijven.

 


Een ode aan de spatie

Het Kenniscafé van november handelde over taal. In mijn column brak ik een lans voor een verwaarloosd aspect van taal: de spatie.

De oorlog in Syrië sleept zich voort. Je leest er de laatste tijd weinig meer over. De media zijn kennelijk net zo murw gebombardeerd als het arme Aleppo. Het enige wat nog regelmatig, maar helaas niet vaak genoeg, in de krant of op tv komt, zijn de gevechtspauzes, de staakt-het-vurens, de wapenstilstanden. Het zijn de pauzes in de voortdurende narigheid. De oorlog wordt zo gekenmerkt door de momenten van stilte. Door adempauzes. Dat was ook al zo met de tachtigjarige oorlog. Wat wij ons er dankzij het geschiedenisonderwijs van herinneren, zijn het turfschip van Breda en het twaalfjarig bestand, ergens halverwege die oorlog. Zonder het twaalfjarig bestand geen tachtigjarige oorlog, die dus eigenlijk maar achtenzestig jaar duurde. Dankzij de pauze. In ieder concert zit een pauze. Iedere voetbalwedstrijd kent een pauze. Zo blijkt veel wat we doen te worden gekenmerkt door een periode van nietsdoen, een moment van bezinning, een inhoudelijk vacuüm.Een Emmentaler kaas is alleen een Emmentaler kaas als er gaten in zitten. Zonder gaten geen gatenkaas, dat lijkt een vanzelfsprekendheid.

Hetzelfde geldt voor de taal. Onze westerse talen, zeker in geschreven vorm, kennen zesentwintig letters. Maar als je die letters zomaar achterelkaar zet krijg je een onontwarbare brij tekst, kop noch staart en zonder betekenis. Alle boeken in het westerse schrift zijn geschreven met zesentwintig letters. Met een paar accenten, leestekens, trema’s, Umlauts, tildes en cédilles wellicht, maar die zesentwintig vormen de basis. Maar dan ben je er nog niet. Je hebt in taal de spatie nodig. Het zijn de pauzes in een zin.

Kijk eens met schuin invallend licht op het toetsenbord van je computer of laptop. Aan de slijtage kun je zien welke toetsen het vaakst worden gebruikt: de e, de r, de t, de o, de n én: de spatiebalk. De spatie is de zeventwintigste letter van het alfabet, en zonder enige twijfel de belangrijkste. Ook in de gesproken en zelfs de niet-verbale communicatie is de uitgesproken spatie van groot belang. Niemand, op Dolf Jansen na, dendert al sprekend spatieloos door. Juist de stilte is in een gesproken tekst van groot belang: de bedachtzame stilte, de applausverwachtende stilte, de moeilijke stilte, de pijnlijke stilte. Zonder de juiste en goed getimede stiltes wordt iedere toespraak, ieder gesprek, een toonloze woordenbrij.

C’est le ton qui fait la musique.

Ook zagen we:

Ce sont les trous qui font le fromage.

Maar vooral:

C’est l’espace qui fait la langue.

Een betoog over taal kan niet compleet zijn zonder een ode aan de spatie. Waarvan akte.

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 8 (slot)

Aan alles komt een eind, ook aan mijn zes weken op Tiengemeten, die vreemde lensvormige ingedijkte zandplaat in het Haringvliet. Zes weken blijkt lang genoeg om van zo’n gebied te gaan houden, om je er thuis te gaan voelen. Natuurmonumenten heeft de naam van het meest oostelijke deel goed gekozen, ‘Weemoed’, want met weemoed reed ik vrijdag 14 oktober de pont van 10 uur op, alle bagage en mijn reisbibliotheek netjes in de auto gestouwd, ‘mijn’ eiland en mijn honderd harige herkauwende vriendinnen achterlatend onder een waterig opkomende zon.

img_2980

Het doel van mijn verblijf was werken aan een boek over Henry Thoreau, de grote negentiende-eeuwse Amerikaanse natuurfilosoof. Dat is gelukt, want behalve met de bagage vertrok ik met twee gereed gekomen hoofdstukmanuscripten: een biografisch opstel over Thoreau en het belang van zijn werken, en een essay in Thoreauviaanse stijl over wildernis, natuur en ongereptheid, ‘opgehangen’ aan mijn ervaringen op het eiland.

