Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Vrouwen in de wetenschap

Op de dag dat bekend werd dat NWO bij de toekenning van subsidiegelden discrimineert, hield het Volkskrant Kenniscafé in De Balie zich precies met dát onderwerp bezig. Wetenschap en vrouwen. Drie vrouwelijke hoogleraren bevolkten het podium om met Martijn van Calmthout en het publiek van gedachten te wisselen over het wat en waarom. Na afloop was daar weer mijn column:

“Zo, dames, daar sta ik dan, uw columnist van dienst, die dit verbale divertissement als ludieke hobby uitoefent naast een serieus parttime hoogleraarschap in Utrecht. Ik citeer maar meteen de meest cruciale zin op de website van De Balie bij de aankondiging van deze avond: ‘Bij het woord hoogleraren denken de meesten aan een wat oudere witte man.’ Einde citaat. Het is de sleutelzin van deze avond. De samenvatting van het probleem, als het een probleem is. En daar sta ik dan, een wat oudere witte man. U zult begrijpen dat het me vanuit deze negatief gepredetermineerde hoedanigheid niet meer zal lukken om nu netjes politiek correcte dingen te vertellen. Dat ga ik dan ook niet proberen. Iets incorrects dan maar, want de rest van vanavond was daar een lichte vorm van gebrek aan.

Drie weken gelden ving ook bij ons in Utrecht het academisch jaar aan. Honderden eerstejaars overspoelden de campus in De Uithof om visueel alvast een idee te verschaffen van de twee weken later losbarstende vluchtelingenstroom. Het was een tsunami van jongelui, maar terwijl de grenzen van Hongarije en Oostenrijk worden bestormd door een populatie die voor 95% uit jonge mannen bestaat, werden wij (welhaast ter compensatie) overspoeld door vrouwen. Een vloedgolf van 19-jarige dames. Waarschijnlijk ook 95%, hoewel ik geen dubbelblinde steekproef heb genomen om dat te checken. Af en toe liep er een ietwat verdwaald kijkende jongen tussen. Dit alles is een interessante constatering, want de vraag is actueel wat deze zwerm feminiene intelligentsia over vijf jaar doet. Beginnen ze dan massaal aan een proefschrift? En over negen jaar aan hun eerste post-doc-positie? En dan over twaalf jaar een Veni-beurs, gevolg door een Vidi, een Vici en een hoogleraarschap? Of is die hele bijenzwerm die nu zo gezellig facebookend en whatsappend over de brede trottoirs van de Heidelberglaan dartelt, dan vervangen door – u raadt het al – een groep oudere witte mannen? Die kans lijkt me niet gering. En de vraag is dus: hoe komt dat toch?

Het intuïtieve antwoord is: ik heb geen idee. Keine blasse Ahnung. Je kunt van alles verzinnen, van glazen plafonds tot genderdiscriminerende ouderschapsverlofregelingen, van hormonaal bepaalde verzorgingsdriften tot een vrouwelijk gebrek aan testosterongestuurde geldingsdrang; verzin het maar. Plausibeler lijkt me dit: het kind in de mens. Het kind in ons dat met het klimmen der jaren verdwijnt. En dat dat bij vrouwen sneller en effectiever gebeurt dan bij mannen, dat verdwijnen. Mannen, zo zeggen veel vrouwen, blijven altijd kinderen. Dom, roekeloos, blind voor gevaar, infantiel, gefocust op autootjes en treintjes en vliegtuigjes, op klooien met raar gereedschap en dom zitten geiten met vrienden in een kroeg. Nooit volwassen geworden, die kerels.

Kinderen daarentegen vinden we leuk. Kinderen zijn nieuwsgierig, van nature, uit de aard van hun kind-zijn. Kinderen zitten de godganse dag te onderzoeken, als ze heel klein zijn steken ze van alles in hun mond en als ze wat groter worden stellen ze de meest idiote vragen (waarom is het water nat? waarom vallen de vogels niet naar beneden? waarom is die meneer zo bruin?). Als ze nog groter zijn nemen ze rare risico’s met scheikundedozen, opgevoerde bromfietsen en koffieshops. Kinderen willen experimenteren, grenzen verleggen, vragen beantwoorden. Kinderen, kortom, zijn wetenschappers, want experimenteren, grenzen verleggen en vragen beantwoorden is nou precies wat wetenschap behelst. Meisjes en vrouwen hebben eerder dan jongens of mannen de neiging om serieus te worden. Het kind in de mens is er eerder verdwenen. Mannen blijven langer kind, ze zijn gewoon infantieler. En daarom vaker wetenschappers.”

