Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


De anderen (zijn eng!)

Maandag 18 januari was weer het eerste Kenniscafé in De Balie. Thema: De anderen (Les autres, van Sartre, dus). Wij en zij. Dit was mijn slotcolumn:

Je kunt de wereld om je heen alleen maar waarnemen met behulp van je zintuigen: je kunt horen, zien, ruiken, voelen, proeven en af en toe nog wat intuïtiefs hebben. Die zintuigen, die bevinden zich in of aan ons eigen lichaam. Dientengevolge is iedereen het centrum van zijn of haar eigen universum. Dat kan niet anders. Ik sta hier en jullie in de zaal zitten daar. En daar is niet hier. Daar is ergens anders. Het wordt nog ingewikkelder omdat er mensen in verschillende soorten van ‘daar’ zijn: het dichtbije daar zoals de mensen die vanavond in de Balie zitten, het verre daardere daar zoals de mensen die nu in Syrië worden weggebombardeerd, en het volkomen onzichtbare allerdaarste daar zoals de ons onbekende bewoners van een ons onbekend dorpje in de verre binnenlanden van Brazilië. Hoe verder van hier, dus hoe daarder, hoe minder we ermee te maken hebben of willen hebben. Ik ben ik en de anderen zijn de anderen, en hoe verder weg die anderen, hoe groter hun daarheidsfactor en hoe geringer onze betrokkenheid. Het bewijs voor deze stelling zal worden geleverd wanneer er vanavond in deze zaal iemand een hartstilstand krijgt: dan komen we in actie. We bellen de ambulance en gaan reanimeren. Als er vanavond iemand in Kerkrade van zijn stoel valt vinden we dat hooguit zielig – als we het al vernemen (behalve wanneer het toevallig een familielid is) en een hartstilstand in dat Braziliaanse jungledorpje interesseert hier niemand iets. Die mensen zijn het daarst. Je kunt je moeilijk overal om bekommeren.

Behalve de daarheidsfactor speelt een tweede aspect mee: het grot-effect. Daartoe moet ik even gebruik maken van een twijfelachtige truc die biologen en ethologen wel vaker hanteren: we gaan terug naar de savanne waar de mensheid is ontstaan en de grotjes waarin we toen leefden. Op die plek is het wij en zij, het hullie en zullie ontstaan. Wíj wonen in deze grot hier, zullie in die grot daar. En zullie zijn niet te vertrouwen, want ze willen ons eten jatten, onze jachtgronden betreden, onze vrouwen ontvoeren en er daarna nog wat vunzigs mee doen ook. Zullie zijn eng. Die lui in die grot daar kun je maar beter wantrouwen. Dieven zijn het, testosteronbommen. Dat is het grot-effect.

De optelsom van de daarheidsfactor en het grot-effect is het onderwerp van dit Kenniscafé. We zitten ermee opgescheept. Het zit in onze genen. Het is onze biologie. Je kunt er met de beste wil van de wereld niks aan doen. Dat geconstateerd hebbende blijken er drie manieren om ermee om te gaan.

De eerste manier is de fascistische. Die gaat ervan uit dat iedereen die van ‘daaro’ komt, oftewel uit een andere grot dan de onze, onbetrouwbaar is en maar het beste figuurlijk of letterlijk kan worden geëlimineerd. Het resultaat is gesloten grenzen, prikkeldraad, concentratiekampen, landmijnen en een levendige handel in wapentuig om hun uitroeiing te bespoedigen. Niet zo prettig allemaal.

De tweede manier is de socialistische. Die gaat ervan uit dat iedereen gelijk is en dat we iedereen moeten vertrouwen en dat alle mensen onze broeders zijn. Het resultaat is onbezonnenheid en de conclusie dat we best 200.000 vluchtelingen kunnen opvangen. En als er dan nog meer hierheen komen dan is dat ook maar zo en zien we wel weer. Niet zo handig allemaal.