Het was zeer betreurenswaardig dat Thoreau niet samen met mij een uurtje kon zitten uitkijken over het wijde land, turen naar de kiekendieven en de ganzen, slenteren over de weggegraven dijk, onderwijl mijmerend over de natuur. Helaas, naar zijn gedachten kan ik slechts gissen. Wat zou hij ervan hebben gevonden, van dit op de aardappels en suikerbieten terugveroverde eiland vol guldenroede en hooglanders? Zijn wellicht beroemdste zin, uit het essay Walking, luidt: In wildness is the preservation of the world. Deze zin is op twee manieren vertaalbaar, namelijk: ‘in de wildernis’ of ‘in wildheid’ ligt het behoud van de wereld. In het Engels kennen we de woorden ‘wildness’ en ‘wilderness’, die respectievelijk wild- of woestheid en wildernis betekenen. Meestal zien we in de Nederlandse vertaling van Thoreau’s zinsnede het woord wildernis opduiken. Ik denk dat dat onjuist is. Thoreau bedoelde juist wildheid, het ongetemde, het niet-gedomesticeerde. Wat we hier op Tiengemeten zien, en in alle andere gebieden waar de nieuwe natuur opduikt, is niet het ongerepte van de wildernis, want dat is niet meer terug te krijgen. Nieuwe natuur berust op een menselijk besluit en is dus géén werkelijke wildernis, hoewel je er wel een wildernisgevoel kunt ervaren. Het is wel wild en ook op Tiengemeten vind je de wildheid, hoewel met mate, terug.

Ik vermoed dat Thoreau ons Tiengemeten wel zou hebben gewaardeerd. Tenslotte was het bosgebied rond zijn hut bij Walden Pond ook geen ongerepte wildernis, maar hij genoot er evengoed met volle teugen van. Dat laatste heb ik ook gedaan, en het idee dat we Tiengemeten een klein beetje danken aan Thoreau maakte het verblijf extra bijzonder.


De Afrikaanse bloterik

Ik moest toch even van Tiengemeten af, het was de enige keer dat ik dat deed (afgezien van de wekelijkse boodschappen bij de plaatselijke grootgrutter van Zuid-Beijerland). De aanleiding was mooi: mijn krant (Trouw) had me verzocht een column uit te spreken bij de bekendmaking van de top-25 van de Duurzame 100, op 10 oktober in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Dat gaf me mooi de gelegenheid het enige weekdier te behandelen dat mijn rubriek Jelle’s Weekdier in de krant niet zal halen: de Afrikaanse bloterik. Het leverde de volgende tekst op.

De Afrikaanse bloterik

In de biologie geldt wie zich lustig voortplant als een succesvolle soort. Met een grote fitness, het vermogen om je aan diverse omstandigheden aan te passen, en een ruimhartige rondstrooiing van ei en zaad zit je gebeiteld. Als soort. Of beter: als pakketje genen van die soort, want als we Richard Dawkins mogen geloven, zijn het de genen die zich voortplanten en gebruiken ze daar de planten en de dieren voor als hun vervoermiddel. Verreweg de succesvolste genen zijn de exemplaren die daartoe de vlieg gebruiken. Er zijn meer vliegen op aard dan sterren in het universum. Strontvliegen, huisvliegen, klustervliegen, herfstvliegen of hoe ze ook mogen heten, die zwarte zoemers, ze lusten alles, van poep tot lijk tot de inhoud van uw kliko. Zelfs Mao Zedong, die alle Chinezen een gratis vliegenmepper gaf, kreeg ze er niet onder. De vlieg staat met stip op nummer 1 op de hitlijst van succesvolle soorten.

Op twee, ook met stip, staat het weegbree, dat stiekem met de Neolithische mens meereisde over de wereld. Amerikaanse indianen noemden weegbree ‘White men’s footprint’, want overal waar de Europeanen zich vertoonden schoot het onooglijke plantje uit de grond. U hoort het goed: hier komt het woord footprint al tevoorschijn. Op plek drie van onze hitlijst van succes is het een gedrang. Ik heb ze niet allemaal geteld, dus ik weet niet of het de muis is, of de rat, of de kip. Er zijn onnoemlijk veel muizen, ratten en kippen op de wereld, zonder twijfel nog meer dan er mensen zijn. Laten we ze maar ex-aequo op drie zetten, dat leert ze wat bescheidenheid. En ze zijn slim, die muizen, ratten en kippen, want net als het weegbree liften ze met de mens mee. Het zijn wat we noemen cultuurvolgers. Zonder de mens liep de kip nog doelloos rond te scharrelen in de bossen van Thailand en Birma, en hadden ze het nooit helemaal tot Barneveld geschopt, om over Kentucky Fried nog maar te zwijgen.

