Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Afval, weg ermee!

Het Volkskrant Kenniscafé in De Balie ging deze maand over afval. Bestaat het of niet? Een heikel onderwerp. Dit was mijn slotcolumn.

Ze noemen het eufemistisch Les fleurs du Sahel, bloemen van de Sahel, de miljoenen kleurige plastic zakken die grote delen van Afrika opvrolijken. Eenmalig gebruikt en daarna weggegooid, vallen ze ten prooi aan de wind, die de zakken meevoert totdat ze ergens aan de stekels en takken van bomen en struiken blijven hangen. Het lijkt dan alsof die in bloei staan. Ook in ons eigen land is dit lang een probleem geweest. Overal kreeg je van die dunne zakjes uitgereikt, dikwijls gestreept als een gevangenispak en steevast in de vorm van een ouderwets mouwloos hemdje. Tegenwoordig zijn ze grotendeels verboden. Alleen op de markt wordt de vis er nog in verpakt, voorlopig althans.

Dat in ons land het gebruik van plastic tassen en hemdtasjes tenzij je ervoor wilt betalen is verboden, is zowel een godswonder als een bizarre polderoplossing. De plastictasjesfabrikanten schreeuwden destijds moord en brand, met argumenten als de werkgelegenheid en dat papieren tasjes ook milieubelastend zijn. Het godswonder is dat er toch een verbod door het parlement kwam, ook al is het geen echt verbod, want als je tien cent betaalt, krijg je alsnog een plastic tasje. Pecunia non olet in de polder.

Nee, dan Kenia. Daar zijn alle plastic tassen en tasjes verboden, op straffe van draconische geldboetes; tot 35.000 euro of één à twee jaar achter de tralies. Men gebruikte alleen al in  Kenia 24 miljoen plastic tasjes per maand. Soms werden ze éénmalig hergebruikt; bij gebrek aan een toilet kon je er je ontlasting in deponeren en het dichtgeknoopte tasje met inhoud daarna over het tuinhek de straat op, of de rivier in, slingeren. De bloemen van de Sahel worden goed bemest.

Costa Rica heeft, ook deze zomer, al het wegwerpplastic verboden. Van wegwerpbestek tot vleeswaarbakjes en PET-flessen, allemaal verboden. Kijk, dat gaat nog ergens op lijken.

Maar nu Nederland. Een kind snapt dat er een eind moet komen aan het ongebreidelde gebruik van al dat plastic. Dat er hoognodig statiegeld moet worden geheven op flesjes en blikjes. Maar de Tweede Kamer draalt, hakt geen knoop door, laat een door de frisdrankindustrie betaald onderzoek doen door de commerciële Wageningen Universiteit, laat dat na terechte ophef nog eens overdoen door Delft, zal dat laatste rapport, dat overduidelijk aantoont dat statiegeld wel degelijk helpt, ongetwijfeld in een diepe la leggen waar het nooit meer uitkomt. Want ja, de werkgelegenheid van de plasticflesjes en -zakjesfabrikanten, ai, ai, ai.

Nederland moet zich schamen. Waarom kan hier niet wat in ontwikkelings-landen als Kenia en Costa Rica en Niger en nog een aantal andere wel kan? Soms valt te betreuren dat Nederland geen ontwikkelingsland is, dan was de wetgeving een stuk sneller geregeld. Die hele pro-plastic en anti-statiegeldlobby moet in een flinke plastic zak worden gestort, en die dan dichtgeknoopt en over het nationale tuinhek geslingerd, de Keniaanse stront achterna. Weg met die shit!

(Voor wie het hele Kenniscafé wil terugzien deze link)

 

 

 

 

Advertenties


Ludofoob

Het Kenniscafé van december, in De Balie, ging over iets waar ik echt van gruw: spelletjes. Pardon, over spel, de Homo ludens van Huizinga, en serious games. Heb even de toon gezet met een openingscolumn.