De derde manier is de biologische. Dat is de erkenning dat de daarheidsfactor en het grot-effect reëel bestaande factoren zijn waar je maar beter rekening mee kunt houden, in combinatie met compassie en medemenselijkheid. Maar dat is natuurlijk niet zo eenvoudig. Het lijkt mij een grote uitdaging voor filosofen, wetenschappers, beleidsmakers en politici om hier eens goed over na te denken. De andere twee manieren zijn respectievelijk walgelijk en onwerkbaar, dus veel keus is er niet. De biologie kun je niet zomaar even uitschakelen, dus doe er wat mee.

Advertenties


De Noordpool

Maandag 19 oktober was er een chill Kenniscafé, over een cool onderwerp: de Noordpool. Via de stem van Maarten Keulemans sprak de Noordpool zelve ons eerst toe, en ik mocht weer afsluiten met deze column:

Laat ik maar meteen de flauwe grap maken dat een Noordpool iemand uit Gdansk is en een Zuidpool iemand uit Krakow, dan hebben we dat tenminste gehad. Maar wat is nou eigenlijk wél de Noordpool, die, als we de aankondiging van dit Kenniscafé moeten geloven, zijn einde nadert? Dat laatste valt nog te bezien, het einde van de wereld is ook al diverse keren aangekondigd en weer even vaak opgeschort en van Nietzsche’s aankondiging dat God dood is merken ze in het Midden-Oosten vooralsnog ook niet zoveel.

Het einde van de Noordpool dus, maar er is een heel stel noordpolen, dus welke gaat er dan verdwijnen? De geografische noordpool is niet meer dan een fictief puntje op de kaart, het puntje waarom onze aardbol rondtolt en van waaruit je in alle richtingen om je heen kunt kijken en dat dat altijd naar het zuiden is. De dag duurt er een half jaar, en de nacht ook: het is een horror-scenario voor wie een avondje wil stappen. Maar zolang de aarde blijft tollen zal déze Noordpool niet verdwijnen.

Dan hebben we de magnetische noordpool. Die kan wel degelijk verdwijnen, of liever gezegd, migreren naar de andere kant van de aardbol. Dan wordt de Noordpool de Zuidpool en de Zuidpool de Noordpool en dat betekent dat de magnetische Noordpool bij de Zuidpool ligt en de magnetische Zuidpool bij de Noordpool, als u me nog kunt volgen. Ik weet trouwens niet eens zeker of dat niet gewoon allang het geval is, want het is toch een kwestie van definitie allemaal.

En dan is er het Noordpoolgebied, de Arctis, waarvan je zou denken dat het een continent is, net als de Zuidpool ofwel de Anti-arctis, maar dat is het niet, want eigenlijk is het gewoon een enorme ijsschots die op zee drijft. Die hele ijsschots ‘Noordpool’ noemen is raar, want dan geef je een ijsschots de naam van een puntje op de kaart. Vanavond spraken de verzamelde wetenschappers zelfs over een nog groter gebied, het gehele noordpoolgebied, oftewel alles benoorden de poolcirkel: de Arctis. En daar kan van alles misgaan, die ijsschots kan bijvoorbeeld smelten.

Ik ben er nooit geweest. En ik hoef er ook niet heen. Dat heeft twee redenen. Ten eerste schijnt het verslavend te zijn; als je er eenmaal geweest bent heb je last van het poolvirus en wil je weer terug, en terug, en terug, net zolang tot je als Shackleton of Scott of Nobile of Wegener of honderden minder bekende anderen er simpelweg verdwaalt en doodvriest of door een ijsbeer wordt  opgegeten. Dat is de tweede reden, ik heb geen zin om dood te vriezen of te worden opgegeten.