Ook de mens staat in de top tien. Succesvol, tweehonderdduizend jaar geleden ergens in Afrika ontstaan als een populatie eigenwijze bloterikken. Zestigduizend jaar geleden hadden ze het daar wel gezien en gingen aan de wandel, via de Sinaiwoestijn de wijde wereld in. Tienduizend jaar later arriveerden ze in Australië. Naar Amerika duurde wat langer, daar lagen gletschers in de weg, en praktische bewaren. Zodra die verdwenen waren, staken ze de Beringstraat over en liepen in duizend jaar tijd door tot Vuurland,  om daar te gaan zitten wachten tot Charles Darwin langsvoer om zich over hun enorme aanpassingsvermogen te verbazen. De mens is een zoogdier. Een aap. De enige aap die zich als een invasieve exoot gedraagt. Hij zou bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op de lijst van te bestrijden invasieven moeten worden geplaatst, want hij voldoet aan alle criteria: hij komt van elders, drukt andere soorten uit hun leefmilieu, veroorzaakt ecologische en economische schade en plant zich ongebreideld voort. We hebben hier dus de Amerikaanse muskusrat, de Indiase halsbandparkiet, de Japanse duizendknoop, de Californische rivierkreeft en de Afrikaanse bloterik, de laatste met muizen en ratten en kippen in zijn kielzog.

Met duurzaamheid heeft dit allemaal weinig te maken, althans met duurzaamheid in de moderne betekenis van het woord, of liever, het frame. Een dier- of plantensoort die het goed redt, zich lustig voortteelt en geen enkele aanstalten maakt om uit te sterven is natuurlijk vreselijk duurzaam. Die duren nog wel even, in tegenstelling tot soorten als de grote panda of de witte neushoorn, die als evolutionaire losers helemaal niet duurzaam zijn. De mens is dus een van de duurzaamste diersoorten op aarde. Dat staat in schril contrast tot zijn leefomgeving, waarvan de duurzaamheid steeds twijfelachtiger wordt. Hier zit een soort communicerende-vaten-effect verscholen: hoe duurzamer de Afrikaanse bloterik is, hoe minder duurzaam zijn omgeving, en weliswaar is dat op termijn een slang die in zijn eigen staart bijt, maar daar hebben we nu niks aan. Als we de duurzaamheid van de aarde willen stimuleren moeten we de duurzaamheid van Homo sapiens een beetje reduceren. Er zijn er teveel. Zevenmiljard exemplaren zijn er zesmiljard teveel. Daar moet wat aan gebeuren. Ik ben bang dat de gebruikelijke methoden die bij invasieve exoten worden toegepast niet zullen worden toegestaan. We kunnen de Afrikaanse bloterik niet gaan bestrijden met klapvallen, giftig lokaas of aantalsregulerend afschot. Dan rest ons, dames en heren, het slapste middeltje dat er is: het preservatief.


Thoreau op Tiengemeten, deel 7

Dat de natuur onvoorspelbaar is en niet te sturen wisten we al, maar sinds gisteren heb ik er weer een bewijs van. Ik ging bevers kijken, samen met filmmaker Cees van Kempen die twee jaar op Tiengemeten verbleef en er een schitterende documentaire heeft gemaakt over de bevers. De film is voor tachtig procent op Tiengemeten geschoten. We voeren samen uren lang rond en hebben meer gezien dan we hoopten, maar een levende bever: niet dus. Daar kun je om gaan zitten mokken, maar eigenlijk vind ik het wel leuk, want stel je voor dat de natuur volkomen voorspelbaar zou zijn, zoiets als een bezoekje aan Artis of Blijdorp. Dat zou toch oersaai zijn.

