Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Het werkwoord pissebedden

Het Kenniscafé in De Balie van september handelde onder de titel De weg kwijt over oriëntatie, over oude en nieuwe kaarten, en de vraag of vrouwen inderdaad slechter zijn in kaartlezen dan mannen (dat is dus aperte nonsens). Mijn column ging over verdwalen:

Wanneer je in de tuin een achtergelaten bloempot, een losse steen of een vergeten houtblok optilt, is de kans groot dat zich daaronder een aantal pissebedden bevinden. Leuke beestjes zijn dat, eigenlijk op land levende kreeftjes en nuttige opruimers van allerlei dood spul. Zeer waarschijnlijk hebben ze een weinig ontwikkeld gevoelsleven hoewel je ze wel vaak in gezellige groepjes bijeen aantreft. Maar, ook al zullen ze niet veel denken, ze hebben wel ergens een hekel aan, namelijk om te worden gestoord in hun rust. Die plotselinge vrijheid na het optillen van de bloempot, het overvloedige licht dat ze overvalt, en tot overmaat van ramp ook de al even plotselinge overvloedigheid aan frisse lucht. Ze gaan er van door; in een paniekerige reactie schieten ze alle kanten op, totaal gedesoriënteerd.

Grijze trilobietjes die hun rust kwijt zijn, én de weg. ‘Waarheen?’ flitst het door de minuscule pissebreintjes. Als in een Brownse beweging begeven de diertjes zich derwaarts, op zoek naar rust, duisternis en vochtige bedomptheid. Ze vinden het wel weer, maar de erratische zoektocht ernaar is koddig om te zien, hoewel er een zekere mate van leedvermaak in deze observatie schuilt. Het is zelfs zó koddig, dat bij ons in huiselijke kring het werkwoord ‘pissebedden’ is ontstaan, om gedesoriënteerd rondlopen mee aan te duiden. En let maar eens op: ongemerkt loopt menigeen heel wat te pissebedden.

Maar dan: wat is daar mis mee? Wat gaat er fout als je even de weg niet weet?  Of je ergens links- of rechtsaf moet? Of misschien toch nog even rechtdoor? Het ergste wat je kan overkomen is dat je verdwaalt. Verdwalen is de overtreffende trap van pissebedden. Of beter: de ultieme vorm ervan.

De meeste mensen vinden het vervelend om te verdwalen. Je wordt op jezelf teruggeworpen, geconfronteerd met je eigen gedachten, je feilbaarheid, je onzekerheden en – dat geef ik toe – weinig dingen kunnen zo irritant zijn als de confrontatie met jezelf. Maar daar moet je overheen proberen te stappen. Rondlopend in een onbekende omgeving, zonder visuele herkenningspunten of geografische houvast, zonder tomtom of googlemaps, ontstaat juist de mogelijkheid om los te komen van alle beslommeringen en je te concentreren op diepere gedachten.

Veel schrijvers en filosofen hadden of hebben de gewoonte om te wandelen of zomaar wat te slenteren. Een deel daarvan, dat geef ik toe, betrad of betreedt slechts gebaande paden, zoals Charles Darwin die dagelijks zijn eigen tuinpad bewandelde, of Immanuel Kant die nooit verder kwam dan de straten van Königsberg. Nee, de ware wandelaar zwerft en ontdekt al pissebeddend nieuwe en onbekende wegen op het land én in zijn gedachten. Henry David Thoreau is een mooi voorbeeld. Die zwierf ogenschijnlijk doelloos door New England, struinde los van wegen en paden door onbekende bossen en mijmerde daarbij een wonderbaarlijk oeuvre bij elkaar.

Lanterfantend mijmeren, een fijne en rustgevende bezigheid, het zou in het basiszorgpakket moeten worden opgenomen, met als eerste activiteit een kleine cursus verdwalen. Wat jammer toch dat pissebedden niet kunnen denken, of als ze het geheel onverwacht toch zouden kunnen, ons daarvan niet op de hoogte kunnen brengen en ook hun gedachten niet met ons kunnen delen. Er zou vermoedelijk een wereld voor ons opengaan.

 

 

 

 

 

Advertenties


Stephen Hawking

Het Kenniscafé van 14 mei was gewijd aan Stephen Hawking, die ons onlangs is ontvallen. En die ons veel duidelijk maakte wat erg onduidelijk was en we nog altijd maar moeilijk kunnen snappen. Mijn column daarover luidde als volgt.