Hier moet een vergissing in het spel zijn (pun intended!). Dat ik hier sta, bedoel ik. Uw columnist van dienst heeft aan van alles een hekel, maar aan weinig dingen zoveel als aan spelletjes. De meeste mensen daarentegen zijn verzot op spelletjes. Dat zijn de ware ludofielen, die klaverjasavondjes organiseren met de buren, die Kolonisten van Catan spelen met hun opgroeiende kinderen, die graag in de kroeg een kaartje leggen of die dolle pret beleven aan de maandelijkse bingo-avond in het buurthuis, die hele dagen onder een parasol voor de caravan zitten te staren naar een boekje met kruiswoordpuzzels of sudoku’s, maar aan mij is dat vermaak niet besteed. Het wordt voor mij tijd om nu – en hier – maar eens uit de kast komen als een verstokte ludofoob. Ik zit nog liever in een hoek met een vergeeld derdehands Bouquetreeksdeeltje uit de kringloopwinkel of in de wachtkamer van de tandarts met een verkreukelde Nieuwe Revu van twee jaar geleden, dan dat ik meedoe aan een rondje eenendertigen of canasta.

Het probleem zit ’m niet eens zozeer in het spelletje als zodanig, want dat kan zelfs enige behendigheid aanwezig veronderstellen, of wellicht een zekere vorm van intelligentie vereisen, maar in het feit dat zo’n bezigheid wordt gepresenteerd en gewaardeerd als een aardig tijdverdrijf. Tijdverdrijf. Weet u wat dat is, een tijdverdrijf? Dat is een middel om de tijd te verdrijven. What the fuck? Waarom moet je de tijd verdrijven? Willen we soms sneller dood, de tijd tussen het nu en ons onvermijdelijke verscheiden zo kort mogelijk maken door die te verdrijven? Doe een beetje normaal! Tijd is datgene dat ons bij de geboorte is gegeven om zoveel mogelijk te gebruiken en te benutten. Tijd moet worden aangewend om leuke, nuttige, zinvolle, belangrijke, mooie, inspirerende, opwindende en voor mijn part ondeugende of lekkere geile dingen mee te doen. Mensen die hun tijd gaan zitten verdrijven, zijn feitelijk bezig met langzaam sterven. Wie avonden gaat zitten klaverjassen of bingoën of pimpampetten is bezig langzaam afscheid van het leven te nemen. Kaartspelend op weg naar het crematorium. Hebben we echt niks beters te doen?

Maar het vlees is zwak en de geest gewillig. Ik moet toegeven dat ik mij één avond per jaar totaal laat gaan en in familiekring deelneem aan een spelletje Monopoly. Dat is op oudejaarsavond, de enige avond van het jaar die opgaat aan zinloos wachten op het moment dat de klok twaalf keer slaat en wij Nederlanders massaal de straat op gaan om met veel kabaal en lichtflitsen Aleppo’tje te gaan spelen. De enige avond van het jaar dat de tijd inderdaad moet worden verdreven. Die avond verlies ik mij geheel schaamteloos in onnut tijdverdrijf en speel ik Monopoly. Het bevalt de familie godzijdank meestal slecht, want al jaren achtereen win ik meedogenloos, wat het grote voordeel heeft dat men mij de volgende 364 avonden met rust laat. Dan kan ik weer fijn een boek lezen, een stukje schrijven, iets repareren dat kapot is gegaan, mijn bureau opruimen, naar Bach of de Stones luisteren of andere dingen doen waar de ware ludofoob blij van wordt. Zolang er maar geen spelletje hoeft te worden gespeeld om de tijd te verdrijven.

 


Een ode aan de spatie

Het Kenniscafé van november handelde over taal. In mijn column brak ik een lans voor een verwaarloosd aspect van taal: de spatie.

De oorlog in Syrië sleept zich voort. Je leest er de laatste tijd weinig meer over. De media zijn kennelijk net zo murw gebombardeerd als het arme Aleppo. Het enige wat nog regelmatig, maar helaas niet vaak genoeg, in de krant of op tv komt, zijn de gevechtspauzes, de staakt-het-vurens, de wapenstilstanden. Het zijn de pauzes in de voortdurende narigheid. De oorlog wordt zo gekenmerkt door de momenten van stilte. Door adempauzes. Dat was ook al zo met de tachtigjarige oorlog. Wat wij ons er dankzij het geschiedenisonderwijs van herinneren, zijn het turfschip van Breda en het twaalfjarig bestand, ergens halverwege die oorlog. Zonder het twaalfjarig bestand geen tachtigjarige oorlog, die dus eigenlijk maar achtenzestig jaar duurde. Dankzij de pauze. In ieder concert zit een pauze. Iedere voetbalwedstrijd kent een pauze. Zo blijkt veel wat we doen te worden gekenmerkt door een periode van nietsdoen, een moment van bezinning, een inhoudelijk vacuüm.Een Emmentaler kaas is alleen een Emmentaler kaas als er gaten in zitten. Zonder gaten geen gatenkaas, dat lijkt een vanzelfsprekendheid.