Nienke Beintema schreef erover in haar leuke boekje ‘De Poolgebieden voor in bed, op het toilet of in bad’. Hadden ze dat maar gehad, die poolreizigers, fijne bedden, werkende toiletten en een warm bad voor het slapen gaan, maar nee hoor, ze gingen er vrijwillig heen en hadden alleen een gierend wegwaaiende tent, doorweekte slaapzakken, ranzige pemmikan om op te kauwen, veel sterke drank, en elkaar. Ik citeer: “’s Nachts lagen de mannen dicht tegen elkaar aan, met hun hoofden helemaal in hun slaapzakken. In een gekmakende halfslaap rilden ze de hele nacht door. Iemand klappertandde zo hard dat hij zijn gebit beschadigde.” Of deze: “Had ik dit moeten doorstaan voor een grof misdrijf, was dit een strenge straf geweest. Nooit zou een dominee de hel zo beschrijven, want dit was erger.” Ene Lawrence Oates leed zo van de kou dat hij er een eind aan maakte met de woorden: “Ik ga even naar buiten, en het kan wel even duren.” Hij werd nooit meer waargenomen.

Door die ontoegankelijkheid moeten we dit gebied juist koesteren. Dat kan het beste door er nooit naartoe te gaan. Laat het lekker koud liggen wezen, laat het eenzaam en desolaat en donker blijven, wat hebben we te zoeken in die ongerepte leegte? Laat de ijsberen met rust, en de olie en het gas ook. En laat het vooral maagdelijk blijven, ik bedoel: een boortoren van Shell in de ongerepte Arctis is toch net zoiets als Kees van Kooten’s Vieze Man die zich aan uw 14-jarige dochter vergrijpt?


Vrouwen in de wetenschap

Op de dag dat bekend werd dat NWO bij de toekenning van subsidiegelden discrimineert, hield het Volkskrant Kenniscafé in De Balie zich precies met dát onderwerp bezig. Wetenschap en vrouwen. Drie vrouwelijke hoogleraren bevolkten het podium om met Martijn van Calmthout en het publiek van gedachten te wisselen over het wat en waarom. Na afloop was daar weer mijn column:

“Zo, dames, daar sta ik dan, uw columnist van dienst, die dit verbale divertissement als ludieke hobby uitoefent naast een serieus parttime hoogleraarschap in Utrecht. Ik citeer maar meteen de meest cruciale zin op de website van De Balie bij de aankondiging van deze avond: ‘Bij het woord hoogleraren denken de meesten aan een wat oudere witte man.’ Einde citaat. Het is de sleutelzin van deze avond. De samenvatting van het probleem, als het een probleem is. En daar sta ik dan, een wat oudere witte man. U zult begrijpen dat het me vanuit deze negatief gepredetermineerde hoedanigheid niet meer zal lukken om nu netjes politiek correcte dingen te vertellen. Dat ga ik dan ook niet proberen. Iets incorrects dan maar, want de rest van vanavond was daar een lichte vorm van gebrek aan.

Drie weken gelden ving ook bij ons in Utrecht het academisch jaar aan. Honderden eerstejaars overspoelden de campus in De Uithof om visueel alvast een idee te verschaffen van de twee weken later losbarstende vluchtelingenstroom. Het was een tsunami van jongelui, maar terwijl de grenzen van Hongarije en Oostenrijk worden bestormd door een populatie die voor 95% uit jonge mannen bestaat, werden wij (welhaast ter compensatie) overspoeld door vrouwen. Een vloedgolf van 19-jarige dames. Waarschijnlijk ook 95%, hoewel ik geen dubbelblinde steekproef heb genomen om dat te checken. Af en toe liep er een ietwat verdwaald kijkende jongen tussen. Dit alles is een interessante constatering, want de vraag is actueel wat deze zwerm feminiene intelligentsia over vijf jaar doet. Beginnen ze dan massaal aan een proefschrift? En over negen jaar aan hun eerste post-doc-positie? En dan over twaalf jaar een Veni-beurs, gevolg door een Vidi, een Vici en een hoogleraarschap? Of is die hele bijenzwerm die nu zo gezellig facebookend en whatsappend over de brede trottoirs van de Heidelberglaan dartelt, dan vervangen door – u raadt het al – een groep oudere witte mannen? Die kans lijkt me niet gering. En de vraag is dus: hoe komt dat toch?