Advertenties


De kick van het heelal

Maandag 18 mei was er weer een Kenniscafé in De Balie met (o.a.) André Kuipers, over  – uiteraard – het heelal. Een onderwerp dat als een zwart gat aandacht, interesse en geld aanzuigt, en terecht. Hier mijn slotcolumn:

Het heelal is onmetelijk. En vooral: onbegrijpelijk voor gewone zielen als u en ik, op een doodenkele uitzondering na, zoals Stephen Hawking of Robbert Dijkgraaf – en eerlijk gezegd zou je je kunnen afvragen of deze wetenschappers het zelf wel helemaal snappen. Alleen al ogenschijnlijk simpele begrippen als de Big Bang, of de vraag of er maar één universum is of dat er wellicht een heleboel universums zijn (een multiversum) worden verschillend geïnterpreteerd en uitgelegd. Ik weet dat je er het normale denkpatroon niet op los kunt laten, net als dat geldt voor het allerkleinste, waar bijvoorbeeld een elektron ergens is en tegelijkertijd niet is en geen deeltje is en geen golf maar deeltje en golf tegelijk, of beter: het deeltje openbaart zich als de kans dat je het aantreft en is pas aanwezig als je het waarneemt en anders niet. Kunt u mij nog volgen? Lees anders maar Martijn van Calmthouts Echt Quantum, voor een paar van zulke overwegingen die de bochten in je prefrontale cortex in wanhoop nog wat extra laten kronkelen.

Zulke letterlijke hersengymnastiek biedt ook het heelal. Ik heb intussen begrepen dat je niet behoort te vragen wat er vóór de Big Bang was, zoals je ook niet kunt vragen wat zich ten Noorden van de Noordpool bevindt. Niks namelijk. Dat zou ook betekenen dat de grens van het heelal, die feitelijk hetzelfde is als de Big Bang, geen grens is met iets wat zich daarachter bevindt, omdat zich daar niks achter kán bevinden. Omdat er niks vóór de Big Bang is, behalve natuurlijk als je ervan uitgaat dat er helemaal geen Big Bang was. Dit alles leidt tot drie constateringen. De eerste is dat er een niet onaanzienlijk aantal astronomen bestaat die het hele Big Bang concept onzin vinden. Onze eigen professor Erik Verlinde bijvoorbeeld. De tweede is dat er, indien er niks voorbij de rand van het heelal is, er ook geen andere heelallen kunnen bestaan en dus ook geen multiversum. Je moet je dus kunnen voorstellen dat iets er niet is dat er wel is, als u begrijpt wat ik bedoel.

De derde constatering werd ooit gedaan door de Franse filosoof Jean-Claude Carrière. Hij schreef dat als je goed gaat nadenken over de onmetelijkheid en onbegrijpelijkheid van het heelal, je onmiddellijk ophoudt je ooit nog te scheren. Dat is een interessante gedachte. Het illustreert op schitterende wijze onze onmetelijke nietigheid, en de zinloosheid van het bestaan en het leven. Een andere wijsgeer merkte op dat het leven niet meer is dan een ultrakorte lichtflits temidden van de oneindige duisternis die eraan voorafgaat en er op volgt. Zo bezien is het heelal een tomeloze leegte waarin een eeuwige duisternis heerst. Af en toe borrelt er een sterrennevel, ontploft er een supernova, soms implodeert een ster, knalt er een meteoriet op een planeet of kruipt er een kuiken uit een ei. Of scheert iemand zich. Dat is alles. Duisternis. Stilte. Kou. Hitte. Leegte.