Op Tiengemeten zitten twee beverterritoria, eentje op het eiland bij de vervallen boerderij, en een andere ten oosten van de grote kreek; de ene burcht is onbereikbaar, de andere volkomen onvindbaar. Maar met een plat kunststof bootje en een gids die weet waar je moeten wezen, zijn de burchten te vinden. Een grote, bijna kale populier midden op het eiland vormt de grens tussen de territoria. Overal zie je omgeknaagde bomen, afgeknaagde takken, telkens opnieuw uitlopende wilgenstobben die de bevers als voedselbron gebruiken; de gebieden zijn dooraderd met paden die de dieren gebruiken om zich te verplaatsen.

Die stobben zijn een leuk verschijnsel. Je ziet ze overal. Bevers voeden zich vooral met bast en bladeren van wilgentenen, en hebben daartoe ontdekt dat als je een wilg afknaagt, hij opnieuw uitloopt en nieuwe twijgen maakt. De bever is de uitvinder van de knotwilg, met de knot alleen vlak boven de grond in plaats van op twee meter hoogte. In de film van Cees van Kempen zit een time-lapse opname van zo’n uitbottende wilgenknot; dezelfde knot, zo bewijst de foto, is nog altijd in gebruik!

knotwilg-img_2083Al varende ontdekten we een splinternieuwe burcht, een takkending van toch al snel drie meter diameter en een meterhoog, in het oostelijke territorium en vlak in de buurt van de grote burcht. Door de lage waterstand stond de oever ernaast droog, als een soort strandje. Grote pootafdrukken duidden op recent bezoek. Ik voelde me heel even Robinson Crusoë, die ook voetafdrukken ontdekte op het strand van zijn eiland. Maar dat was op vrijdag, ik was er een dag eerder, op donderdag. En gelukkig zijn bevers ook geen kannibalen.

afdrukken-bij-nieuwe-burcht-img_2080


Thoreau op Tiengemeten, deel 6

Drie begrippen tollen hier op Tiengemeten rond in mijn hoofd. Ze lijken hetzelfde te betekenen, maar dat is schijn. Het gaat om de termen ongerept, wildernis en natuur.

Ongerept is alles wat nooit door de mens is beïnvloed. Grote delen van het Amazonegebied, vrijwel geheel Antarctica en het grootse deel van Groenland zijn nog ongerept. Je moet voor het ongerepte in elk geval Europa uit, want zelfs het beroemde woud van Bialowieza in Oost-Polen is niet ongerept.

Wildernis is iets heel anders. Hier op Tiengemeten is het goed mogelijk om je in de wildernis te wanen. Tijdens een van mijn dwaaltochten raakte ik verzeild op een deel van het eiland dat blank stond, niet zichtbaar want het was helemaal dichtgegroeid met gras en watermunt en biezen, maar er stond zo’n vijf tot tien centimeter water. Ik waadde door een moeras en was volledig omgeven door uitbundige plantengroei en zoemende insecten. Een libel ging even zitten. Een paar tot dan onzichtbare watersnippen vlogen krijsend weg toen ik te dichtbij kwam. Ik waande mij er in de wildernis. Zo heeft Natuurmonumenten dat deel van het eiland trouwens ook genoemd, ‘Wildernis’, voor het geval je het niet in de gaten zou hebben.

img_1974-kopie

Natuur is weer iets anders. Het is alles wat spontaan opkomt, met óf zonder menselijke interventie. De (on)kruidjes tussen de stoeptegels in de stad, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn ook natuur. Daar zit een belangrijk verschil met de begrippen ongerept en wildernis. Ongereptheid kunnen we als mens teniet doen. Wildernis kan worden getemd, gekapt, omgeploegd, ontgonnen, zoals ooit de Brabantse en Drentse hoogvenen. Maar natuur laat zich niet teniet doen en niet temmen. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk. Ik vergelijk ‘natuur’ graag met ‘het weer’. Het weer is er ook altijd. Het weer kan mooi zijn, het kan slecht zijn of ronduit waardeloos. Maar er is altijd weer. Er is ook altijd natuur en ook natuur kunnen we als lelijk of mooi beoordelen, maar in beide gevallen is sprake van natuur. Natuur is alles wat spontaan opkomt in de toevallig voorhanden zijnde omgeving. Hier zijn dat watermunt en guldenroede, libellen, watersnippen en een zeearend.

De Schotse hooglanders die hier ook lopen zijn niet ongerept, geen deel van de wildernis en ook geen natuur. Ze behoren tot een vierde begrip: cultuur. En dat is weer heel iets anders.