Hetzelfde geldt voor de taal. Onze westerse talen, zeker in geschreven vorm, kennen zesentwintig letters. Maar als je die letters zomaar achterelkaar zet krijg je een onontwarbare brij tekst, kop noch staart en zonder betekenis. Alle boeken in het westerse schrift zijn geschreven met zesentwintig letters. Met een paar accenten, leestekens, trema’s, Umlauts, tildes en cédilles wellicht, maar die zesentwintig vormen de basis. Maar dan ben je er nog niet. Je hebt in taal de spatie nodig. Het zijn de pauzes in een zin.

Kijk eens met schuin invallend licht op het toetsenbord van je computer of laptop. Aan de slijtage kun je zien welke toetsen het vaakst worden gebruikt: de e, de r, de t, de o, de n én: de spatiebalk. De spatie is de zeventwintigste letter van het alfabet, en zonder enige twijfel de belangrijkste. Ook in de gesproken en zelfs de niet-verbale communicatie is de uitgesproken spatie van groot belang. Niemand, op Dolf Jansen na, dendert al sprekend spatieloos door. Juist de stilte is in een gesproken tekst van groot belang: de bedachtzame stilte, de applausverwachtende stilte, de moeilijke stilte, de pijnlijke stilte. Zonder de juiste en goed getimede stiltes wordt iedere toespraak, ieder gesprek, een toonloze woordenbrij.

C’est le ton qui fait la musique.

Ook zagen we:

Ce sont les trous qui font le fromage.

Maar vooral:

C’est l’espace qui fait la langue.

Een betoog over taal kan niet compleet zijn zonder een ode aan de spatie. Waarvan akte.

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 3

Het maandelijkse Volkskrant Kenniscafé in De Balie is op 19 september weer van start gegaan, met een uitverkochte zaal. Onderwerp: het brein. Ondanks mijn afwezigheid toch een column, in de vorm van een filmpje. Hier de tekst:

Laten we het eens hebben over frisse lucht. Het brein wordt ook wel de bovenkamer genoemd en – zoals we allemaal weten – een kamer moet af en toe worden gelucht om te voorkomen dat het er benauwd en bedompt wordt. De buitenlucht moet naar binnen, de muizenissen en spinnenwebben moeten eruit. Maar hoe doe je dat? Je kunt niet letterlijk een raam of luikje openzetten en schedelboringen zijn af te raden. De enige serieuze mogelijkheid is een flinke wandeling in de buitenlucht. Dat werkt, het geeft helderheid aan het beslagen brein en levert frisse nieuwe gedachten.

Er is geen betere plek voor het breinluchten dan Tiengemeten, waar ik momenteel verblijf tussen duizend ganzen en honderd harige hooglanders om over Henry Thoreau te schrijven, de man die twee jaar lang in het bos aan de rand van een meertje ging wonen om zijn eigen gedachten te ventileren. Thoreau was een transcendentalist, en hij zou gegruwd hebben van de bestseller van Dick Swaab. Hij zou het veel te materialistisch hebben gevonden. Hij zou de ziel hebben gemist, en het karakter. Thoreau zocht de bezieling in de natuur. Je kunt de natuur natuurlijk materialistisch bekijken, als allemaal soorten planten en dieren en milieufactoren en hormonen en feromonen, maar daarmee heb je nog niet de bezieling ervan te pakken. Je kunt je ook door de natuur laten overweldigen zonder precies te weten en te hóeven weten welk insect aan welk plantje zit te knagen en waarom. De natuur is meer dan al die soorten en wat ze doen, de natuur kan ons ook bezielen, zoals muziek ons kan raken en zoals een landschap ook een karakter kan hebben en ons overweldigen. Dat is het transcendente van Thoreau.

Ons brein moet ook meer zijn dan alleen maar een klont neuronen, dendrieten, neurotransmitters en stroompulsjes, ingebed een bleke vette pap. Ergens, tussen de muizenissen en de spinnenwebben zit de ziel, en de vrije wil, en het karakter. Door af en toe eens lekker te luchten kun je daar wellicht een glimp van te pakken krijgen. De beste manier om je brein te luchten en je kop te laten doorwaaien is door te gaan wandelen, liefst in de vrije natuur. Dat wisten de oude filosofen ook al, Aristoteles wandelde in Athene, Rousseau door de Alpen, Thoreau rond zijn bosmeer en Darwin door zijn tuin, maar een prima andere plek daarvoor is Tiengemeten. Hier, onder voortjagende Hollandse wolkenluchten, wordt het brein effectief leeggeblazen en blijft de ziel gelouterd achter, niet bestaand maar zeer aanwezig. U krijgt de groeten van de ganzen.