Het intuïtieve antwoord is: ik heb geen idee. Keine blasse Ahnung. Je kunt van alles verzinnen, van glazen plafonds tot genderdiscriminerende ouderschapsverlofregelingen, van hormonaal bepaalde verzorgingsdriften tot een vrouwelijk gebrek aan testosterongestuurde geldingsdrang; verzin het maar. Plausibeler lijkt me dit: het kind in de mens. Het kind in ons dat met het klimmen der jaren verdwijnt. En dat dat bij vrouwen sneller en effectiever gebeurt dan bij mannen, dat verdwijnen. Mannen, zo zeggen veel vrouwen, blijven altijd kinderen. Dom, roekeloos, blind voor gevaar, infantiel, gefocust op autootjes en treintjes en vliegtuigjes, op klooien met raar gereedschap en dom zitten geiten met vrienden in een kroeg. Nooit volwassen geworden, die kerels.

Kinderen daarentegen vinden we leuk. Kinderen zijn nieuwsgierig, van nature, uit de aard van hun kind-zijn. Kinderen zitten de godganse dag te onderzoeken, als ze heel klein zijn steken ze van alles in hun mond en als ze wat groter worden stellen ze de meest idiote vragen (waarom is het water nat? waarom vallen de vogels niet naar beneden? waarom is die meneer zo bruin?). Als ze nog groter zijn nemen ze rare risico’s met scheikundedozen, opgevoerde bromfietsen en koffieshops. Kinderen willen experimenteren, grenzen verleggen, vragen beantwoorden. Kinderen, kortom, zijn wetenschappers, want experimenteren, grenzen verleggen en vragen beantwoorden is nou precies wat wetenschap behelst. Meisjes en vrouwen hebben eerder dan jongens of mannen de neiging om serieus te worden. Het kind in de mens is er eerder verdwenen. Mannen blijven langer kind, ze zijn gewoon infantieler. En daarom vaker wetenschappers.”


De kick van het heelal

Maandag 18 mei was er weer een Kenniscafé in De Balie met (o.a.) André Kuipers, over  – uiteraard – het heelal. Een onderwerp dat als een zwart gat aandacht, interesse en geld aanzuigt, en terecht. Hier mijn slotcolumn:

Het heelal is onmetelijk. En vooral: onbegrijpelijk voor gewone zielen als u en ik, op een doodenkele uitzondering na, zoals Stephen Hawking of Robbert Dijkgraaf – en eerlijk gezegd zou je je kunnen afvragen of deze wetenschappers het zelf wel helemaal snappen. Alleen al ogenschijnlijk simpele begrippen als de Big Bang, of de vraag of er maar één universum is of dat er wellicht een heleboel universums zijn (een multiversum) worden verschillend geïnterpreteerd en uitgelegd. Ik weet dat je er het normale denkpatroon niet op los kunt laten, net als dat geldt voor het allerkleinste, waar bijvoorbeeld een elektron ergens is en tegelijkertijd niet is en geen deeltje is en geen golf maar deeltje en golf tegelijk, of beter: het deeltje openbaart zich als de kans dat je het aantreft en is pas aanwezig als je het waarneemt en anders niet. Kunt u mij nog volgen? Lees anders maar Martijn van Calmthouts Echt Quantum, voor een paar van zulke overwegingen die de bochten in je prefrontale cortex in wanhoop nog wat extra laten kronkelen.

Zulke letterlijke hersengymnastiek biedt ook het heelal. Ik heb intussen begrepen dat je niet behoort te vragen wat er vóór de Big Bang was, zoals je ook niet kunt vragen wat zich ten Noorden van de Noordpool bevindt. Niks namelijk. Dat zou ook betekenen dat de grens van het heelal, die feitelijk hetzelfde is als de Big Bang, geen grens is met iets wat zich daarachter bevindt, omdat zich daar niks achter kán bevinden. Omdat er niks vóór de Big Bang is, behalve natuurlijk als je ervan uitgaat dat er helemaal geen Big Bang was. Dit alles leidt tot drie constateringen. De eerste is dat er een niet onaanzienlijk aantal astronomen bestaat die het hele Big Bang concept onzin vinden. Onze eigen professor Erik Verlinde bijvoorbeeld. De tweede is dat er, indien er niks voorbij de rand van het heelal is, er ook geen andere heelallen kunnen bestaan en dus ook geen multiversum. Je moet je dus kunnen voorstellen dat iets er niet is dat er wel is, als u begrijpt wat ik bedoel.