De dood van Stephen Hawking – die overigens vaak werd verward met bioloog en atheïst Richard Dawkins die daarom wegens Hawking’s overlijden ook werd betreurd maar nog springlevend is en dus zíjn verschijnen voor de troon van God in tegenstelling tot Hawking nog even moet afwachten – de dood van Hawking dus, was wereldwijd aanleiding tot bespiegelingen over zwarte gaten, het universum, de Big Bang, en andere onduidelijke dingen. Dingen waarvan je je als gewone sterveling afvraagt wat je er mee moet. Wat kun je ermee? Behalve bespiegelingen maken.

Het antwoord luidt: niets. Kennis over zwarte gaten, het mogelijke aantal heelallen, de exacte ouderdom van het heelal of de heelallen en de chemische reacties die plaatsvonden tijdens de eerste paar seconden na de Big Bang, het is interessante kennis maar we kunnen er niets mee. Van zulke kennis is er heel veel! Ook de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op Fiji, de grondwaterstand onder Timboektoe, de oogkleur van de zuster van Kim Yung Un en de exacte diepte van de Marianentrog zijn interessante dingen, maar we kunnen er niets mee. Maar er is een verschil. Die verkiezingsuitslagen, waterstand, oogkleur en zeediepte zijn nog dingen die we kunnen begrijpen. Het is allemaal simpel waarneembaar.

Dat is niet altijd het geval met de dingen die Hawking bezighielden. Die zijn bovendien vaak contra-intuïtief. Laten we eens naar dat heelal kijken. Het lijkt oneindig groot maar schijnt dat niet te wezen. Op een afstand van ongeveer 13,8 miljard lichtjaar komt er een einde aan het heelal. Als je zo ver kunt kijken, kijk je ook naar het begin de tijden, want wat zich 13,8 miljard lichtjaar verderop afspeelt is de nagloei van de Big Bang. We kijken dus eigenlijk niet alleen de ruimte in, maar ook terug in de tijd. De rand van het heelal is dan tevens het ontstaan ervan. Maar vervolgens schiet ons denkvermogen tekort. Want wat is er dan voorbij die rand? Wat is er vóór de Big Bang? Kun je wel verder reizen, in gedachten bedoel ik, dan voorbij het heelal of tot vóór de Big Bang? Ik weet dat Vincent Icke ooit uitlegde dat dat onzin is, omdat dat je wel naar het noorden kunt lopen, maar zodra je de noordpool hebt bereikt kan dan niet meer, terwijl je toch verder kunt lopen. Naar het zuiden. Je kunt dus tot het einde van het heelal reizen, en dan kun  je verder gaan maar niet meer tot het einde van het heelal. Reis je dan terug in de tijd?

Mij gaat het nu duizelen. Is er iets buiten het heelal, was er iets vóór de Big Bang. Dat probleem hou je ook als je daarbij God die alles schiep inschakelt (ik hoop dat Dawkins nu even niet meeleest), want wie of wat heeft God dan weer geschapen? De tijd vóór het begin van de tijd, de ruimte voorbij het eind van de ruimte, of voor mijn part een schepper die er al was voor bij bestond – het gaat de intuïtie te boven. Of te buiten. Als Hawking mij iets heeft duidelijk gemaakt, is het wel dat onze intuïtie faalt. Hij maakte het onbegrijpelijke begrijpelijk en liet zien dat het onmogelijke mogelijk is. Nu hoeven we het alleen nog maar te snappen, als u begrijpt wat ik bedoel, dat ik dus bedoel wat ikzelf amper begrijp.

Geloof ik.

 

 


Vliegen: imbeciel!

Het honderste (100e !) Kenniscafé in De Balie van 15 januari ging over vliegen. Over de gevolgen ervan, de voor- en (vooral) nadelen, en wat ertegen te doen. Dit was mijn traditionele slotcolumn:

vliegen: imbeciel!