 

 


De stad en de reigers

Afgelopen week wandelde een blauwe reiger door Twitterland. De aanleiding was een foto die vogelaar Adrie Streefland had geplaatst op de website waarneming.nl; dat is een site waarop alerte vogelaars, wakkere botanici en oplettende entomologen hun waarnemingen wereldkundig maken, bij voorkeur voorzien van een scherpe foto om de accuraatheid van de determinatie te onderstrepen. Bij een blauwe reiger is iedere twijfel over de juiste soortidentificatie voorbarig, maar de foto toonde iets anders. De reiger stond voor de winkelpui van een Amsterdamse snackbar en bestudeerde, althans zo leek het, de daarop aangebrachte menukaart. 10329248Dat is toch wel bijzonder; wat doet zo’n beest daar in die buurt? Waarom staat hij niet naar behoren en conform de voorschriften uit het Handboek Reiger langs een boerensloot om voorntjes en kikkers te vangen?
Het antwoord is simpel: de reiger heeft het urbane milieu ontdekt. Het stikt in Amsterdam van de reigers. En trouwens ook van de duiven, de meeuwen, de halsbandparkieten, gierzwaluwen, nijlganzen, sperwers en af en toe een slechtvalk. Het lijkt warempel wel een natuurgebied! Ik kan u verklappen: het IS een natuurgebied.

Het arctische noorden van Canada is ook een natuurgebied. Daar leven poolvossen en ijsberen en zeehonden, maar geen giraffen, olifanten en apen. Die soorten houden niet van sneeuw en koude. In de oerwouden van Brazilië leven papegaaien, aapjes en toekans, maar geen pinguïns, zeerobben en przewalskipaarden. Die houden weer niet van oerwoud. In ons eigen Groene Hart leven kieviten, zwanen en hopelijk nog wat grutto’s, maar er zijn veel meer soorten die er níet leven dan wel. Maar dat geldt voor ieder ecosysteem, zelfs voor de mondiale biodiversiteits-hotspots. Iedere omgeving is geschikt voor dieren en planten en tegelijkertijd óngeschikt voor nog veel meer soorten. Wat dat betreft is er geen verschil tussen Groenland, een koraalrif of de Veluwe.

Maar de stad dan? Ja maar, zult u roepen, die stad is door mensen gemaakt en het koraalrif niet. Dat klopt natuurlijk, maar je kunt je afvragen of een willekeurige dier- of plantensoort dat onderscheid ook maakt. Ik waag dat te betwijfelen. Ik denk – sterker nog: ik beweer zonder tegenbericht zeker te weten – dat het een koolmees een volstrekte worst zal zijn of hij of zij het nestje maakt in een boomholte in een ongerept loofwoud of in een nestkastje op een balkon in de Watergraafsmeer; en dat het een muurvarentje geen ene zak uitmaakt of hij is ontkiemd op een rotswandje in de Waalse Ardennen of de Beierse Alpen, of op een kademuur in de binnenstad van Haarlem. Een rotswand is een rotswand, geen gezeur daarover.

Iedere willekeurige habitat wordt door diverse soorten als een geschikte leefomgeving herkend en dan kunnen die soorten zich er ook daadwerkelijk vestigen. En zo niet, dan niet. Tant pis. Heel simpel. En laten we eerlijk zijn: ook de veelgeprezen Oostvaardersplassen, de paars bloeiende heidevelden in Drente en het Gooi, en al die weilanden met grutto’s en kieviten zijn ook gewoon door de mens gemaakt, net als het Leidseplein en het Vondelpark. Kortom: kleur de plaatjes en zoek de verschillen. Ik zie ze niet.

(Kenniscafé-column 14 maart 2016; foto credits: Adrie Streefland, via waarneming.nl )

 

 


De anderen (zijn eng!)