De derde constatering werd ooit gedaan door de Franse filosoof Jean-Claude Carrière. Hij schreef dat als je goed gaat nadenken over de onmetelijkheid en onbegrijpelijkheid van het heelal, je onmiddellijk ophoudt je ooit nog te scheren. Dat is een interessante gedachte. Het illustreert op schitterende wijze onze onmetelijke nietigheid, en de zinloosheid van het bestaan en het leven. Een andere wijsgeer merkte op dat het leven niet meer is dan een ultrakorte lichtflits temidden van de oneindige duisternis die eraan voorafgaat en er op volgt. Zo bezien is het heelal een tomeloze leegte waarin een eeuwige duisternis heerst. Af en toe borrelt er een sterrennevel, ontploft er een supernova, soms implodeert een ster, knalt er een meteoriet op een planeet of kruipt er een kuiken uit een ei. Of scheert iemand zich. Dat is alles. Duisternis. Stilte. Kou. Hitte. Leegte.

En temidden van al die niksigheid draait een piepklein miniplaneetje zijn rondjes om een middelmatig grote ster, en op dat klontje is ooit leven ontstaan, eerst eencellig en toen meercellig en toen intelligent en dat heeft er toe geleid dat er vanavond een honderdzeventigtal mensen in een zaaltje zit te luisteren naar de avonturen van een astronaut. Zowel die mensen als die astronaut als zelfs het hele zaaltje bestaan uit atomen die meer dan 13 miljard jaar geleden zijn ontstaan en die nu hééél even hééél toevallig zijn samengekomen in de vorm van die handvol mensen, en over honderd jaren zijn al die atomen die ons nu vormen weer opgenomen in die planeet of de atmosfeer en een deel is zelfs het heelal ingedampt, voor eeuwig op weg naar nergens.

Maar bij de pakken gaan neerzitten helpt ons zeker niet verder, dus ik ga me morgen toch maar gewoon scheren.

 


De overeenkomst tussen fijnstof en een ijsberg

Op 20 april was er weer een Kenniscafé, dit keer over fijnstof.

Fijnstof is een verzamelwoord voor allerhande partikeltjes die in de lucht zweven en die we inademen terwijl we het niet kunnen zien. Het is net gas, maar dan toch een vaste stof. Vast gas. Soms vindt men het fijn, dat fijnstof. Miljoenen mensen zijn volledig verslaafd aan het inademen ervan. We noemen ze rokers. Al vele decennia weten we dat deze vorm van fijnstofinademing funest is voor het welbevinden, maar dankzij vilein lobbywerk van de fabrikanten van de fijnstofproducerende genotsartikelen heeft het lang geduurd voordat het roken aan banden werd gelegd. Nu kun je van een kettingroker nog zeggen ‘eigen schuld, dikke bult’, maar voor de onvrijwillig meerokende omstanders gaat die vlieger niet op. Die kon wel aan het vaste gas.

Dat onzichtbare, dat is het grootste probleem. Gevaren die je kunt zien, zijn overzichtelijk, die snapt een mens. Een spookrijder, een salafist met een kalashnikov, een ijsberg voor de boeg van de Titanic of een ratelslang in Arizona zijn levensgevaarlijk, dat kun je zien. Daar valt niets te ontkennen.

En daar hebben we meteen de twee grootste problemen van het fijnstof te pakken: de onzichtbaarheid en de ontkenning. De onzichtbaarheid is een kenmerk van het ware gevaar. Dwarrelende asbestvezeltjes waar je een nare kanker van krijgt zijn onzichtbaar. UV-straling waar je huid van naar de knoppen gaat en radioactieve straling waarvan kikkers zes poten krijgen onttrekken zich aan simpele waarneming met het blote oog. De nieuwste loot aan deze stam zijn de neonicotinoïden. Het risico is dan een wat-niet-weet-wat-niet-deert reactie. Je gaat tenslotte niet acuut dood aan het verzagen van een eternieten golfplaatdak of van het eten van een maiskolf met neonico’s.