Sinds de eerste oermens zich twee miljoen jaar geleden ontrukte aan het bestaan als een Australopithecus en zich Homo habilis ging noemen, sinds die tijd is de mens onderweg. Hij reist, en al snel had hij zijn vleugels vanuit Afrika uitgestrekt naar Europa en Azië, en later, toen hij intussen een reislabel met de naam Homo sapiens aan zijn knapzak had gehangen, ook naar Australië en Amerika. De mens is een reiziger. Hij loopt de aardkloot rond, of liever: hij liep, want de mens is het lopen verleerd. Voor lopen is de mens te lui geworden, te haastig, te gestresst. We willen liefst ergens aankomen op het moment dat we vertrekken. Tijd is geld, reistijd tijdverspilling. De mens hield op met lopen, klom op een paard, hees zich in een koets, maakte daar een automobiel van, vond de trein uit, en toen de TGV, de Fokker, de Airbus, de Concorde. Hoe sneller hoe beter.

En nu is het gierend uit de hand gelopen. We blazen ongehoorde hoeveelheden fijnstof en CO2 de atmosfeer in met al die haast van ons. Er is een enorm probleem ontstaan dat niet zomaar van de ene op de andere dag zal zijn verdwenen, zeker niet als daartoe de politieke wil ontbreekt. Maar er is nog een probleem, naast dat fijnstof en die CO2, en dat is de ontmenselijking. De mens is geëvolueerd en gepredestineerd om zich te verplaatsen en hij doet dat in principe met zijn benen. Vijf kilometer per uur. Dat is de menselijke maat. Een beetje sneller gaat ook nog wel, te paard of te fiets, of desnoods de auto of de trein. Maar eigenlijk is dat al te snel. Zelden zag ik dit snelheidsprobleem zo mooi verwoord als in de korte roman Monsieur Ibrahim et les fleurs du Coran, van de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt. De hoofdpersonen, meneer Ibrahim en zijn pleegzoon Momo, rijden in een auto door Europa op weg naar Turkije, als Momo zich afvraagt of ze niet beter de snelweg kunnen nemen in plaats van binnenwegen. Daarop antwoordt Ibrahim het volgende (en ik vertaal het zelf even uit mijn Franse tekst):

“Oh nee, niet de snelweg. Momo, niet de snelweg. Snelwegen betekenen: doorjakkeren en niets zien. Het is voor imbecielen die zo snel mogelijk van A naar B willen geraken. Maar wij, wij reizen. Zoek mooie kleine weggetjes voor me uit, die ons alles goed laten zien wat er te bekijken valt. (…) Luister Momo, als je helemáál niets wilt zien, moet je net als iedereen het vliegtuig nemen.” (einde citaat).

Als de snelweg eigenlijk al een uitvinding voor imbecielen is, wat is het vliegtuig dan wel niet? Het vliegen laat ons op zo’n snelheid van A naar B reizen dat de menselijke maat zoek is. Wat je eraan overhoudt, is een gevoel van ontheemdheid, een jetlag of een cultuurschok, en dikwijls een combinatie van deze verschijnselen. Waar de wandeling de meest menselijke manier van reizen is, is het vliegverkeer de meest onmenselijke. Maar veel keus wordt ons dikwijls niet gelaten. Het is zo lekker goedkoop, en vaak de enige mogelijkheid. Vorig jaar is de nachttrein naar Wenen uit de dienstregeling genomen, verdrongen door de vliegende prijsvechters. Nu kom je niet meer heerlijk uitgeslapen midden in de stad van je bestemming aan, maar landt je met een zoekgeraakte koffer ergens ver daarbuiten, tussen de weilanden. Monsieur Ibrahim had daar het juiste woord voor: imbeciel.


Afval, weg ermee!

Het Volkskrant Kenniscafé in De Balie ging deze maand over afval. Bestaat het of niet? Een heikel onderwerp. Dit was mijn slotcolumn.

Ze noemen het eufemistisch Les fleurs du Sahel, bloemen van de Sahel, de miljoenen kleurige plastic zakken die grote delen van Afrika opvrolijken. Eenmalig gebruikt en daarna weggegooid, vallen ze ten prooi aan de wind, die de zakken meevoert totdat ze ergens aan de stekels en takken van bomen en struiken blijven hangen. Het lijkt dan alsof die in bloei staan. Ook in ons eigen land is dit lang een probleem geweest. Overal kreeg je van die dunne zakjes uitgereikt, dikwijls gestreept als een gevangenispak en steevast in de vorm van een ouderwets mouwloos hemdje. Tegenwoordig zijn ze grotendeels verboden. Alleen op de markt wordt de vis er nog in verpakt, voorlopig althans.