En temidden van al die niksigheid draait een piepklein miniplaneetje zijn rondjes om een middelmatig grote ster, en op dat klontje is ooit leven ontstaan, eerst eencellig en toen meercellig en toen intelligent en dat heeft er toe geleid dat er vanavond een honderdzeventigtal mensen in een zaaltje zit te luisteren naar de avonturen van een astronaut. Zowel die mensen als die astronaut als zelfs het hele zaaltje bestaan uit atomen die meer dan 13 miljard jaar geleden zijn ontstaan en die nu hééél even hééél toevallig zijn samengekomen in de vorm van die handvol mensen, en over honderd jaren zijn al die atomen die ons nu vormen weer opgenomen in die planeet of de atmosfeer en een deel is zelfs het heelal ingedampt, voor eeuwig op weg naar nergens.

Maar bij de pakken gaan neerzitten helpt ons zeker niet verder, dus ik ga me morgen toch maar gewoon scheren.

 


De overeenkomst tussen fijnstof en een ijsberg

Op 20 april was er weer een Kenniscafé, dit keer over fijnstof.

Fijnstof is een verzamelwoord voor allerhande partikeltjes die in de lucht zweven en die we inademen terwijl we het niet kunnen zien. Het is net gas, maar dan toch een vaste stof. Vast gas. Soms vindt men het fijn, dat fijnstof. Miljoenen mensen zijn volledig verslaafd aan het inademen ervan. We noemen ze rokers. Al vele decennia weten we dat deze vorm van fijnstofinademing funest is voor het welbevinden, maar dankzij vilein lobbywerk van de fabrikanten van de fijnstofproducerende genotsartikelen heeft het lang geduurd voordat het roken aan banden werd gelegd. Nu kun je van een kettingroker nog zeggen ‘eigen schuld, dikke bult’, maar voor de onvrijwillig meerokende omstanders gaat die vlieger niet op. Die kon wel aan het vaste gas.

Dat onzichtbare, dat is het grootste probleem. Gevaren die je kunt zien, zijn overzichtelijk, die snapt een mens. Een spookrijder, een salafist met een kalashnikov, een ijsberg voor de boeg van de Titanic of een ratelslang in Arizona zijn levensgevaarlijk, dat kun je zien. Daar valt niets te ontkennen.

En daar hebben we meteen de twee grootste problemen van het fijnstof te pakken: de onzichtbaarheid en de ontkenning. De onzichtbaarheid is een kenmerk van het ware gevaar. Dwarrelende asbestvezeltjes waar je een nare kanker van krijgt zijn onzichtbaar. UV-straling waar je huid van naar de knoppen gaat en radioactieve straling waarvan kikkers zes poten krijgen onttrekken zich aan simpele waarneming met het blote oog. De nieuwste loot aan deze stam zijn de neonicotinoïden. Het risico is dan een wat-niet-weet-wat-niet-deert reactie. Je gaat tenslotte niet acuut dood aan het verzagen van een eternieten golfplaatdak of van het eten van een maiskolf met neonico’s.

En dan is er de ontkenning. Hoezo is roken gevaarlijk? De tabakslobby heeft harde onderzoeksresultaten tientallen jaren afgedaan als onbewezen lariekoek. Exact dezelfde reactie stond onlangs in de krant over dat bijengif: Bayer beweerde glashard dat al die insecten en vogeltjes best aan iets anders dan de neonico’s kunnen zijn doodgegaan. Van asbest was al in 1931 bekend dat het gevaarlijk was, in 1969 promoveerde een Nederlandse arts op het grote gevaar van asbest. Dat leidde tot een verbod op het gebruik van asbest in – hou je vast bij deze snelheid – 1993, een kwart eeuw later. Er zijn over geringere schandalen parlementaire enquêtes gehouden.