En dan is er de ontkenning. Hoezo is roken gevaarlijk? De tabakslobby heeft harde onderzoeksresultaten tientallen jaren afgedaan als onbewezen lariekoek. Exact dezelfde reactie stond onlangs in de krant over dat bijengif: Bayer beweerde glashard dat al die insecten en vogeltjes best aan iets anders dan de neonico’s kunnen zijn doodgegaan. Van asbest was al in 1931 bekend dat het gevaarlijk was, in 1969 promoveerde een Nederlandse arts op het grote gevaar van asbest. Dat leidde tot een verbod op het gebruik van asbest in – hou je vast bij deze snelheid – 1993, een kwart eeuw later. Er zijn over geringere schandalen parlementaire enquêtes gehouden.

Er is nog een derde probleem: de verhyping. Die leidt daarna weer tot bagatellisering. De verhyping is dat iets een hype wordt en dat dan later blijkt dat het een stormpje in een glas water was. In de jaren zeventig was het einde der wereld nabij door de zure regen en het Waldsterben. Met foto’s van een paar dode Tjechische bomen die pal naast een vuilverbranding stonden werd ons flink schrik aangejaagd. Uiteindelijk war das Wald gar nicht gestorben, en de milieubeweging meteen belachelijk gemaakt. Hypes komen en gaan weer, op de golven van de media-aandacht. Het is net als met de zogenoemde modeziekten, die je ziet komen en gaan met het redactiebeleid van Libelle en Margriet: bekkeninstabiliteit bij zwangeren, de whiplash van automobilisten zonder goede hoofdsteun; en ook over ADHD, ik voorspel het u, heeft over vijf jaar niemand het meer.

Met dat jammer genoeg onzichtbare fijnstof kan het in theorie nog alle kanten op gaan. Maar gelukkig produceren Bayer of Philip Morris het niet en valt er voor de industrie dus weinig te bagatelliseren. En gelukkig is het meer een onderwerp voor de gewone krant dan voor de damesbladen en zal het probleem niet als een hype weer uitdoven. Fijnstof, dat vaste gas, is echt die ijsberg waar de Titanic op afstoomt, en wij: wij moeten voorkomen dat wij het orkest worden dat dan vrolijk doorspeelt.


Floppy disk

Vorige week vond ik in een la een floppy disk, zo’ n 5¼ inch geval waar nog maar kort geleden iedereen mee werkte. Er kon naar huidige maatstaven uiterst weinig informatie op, maar destijds was het voldoende. Ik wilde het bestand (iets over een collectie fossiele vogelbotjes) dat er op stond bekijken. Ha! Vergeet het maar. De gemiddelde moderne computer, zeker model laptop, heeft geen gleuf voor zulke antiquiteiten, ook niet voor de 3½ inch diskette en vaak niet eens meer voor een CDrom. Een zoektocht begon naar iemand die zo’n Pleistoceen schijfje nog kan hanteren. Dat is gelukt, maar het voorval deed me de Kenniscolumn herinneren van november 2014. Die wordt nu hierbij vrijgegeven – en geplaatst in de cloud (die over 20 jaar ook niemand meer kan betreden).

DE INFORMATIEPARADOX

Wanneer informatie ergens tussen zender en ontvangers niet wordt vastgelegd is het zo vergankelijk als een versgeplukte klaproos. Een gesproken boodschap vervliegt in de ruimte, hij bevat wel informatie maar die blijft niet raadpleegbaar. Informatie, vooral als die bestemd is voor een heleboel ontvangers, moet worden vastgelegd op een medium om op meerdere momenten, vaak veel later, te kunnen worden geraadpleegd. Zo’n medium kan zijn een drukwerk, een geluidsopname, een DVD of CDrom, name it. In de loop van de eeuwen is de aard van de informatie niet wezenlijk veranderd: het gaat om de prijs van goederen, om iemands opvattingen of om het tijdstip van een geplande gebeurtenis. Wat dat betreft is er weinig verschil tussen informatie in het oude Mesopotamië of die in het moderne businesspark. Wat wel verschilt tussen toen en nu zijn de hoeveelheid informatie en de gebruikte opslagmedia. En daarbij ontwaren we een interessante paradox: hoe groter de hoeveelheid informatie, hoe vergankelijker het gebruikte medium.