Maandag 18 januari was weer het eerste Kenniscafé in De Balie. Thema: De anderen (Les autres, van Sartre, dus). Wij en zij. Dit was mijn slotcolumn:

Je kunt de wereld om je heen alleen maar waarnemen met behulp van je zintuigen: je kunt horen, zien, ruiken, voelen, proeven en af en toe nog wat intuïtiefs hebben. Die zintuigen, die bevinden zich in of aan ons eigen lichaam. Dientengevolge is iedereen het centrum van zijn of haar eigen universum. Dat kan niet anders. Ik sta hier en jullie in de zaal zitten daar. En daar is niet hier. Daar is ergens anders. Het wordt nog ingewikkelder omdat er mensen in verschillende soorten van ‘daar’ zijn: het dichtbije daar zoals de mensen die vanavond in de Balie zitten, het verre daardere daar zoals de mensen die nu in Syrië worden weggebombardeerd, en het volkomen onzichtbare allerdaarste daar zoals de ons onbekende bewoners van een ons onbekend dorpje in de verre binnenlanden van Brazilië. Hoe verder van hier, dus hoe daarder, hoe minder we ermee te maken hebben of willen hebben. Ik ben ik en de anderen zijn de anderen, en hoe verder weg die anderen, hoe groter hun daarheidsfactor en hoe geringer onze betrokkenheid. Het bewijs voor deze stelling zal worden geleverd wanneer er vanavond in deze zaal iemand een hartstilstand krijgt: dan komen we in actie. We bellen de ambulance en gaan reanimeren. Als er vanavond iemand in Kerkrade van zijn stoel valt vinden we dat hooguit zielig – als we het al vernemen (behalve wanneer het toevallig een familielid is) en een hartstilstand in dat Braziliaanse jungledorpje interesseert hier niemand iets. Die mensen zijn het daarst. Je kunt je moeilijk overal om bekommeren.

Behalve de daarheidsfactor speelt een tweede aspect mee: het grot-effect. Daartoe moet ik even gebruik maken van een twijfelachtige truc die biologen en ethologen wel vaker hanteren: we gaan terug naar de savanne waar de mensheid is ontstaan en de grotjes waarin we toen leefden. Op die plek is het wij en zij, het hullie en zullie ontstaan. Wíj wonen in deze grot hier, zullie in die grot daar. En zullie zijn niet te vertrouwen, want ze willen ons eten jatten, onze jachtgronden betreden, onze vrouwen ontvoeren en er daarna nog wat vunzigs mee doen ook. Zullie zijn eng. Die lui in die grot daar kun je maar beter wantrouwen. Dieven zijn het, testosteronbommen. Dat is het grot-effect.

De optelsom van de daarheidsfactor en het grot-effect is het onderwerp van dit Kenniscafé. We zitten ermee opgescheept. Het zit in onze genen. Het is onze biologie. Je kunt er met de beste wil van de wereld niks aan doen. Dat geconstateerd hebbende blijken er drie manieren om ermee om te gaan.

De eerste manier is de fascistische. Die gaat ervan uit dat iedereen die van ‘daaro’ komt, oftewel uit een andere grot dan de onze, onbetrouwbaar is en maar het beste figuurlijk of letterlijk kan worden geëlimineerd. Het resultaat is gesloten grenzen, prikkeldraad, concentratiekampen, landmijnen en een levendige handel in wapentuig om hun uitroeiing te bespoedigen. Niet zo prettig allemaal.

De tweede manier is de socialistische. Die gaat ervan uit dat iedereen gelijk is en dat we iedereen moeten vertrouwen en dat alle mensen onze broeders zijn. Het resultaat is onbezonnenheid en de conclusie dat we best 200.000 vluchtelingen kunnen opvangen. En als er dan nog meer hierheen komen dan is dat ook maar zo en zien we wel weer. Niet zo handig allemaal.

De derde manier is de biologische. Dat is de erkenning dat de daarheidsfactor en het grot-effect reëel bestaande factoren zijn waar je maar beter rekening mee kunt houden, in combinatie met compassie en medemenselijkheid. Maar dat is natuurlijk niet zo eenvoudig. Het lijkt mij een grote uitdaging voor filosofen, wetenschappers, beleidsmakers en politici om hier eens goed over na te denken. De andere twee manieren zijn respectievelijk walgelijk en onwerkbaar, dus veel keus is er niet. De biologie kun je niet zomaar even uitschakelen, dus doe er wat mee.