Dat in ons land het gebruik van plastic tassen en hemdtasjes tenzij je ervoor wilt betalen is verboden, is zowel een godswonder als een bizarre polderoplossing. De plastictasjesfabrikanten schreeuwden destijds moord en brand, met argumenten als de werkgelegenheid en dat papieren tasjes ook milieubelastend zijn. Het godswonder is dat er toch een verbod door het parlement kwam, ook al is het geen echt verbod, want als je tien cent betaalt, krijg je alsnog een plastic tasje. Pecunia non olet in de polder.

Nee, dan Kenia. Daar zijn alle plastic tassen en tasjes verboden, op straffe van draconische geldboetes; tot 35.000 euro of één à twee jaar achter de tralies. Men gebruikte alleen al in  Kenia 24 miljoen plastic tasjes per maand. Soms werden ze éénmalig hergebruikt; bij gebrek aan een toilet kon je er je ontlasting in deponeren en het dichtgeknoopte tasje met inhoud daarna over het tuinhek de straat op, of de rivier in, slingeren. De bloemen van de Sahel worden goed bemest.

Costa Rica heeft, ook deze zomer, al het wegwerpplastic verboden. Van wegwerpbestek tot vleeswaarbakjes en PET-flessen, allemaal verboden. Kijk, dat gaat nog ergens op lijken.

Maar nu Nederland. Een kind snapt dat er een eind moet komen aan het ongebreidelde gebruik van al dat plastic. Dat er hoognodig statiegeld moet worden geheven op flesjes en blikjes. Maar de Tweede Kamer draalt, hakt geen knoop door, laat een door de frisdrankindustrie betaald onderzoek doen door de commerciële Wageningen Universiteit, laat dat na terechte ophef nog eens overdoen door Delft, zal dat laatste rapport, dat overduidelijk aantoont dat statiegeld wel degelijk helpt, ongetwijfeld in een diepe la leggen waar het nooit meer uitkomt. Want ja, de werkgelegenheid van de plasticflesjes en -zakjesfabrikanten, ai, ai, ai.

Nederland moet zich schamen. Waarom kan hier niet wat in ontwikkelings-landen als Kenia en Costa Rica en Niger en nog een aantal andere wel kan? Soms valt te betreuren dat Nederland geen ontwikkelingsland is, dan was de wetgeving een stuk sneller geregeld. Die hele pro-plastic en anti-statiegeldlobby moet in een flinke plastic zak worden gestort, en die dan dichtgeknoopt en over het nationale tuinhek geslingerd, de Keniaanse stront achterna. Weg met die shit!

(Voor wie het hele Kenniscafé wil terugzien deze link)

 

 

 

 


Ludofoob

Het Kenniscafé van december, in De Balie, ging over iets waar ik echt van gruw: spelletjes. Pardon, over spel, de Homo ludens van Huizinga, en serious games. Heb even de toon gezet met een openingscolumn.

Hier moet een vergissing in het spel zijn (pun intended!). Dat ik hier sta, bedoel ik. Uw columnist van dienst heeft aan van alles een hekel, maar aan weinig dingen zoveel als aan spelletjes. De meeste mensen daarentegen zijn verzot op spelletjes. Dat zijn de ware ludofielen, die klaverjasavondjes organiseren met de buren, die Kolonisten van Catan spelen met hun opgroeiende kinderen, die graag in de kroeg een kaartje leggen of die dolle pret beleven aan de maandelijkse bingo-avond in het buurthuis, die hele dagen onder een parasol voor de caravan zitten te staren naar een boekje met kruiswoordpuzzels of sudoku’s, maar aan mij is dat vermaak niet besteed. Het wordt voor mij tijd om nu – en hier – maar eens uit de kast komen als een verstokte ludofoob. Ik zit nog liever in een hoek met een vergeeld derdehands Bouquetreeksdeeltje uit de kringloopwinkel of in de wachtkamer van de tandarts met een verkreukelde Nieuwe Revu van twee jaar geleden, dan dat ik meedoe aan een rondje eenendertigen of canasta.