Laten we dat eens geschiedkundig analyseren. In het oude Babylon was er weinig dat men voor het nageslacht bewaarde. Het ging om eenvoudige handelsinformatie of om lofzangen op de plaatselijke potentaat. Het werd in spijkerschrift op kleitabletten vastgebakken en is nog steeds leesbaar. Ook de slechts tien geboden die Mozes op zijn berg ontving, waren in twee grote stenen tafelen gehouwen en zijn na millennia nog prima leesbaar – hoewel de originele platen zoek schijnen te zijn. In de Middeleeuwen werd er al meer opgeschreven. Daartoe had men het perkament uitgevonden. Na zes, zeven, acht eeuwen zijn dergelijke perkamenten nog prima leesbaar, hoewel al vergankelijker dan steen of gebakken klei. Toen vond men de boekdrukkunst uit. Dat was zo succesvol dat perkament niet meer voldeed en men overging op papier. Dankzij de moderne techniek van het letterzetten nam de informatiehoeveelheid enorm toe, maar papier is vergankelijker dan perkament, boekenwurmen lusten er wel pap van. Evengoed was het papier destijds was prima kwaliteit. Dat veranderde in de negentiende eeuw, toen de industriële revolutie voor een verdergaande mechanisering zorgde en de papierkwaliteit steeds abominabeler werd. Veel drukwerk vergaat bij simpele aanraking tot kruimels. Weg papier, en erger: weg informatie. Intussen is het papier als informatiedrager van Big Data grotendeels vervangen door geavanceerdere opslagmiddelen. In steeds sneller opeenvolging was daar de ponskaart, de brede magneetband, het cassettebandje, de 5¼ inch floppy disk en de 3½ inch diskette, toen de CDrom en de DVD en nu is er de USB-stick.

Bij elke innovatie nam de opslagcapaciteit toe, maar wat ook toenam was de beperkte levensduur van de drager én van het apparaat dat nodig is om de drager te kunnen uitlezen. Wie heeft nog een apparaat in huis dat magneetbanden aankan? Of waar je een floppy, een diskette of zelfs een CDrom in kan steken? Nog een paar jaar en ook de USB-gleuf is historie. Dan zit alles in de cloud. Dodecaziljarden terabytes zitten dan in een virtuele wolk die gehuisvest is in een bunker bij Delfzijl. U hoopt dat alles daar tot in de eeuwigheid blijft zitten. Ik garandeer u: dat is een illusie. Eén flinke explosie van een zonnevlek of een nabije supernova, danwel een goedgemikte neutronenbom van het kalifaat en alles is tot neutrino’s verdampt, een wolk van verdwenen data. Dat is wat ik de informatieparadox noem: hoe groter de hoeveelheid data, hoe vergankelijker het medium. In de 22e eeuw zijn straks alleen de Mesopotamische kleitabletten nog te lezen, alsmede die twee aanrechtbladen waarmee Mozes van de berg afdaalde, vermits we ze terugvinden. De rest is verdampte geschiedenis en of we het zullen missen zal de toekomst uitwijzen.


De evolutie van de drone

Het Kenniscafé op 16 februari ging over drones. Over de techniek, de mogelijkheden, de risico’s. Mijn column ging over de vraag: Waar horen drones evolutionair gezien?

Wat een drone technisch is weten we nu, een robot die kan vliegen. Wat het met ons doet begrijpen we ook wel een beetje. Maar hoe is de drone biologisch te duiden? Waar ergens hangt de drone aan een tak van de stamboom van het leven? Niet bij de insecten, dat mag duidelijk zijn, ondanks de naam drone, wat gewoon Engels is voor dar, die nutteloze en slechts op een snelle wip beluste mannelijke bij. De drone hoort in elk geval tot de gewervelde dieren, want de mate van intelligentie die het apparaatje bezit, komt alleen bij de dieren met hersenen en een ruggenmerg voor.