De Noordpool

Maandag 19 oktober was er een chill Kenniscafé, over een cool onderwerp: de Noordpool. Via de stem van Maarten Keulemans sprak de Noordpool zelve ons eerst toe, en ik mocht weer afsluiten met deze column:

Laat ik maar meteen de flauwe grap maken dat een Noordpool iemand uit Gdansk is en een Zuidpool iemand uit Krakow, dan hebben we dat tenminste gehad. Maar wat is nou eigenlijk wél de Noordpool, die, als we de aankondiging van dit Kenniscafé moeten geloven, zijn einde nadert? Dat laatste valt nog te bezien, het einde van de wereld is ook al diverse keren aangekondigd en weer even vaak opgeschort en van Nietzsche’s aankondiging dat God dood is merken ze in het Midden-Oosten vooralsnog ook niet zoveel.

Het einde van de Noordpool dus, maar er is een heel stel noordpolen, dus welke gaat er dan verdwijnen? De geografische noordpool is niet meer dan een fictief puntje op de kaart, het puntje waarom onze aardbol rondtolt en van waaruit je in alle richtingen om je heen kunt kijken en dat dat altijd naar het zuiden is. De dag duurt er een half jaar, en de nacht ook: het is een horror-scenario voor wie een avondje wil stappen. Maar zolang de aarde blijft tollen zal déze Noordpool niet verdwijnen.

Dan hebben we de magnetische noordpool. Die kan wel degelijk verdwijnen, of liever gezegd, migreren naar de andere kant van de aardbol. Dan wordt de Noordpool de Zuidpool en de Zuidpool de Noordpool en dat betekent dat de magnetische Noordpool bij de Zuidpool ligt en de magnetische Zuidpool bij de Noordpool, als u me nog kunt volgen. Ik weet trouwens niet eens zeker of dat niet gewoon allang het geval is, want het is toch een kwestie van definitie allemaal.

En dan is er het Noordpoolgebied, de Arctis, waarvan je zou denken dat het een continent is, net als de Zuidpool ofwel de Anti-arctis, maar dat is het niet, want eigenlijk is het gewoon een enorme ijsschots die op zee drijft. Die hele ijsschots ‘Noordpool’ noemen is raar, want dan geef je een ijsschots de naam van een puntje op de kaart. Vanavond spraken de verzamelde wetenschappers zelfs over een nog groter gebied, het gehele noordpoolgebied, oftewel alles benoorden de poolcirkel: de Arctis. En daar kan van alles misgaan, die ijsschots kan bijvoorbeeld smelten.

Ik ben er nooit geweest. En ik hoef er ook niet heen. Dat heeft twee redenen. Ten eerste schijnt het verslavend te zijn; als je er eenmaal geweest bent heb je last van het poolvirus en wil je weer terug, en terug, en terug, net zolang tot je als Shackleton of Scott of Nobile of Wegener of honderden minder bekende anderen er simpelweg verdwaalt en doodvriest of door een ijsbeer wordt  opgegeten. Dat is de tweede reden, ik heb geen zin om dood te vriezen of te worden opgegeten.

Nienke Beintema schreef erover in haar leuke boekje ‘De Poolgebieden voor in bed, op het toilet of in bad’. Hadden ze dat maar gehad, die poolreizigers, fijne bedden, werkende toiletten en een warm bad voor het slapen gaan, maar nee hoor, ze gingen er vrijwillig heen en hadden alleen een gierend wegwaaiende tent, doorweekte slaapzakken, ranzige pemmikan om op te kauwen, veel sterke drank, en elkaar. Ik citeer: “’s Nachts lagen de mannen dicht tegen elkaar aan, met hun hoofden helemaal in hun slaapzakken. In een gekmakende halfslaap rilden ze de hele nacht door. Iemand klappertandde zo hard dat hij zijn gebit beschadigde.” Of deze: “Had ik dit moeten doorstaan voor een grof misdrijf, was dit een strenge straf geweest. Nooit zou een dominee de hel zo beschrijven, want dit was erger.” Ene Lawrence Oates leed zo van de kou dat hij er een eind aan maakte met de woorden: “Ik ga even naar buiten, en het kan wel even duren.” Hij werd nooit meer waargenomen.

Door die ontoegankelijkheid moeten we dit gebied juist koesteren. Dat kan het beste door er nooit naartoe te gaan. Laat het lekker koud liggen wezen, laat het eenzaam en desolaat en donker blijven, wat hebben we te zoeken in die ongerepte leegte? Laat de ijsberen met rust, en de olie en het gas ook. En laat het vooral maagdelijk blijven, ik bedoel: een boortoren van Shell in de ongerepte Arctis is toch net zoiets als Kees van Kooten’s Vieze Man die zich aan uw 14-jarige dochter vergrijpt?