Er is nog een derde probleem: de verhyping. Die leidt daarna weer tot bagatellisering. De verhyping is dat iets een hype wordt en dat dan later blijkt dat het een stormpje in een glas water was. In de jaren zeventig was het einde der wereld nabij door de zure regen en het Waldsterben. Met foto’s van een paar dode Tjechische bomen die pal naast een vuilverbranding stonden werd ons flink schrik aangejaagd. Uiteindelijk war das Wald gar nicht gestorben, en de milieubeweging meteen belachelijk gemaakt. Hypes komen en gaan weer, op de golven van de media-aandacht. Het is net als met de zogenoemde modeziekten, die je ziet komen en gaan met het redactiebeleid van Libelle en Margriet: bekkeninstabiliteit bij zwangeren, de whiplash van automobilisten zonder goede hoofdsteun; en ook over ADHD, ik voorspel het u, heeft over vijf jaar niemand het meer.

Met dat jammer genoeg onzichtbare fijnstof kan het in theorie nog alle kanten op gaan. Maar gelukkig produceren Bayer of Philip Morris het niet en valt er voor de industrie dus weinig te bagatelliseren. En gelukkig is het meer een onderwerp voor de gewone krant dan voor de damesbladen en zal het probleem niet als een hype weer uitdoven. Fijnstof, dat vaste gas, is echt die ijsberg waar de Titanic op afstoomt, en wij: wij moeten voorkomen dat wij het orkest worden dat dan vrolijk doorspeelt.


Floppy disk

Vorige week vond ik in een la een floppy disk, zo’ n 5¼ inch geval waar nog maar kort geleden iedereen mee werkte. Er kon naar huidige maatstaven uiterst weinig informatie op, maar destijds was het voldoende. Ik wilde het bestand (iets over een collectie fossiele vogelbotjes) dat er op stond bekijken. Ha! Vergeet het maar. De gemiddelde moderne computer, zeker model laptop, heeft geen gleuf voor zulke antiquiteiten, ook niet voor de 3½ inch diskette en vaak niet eens meer voor een CDrom. Een zoektocht begon naar iemand die zo’n Pleistoceen schijfje nog kan hanteren. Dat is gelukt, maar het voorval deed me de Kenniscolumn herinneren van november 2014. Die wordt nu hierbij vrijgegeven – en geplaatst in de cloud (die over 20 jaar ook niemand meer kan betreden).

DE INFORMATIEPARADOX

Wanneer informatie ergens tussen zender en ontvangers niet wordt vastgelegd is het zo vergankelijk als een versgeplukte klaproos. Een gesproken boodschap vervliegt in de ruimte, hij bevat wel informatie maar die blijft niet raadpleegbaar. Informatie, vooral als die bestemd is voor een heleboel ontvangers, moet worden vastgelegd op een medium om op meerdere momenten, vaak veel later, te kunnen worden geraadpleegd. Zo’n medium kan zijn een drukwerk, een geluidsopname, een DVD of CDrom, name it. In de loop van de eeuwen is de aard van de informatie niet wezenlijk veranderd: het gaat om de prijs van goederen, om iemands opvattingen of om het tijdstip van een geplande gebeurtenis. Wat dat betreft is er weinig verschil tussen informatie in het oude Mesopotamië of die in het moderne businesspark. Wat wel verschilt tussen toen en nu zijn de hoeveelheid informatie en de gebruikte opslagmedia. En daarbij ontwaren we een interessante paradox: hoe groter de hoeveelheid informatie, hoe vergankelijker het gebruikte medium.