Het probleem zit ’m niet eens zozeer in het spelletje als zodanig, want dat kan zelfs enige behendigheid aanwezig veronderstellen, of wellicht een zekere vorm van intelligentie vereisen, maar in het feit dat zo’n bezigheid wordt gepresenteerd en gewaardeerd als een aardig tijdverdrijf. Tijdverdrijf. Weet u wat dat is, een tijdverdrijf? Dat is een middel om de tijd te verdrijven. What the fuck? Waarom moet je de tijd verdrijven? Willen we soms sneller dood, de tijd tussen het nu en ons onvermijdelijke verscheiden zo kort mogelijk maken door die te verdrijven? Doe een beetje normaal! Tijd is datgene dat ons bij de geboorte is gegeven om zoveel mogelijk te gebruiken en te benutten. Tijd moet worden aangewend om leuke, nuttige, zinvolle, belangrijke, mooie, inspirerende, opwindende en voor mijn part ondeugende of lekkere geile dingen mee te doen. Mensen die hun tijd gaan zitten verdrijven, zijn feitelijk bezig met langzaam sterven. Wie avonden gaat zitten klaverjassen of bingoën of pimpampetten is bezig langzaam afscheid van het leven te nemen. Kaartspelend op weg naar het crematorium. Hebben we echt niks beters te doen?

Maar het vlees is zwak en de geest gewillig. Ik moet toegeven dat ik mij één avond per jaar totaal laat gaan en in familiekring deelneem aan een spelletje Monopoly. Dat is op oudejaarsavond, de enige avond van het jaar die opgaat aan zinloos wachten op het moment dat de klok twaalf keer slaat en wij Nederlanders massaal de straat op gaan om met veel kabaal en lichtflitsen Aleppo’tje te gaan spelen. De enige avond van het jaar dat de tijd inderdaad moet worden verdreven. Die avond verlies ik mij geheel schaamteloos in onnut tijdverdrijf en speel ik Monopoly. Het bevalt de familie godzijdank meestal slecht, want al jaren achtereen win ik meedogenloos, wat het grote voordeel heeft dat men mij de volgende 364 avonden met rust laat. Dan kan ik weer fijn een boek lezen, een stukje schrijven, iets repareren dat kapot is gegaan, mijn bureau opruimen, naar Bach of de Stones luisteren of andere dingen doen waar de ware ludofoob blij van wordt. Zolang er maar geen spelletje hoeft te worden gespeeld om de tijd te verdrijven.

 


Een ode aan de spatie

Het Kenniscafé van november handelde over taal. In mijn column brak ik een lans voor een verwaarloosd aspect van taal: de spatie.

De oorlog in Syrië sleept zich voort. Je leest er de laatste tijd weinig meer over. De media zijn kennelijk net zo murw gebombardeerd als het arme Aleppo. Het enige wat nog regelmatig, maar helaas niet vaak genoeg, in de krant of op tv komt, zijn de gevechtspauzes, de staakt-het-vurens, de wapenstilstanden. Het zijn de pauzes in de voortdurende narigheid. De oorlog wordt zo gekenmerkt door de momenten van stilte. Door adempauzes. Dat was ook al zo met de tachtigjarige oorlog. Wat wij ons er dankzij het geschiedenisonderwijs van herinneren, zijn het turfschip van Breda en het twaalfjarig bestand, ergens halverwege die oorlog. Zonder het twaalfjarig bestand geen tachtigjarige oorlog, die dus eigenlijk maar achtenzestig jaar duurde. Dankzij de pauze. In ieder concert zit een pauze. Iedere voetbalwedstrijd kent een pauze. Zo blijkt veel wat we doen te worden gekenmerkt door een periode van nietsdoen, een moment van bezinning, een inhoudelijk vacuüm.Een Emmentaler kaas is alleen een Emmentaler kaas als er gaten in zitten. Zonder gaten geen gatenkaas, dat lijkt een vanzelfsprekendheid.

Hetzelfde geldt voor de taal. Onze westerse talen, zeker in geschreven vorm, kennen zesentwintig letters. Maar als je die letters zomaar achterelkaar zet krijg je een onontwarbare brij tekst, kop noch staart en zonder betekenis. Alle boeken in het westerse schrift zijn geschreven met zesentwintig letters. Met een paar accenten, leestekens, trema’s, Umlauts, tildes en cédilles wellicht, maar die zesentwintig vormen de basis. Maar dan ben je er nog niet. Je hebt in taal de spatie nodig. Het zijn de pauzes in een zin.