Binnen de grote groep van de gewervelde dieren is het vliegen als vaardigheid minstens driemaal geheel onafhankelijk ontstaan. In de Jura- en Krijttijdperken vlogen pterosauriërs door het zwerk. Terwijl op land de dinosaurus rondslenterde en de zee door loom rondzwemmende ammonieten werd bevolkt, fladderden de ptero’s met vaak metersgrote vleugels door het luchtruim. Min of meer tegelijkertijd ontstonden de vogels, eerst Archaeopteryx en daarna de rest, van kanarie tot kolibrie en van struis (die het vliegen verleerde) tot sijs. Een tijdje later gingen ook de zoogdieren zich met de vliegkunst bemoeien en weldra trokken de eerste vleermuizen hun nogal ongecoördineerde baantjes door de avondlucht.

En de mens zag dat alles aan en was jaloers. De mens wilde ook gaan vliegen. Eerst was dat Icarus, die met zijn vader een luchtreis maakte en daarbij te dicht bij de zon kwam, waardoor de techniek faalde en hij roemloos ter aarde stortte. De volgende was Leonardo da Vinci, die de helicopter uitvond maar die ook zo slim was om het bij een ontwerptekening te laten en het echte vliegen uit zijn hoofd zette. Daarna kwamen eerst de gebroeders Montgolfier die de luchtballon uitvonden (die in het Frans daarom nog altijd een montgolfière heet), en vervolgens de echte vliegtuigjes van de gebroeders Wright, Charles Lindbergh en Anthonie Fokker. Nu zijn er de Airbus en de JSF. Er is nog wel één minpuntje: de mens vliegt weliswaar, maar niet zelf. De mens láát zich vliegen, door een bulderende contraptie.

Intussen is de evolutie zo ver gevorderd dat de mens voor een deel bionisch is geworden. Met roestvrijstalen heupgewrichten, porseleinen gebitten, pacemakers en cochlear implants zijn we aardig op weg om volledig tot Homo artificialis te degenereren. Onze zintuigen hebben we kunnen verbeteren met verrekijkers, microscopen, infraroodsensoren, de hubble-telescoop, satelliet-fotografie en afluistermicrofoontjes in kruiskopschroeven aan de muur van Huis ten Bosch. Maar we konden nog altijd niet zelfstandig vliegen. Tot men de drone uitvond. De drone is het bionische menselijk lichaam met vleugels eraan. Alle ledematen die we kunnen missen zijn eraf gehaald. Armen en benen hebben we niet nodig – ik bedoel, ze zijn handig maar voor het functioneren van hart en brein zijn ze nutteloos. Een mens zonder ledematen is weliswaar een beetje onhandig maar kan wel muziek componeren, boeken lezen, zijn schoonmoeder haten of een glas whisky drinken, dat laatste dan wel met een rietje. Je hebt een hart nodig, longen, een brein en een aantal zintuigen. That’s all. Dat hart kun je vervangen door een batterij, het brein door een computerchip, de zintuigen door een camera en een goede microfoon en wat je dan overhoudt is een robot. Zet er dan een paar vleugels aan of een aantal hefschroeven en de drone is geëvolueerd. De drone is de bionische mens zonder ledematen, maar met zintuigen, een accu en een paar propellers.

Zoals de pterosaurus een hoger ontwikkelingsstadium voorstelt van de hagedis, de vleermuis een doorgeëvolueerde mol is en de buizerd een dinosaurus 2.0, zo is de drone de mens van de toekomst. Met alle risico’s van dien. Wie ooit de film A Magic Bush van South Park heeft gezien weet wat ik bedoel. Daarin gaan de drones een eigen leven leiden, met hun eigen belangen en intriges en hun eigen seksuele aandriften. Het is nog maar de vraag of die evolutie nog kan worden gestopt. Wordt vervolgd.