Kijk eens met schuin invallend licht op het toetsenbord van je computer of laptop. Aan de slijtage kun je zien welke toetsen het vaakst worden gebruikt: de e, de r, de t, de o, de n én: de spatiebalk. De spatie is de zeventwintigste letter van het alfabet, en zonder enige twijfel de belangrijkste. Ook in de gesproken en zelfs de niet-verbale communicatie is de uitgesproken spatie van groot belang. Niemand, op Dolf Jansen na, dendert al sprekend spatieloos door. Juist de stilte is in een gesproken tekst van groot belang: de bedachtzame stilte, de applausverwachtende stilte, de moeilijke stilte, de pijnlijke stilte. Zonder de juiste en goed getimede stiltes wordt iedere toespraak, ieder gesprek, een toonloze woordenbrij.

C’est le ton qui fait la musique.

Ook zagen we:

Ce sont les trous qui font le fromage.

Maar vooral:

C’est l’espace qui fait la langue.

Een betoog over taal kan niet compleet zijn zonder een ode aan de spatie. Waarvan akte.

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 3

Het maandelijkse Volkskrant Kenniscafé in De Balie is op 19 september weer van start gegaan, met een uitverkochte zaal. Onderwerp: het brein. Ondanks mijn afwezigheid toch een column, in de vorm van een filmpje. Hier de tekst:

Laten we het eens hebben over frisse lucht. Het brein wordt ook wel de bovenkamer genoemd en – zoals we allemaal weten – een kamer moet af en toe worden gelucht om te voorkomen dat het er benauwd en bedompt wordt. De buitenlucht moet naar binnen, de muizenissen en spinnenwebben moeten eruit. Maar hoe doe je dat? Je kunt niet letterlijk een raam of luikje openzetten en schedelboringen zijn af te raden. De enige serieuze mogelijkheid is een flinke wandeling in de buitenlucht. Dat werkt, het geeft helderheid aan het beslagen brein en levert frisse nieuwe gedachten.

Er is geen betere plek voor het breinluchten dan Tiengemeten, waar ik momenteel verblijf tussen duizend ganzen en honderd harige hooglanders om over Henry Thoreau te schrijven, de man die twee jaar lang in het bos aan de rand van een meertje ging wonen om zijn eigen gedachten te ventileren. Thoreau was een transcendentalist, en hij zou gegruwd hebben van de bestseller van Dick Swaab. Hij zou het veel te materialistisch hebben gevonden. Hij zou de ziel hebben gemist, en het karakter. Thoreau zocht de bezieling in de natuur. Je kunt de natuur natuurlijk materialistisch bekijken, als allemaal soorten planten en dieren en milieufactoren en hormonen en feromonen, maar daarmee heb je nog niet de bezieling ervan te pakken. Je kunt je ook door de natuur laten overweldigen zonder precies te weten en te hóeven weten welk insect aan welk plantje zit te knagen en waarom. De natuur is meer dan al die soorten en wat ze doen, de natuur kan ons ook bezielen, zoals muziek ons kan raken en zoals een landschap ook een karakter kan hebben en ons overweldigen. Dat is het transcendente van Thoreau.

Ons brein moet ook meer zijn dan alleen maar een klont neuronen, dendrieten, neurotransmitters en stroompulsjes, ingebed een bleke vette pap. Ergens, tussen de muizenissen en de spinnenwebben zit de ziel, en de vrije wil, en het karakter. Door af en toe eens lekker te luchten kun je daar wellicht een glimp van te pakken krijgen. De beste manier om je brein te luchten en je kop te laten doorwaaien is door te gaan wandelen, liefst in de vrije natuur. Dat wisten de oude filosofen ook al, Aristoteles wandelde in Athene, Rousseau door de Alpen, Thoreau rond zijn bosmeer en Darwin door zijn tuin, maar een prima andere plek daarvoor is Tiengemeten. Hier, onder voortjagende Hollandse wolkenluchten, wordt het brein effectief leeggeblazen en blijft de ziel gelouterd achter, niet bestaand maar zeer aanwezig. U krijgt de groeten van de ganzen.