Laten we dat eens geschiedkundig analyseren. In het oude Babylon was er weinig dat men voor het nageslacht bewaarde. Het ging om eenvoudige handelsinformatie of om lofzangen op de plaatselijke potentaat. Het werd in spijkerschrift op kleitabletten vastgebakken en is nog steeds leesbaar. Ook de slechts tien geboden die Mozes op zijn berg ontving, waren in twee grote stenen tafelen gehouwen en zijn na millennia nog prima leesbaar – hoewel de originele platen zoek schijnen te zijn. In de Middeleeuwen werd er al meer opgeschreven. Daartoe had men het perkament uitgevonden. Na zes, zeven, acht eeuwen zijn dergelijke perkamenten nog prima leesbaar, hoewel al vergankelijker dan steen of gebakken klei. Toen vond men de boekdrukkunst uit. Dat was zo succesvol dat perkament niet meer voldeed en men overging op papier. Dankzij de moderne techniek van het letterzetten nam de informatiehoeveelheid enorm toe, maar papier is vergankelijker dan perkament, boekenwurmen lusten er wel pap van. Evengoed was het papier destijds was prima kwaliteit. Dat veranderde in de negentiende eeuw, toen de industriële revolutie voor een verdergaande mechanisering zorgde en de papierkwaliteit steeds abominabeler werd. Veel drukwerk vergaat bij simpele aanraking tot kruimels. Weg papier, en erger: weg informatie. Intussen is het papier als informatiedrager van Big Data grotendeels vervangen door geavanceerdere opslagmiddelen. In steeds sneller opeenvolging was daar de ponskaart, de brede magneetband, het cassettebandje, de 5¼ inch floppy disk en de 3½ inch diskette, toen de CDrom en de DVD en nu is er de USB-stick.

Bij elke innovatie nam de opslagcapaciteit toe, maar wat ook toenam was de beperkte levensduur van de drager én van het apparaat dat nodig is om de drager te kunnen uitlezen. Wie heeft nog een apparaat in huis dat magneetbanden aankan? Of waar je een floppy, een diskette of zelfs een CDrom in kan steken? Nog een paar jaar en ook de USB-gleuf is historie. Dan zit alles in de cloud. Dodecaziljarden terabytes zitten dan in een virtuele wolk die gehuisvest is in een bunker bij Delfzijl. U hoopt dat alles daar tot in de eeuwigheid blijft zitten. Ik garandeer u: dat is een illusie. Eén flinke explosie van een zonnevlek of een nabije supernova, danwel een goedgemikte neutronenbom van het kalifaat en alles is tot neutrino’s verdampt, een wolk van verdwenen data. Dat is wat ik de informatieparadox noem: hoe groter de hoeveelheid data, hoe vergankelijker het medium. In de 22e eeuw zijn straks alleen de Mesopotamische kleitabletten nog te lezen, alsmede die twee aanrechtbladen waarmee Mozes van de berg afdaalde, vermits we ze terugvinden. De rest is verdampte geschiedenis en of we het zullen missen zal de toekomst uitwijzen.


De evolutie van de drone

Het Kenniscafé op 16 februari ging over drones. Over de techniek, de mogelijkheden, de risico’s. Mijn column ging over de vraag: Waar horen drones evolutionair gezien?

Wat een drone technisch is weten we nu, een robot die kan vliegen. Wat het met ons doet begrijpen we ook wel een beetje. Maar hoe is de drone biologisch te duiden? Waar ergens hangt de drone aan een tak van de stamboom van het leven? Niet bij de insecten, dat mag duidelijk zijn, ondanks de naam drone, wat gewoon Engels is voor dar, die nutteloze en slechts op een snelle wip beluste mannelijke bij. De drone hoort in elk geval tot de gewervelde dieren, want de mate van intelligentie die het apparaatje bezit, komt alleen bij de dieren met hersenen en een ruggenmerg voor.

Binnen de grote groep van de gewervelde dieren is het vliegen als vaardigheid minstens driemaal geheel onafhankelijk ontstaan. In de Jura- en Krijttijdperken vlogen pterosauriërs door het zwerk. Terwijl op land de dinosaurus rondslenterde en de zee door loom rondzwemmende ammonieten werd bevolkt, fladderden de ptero’s met vaak metersgrote vleugels door het luchtruim. Min of meer tegelijkertijd ontstonden de vogels, eerst Archaeopteryx en daarna de rest, van kanarie tot kolibrie en van struis (die het vliegen verleerde) tot sijs. Een tijdje later gingen ook de zoogdieren zich met de vliegkunst bemoeien en weldra trokken de eerste vleermuizen hun nogal ongecoördineerde baantjes door de avondlucht.

En de mens zag dat alles aan en was jaloers. De mens wilde ook gaan vliegen. Eerst was dat Icarus, die met zijn vader een luchtreis maakte en daarbij te dicht bij de zon kwam, waardoor de techniek faalde en hij roemloos ter aarde stortte. De volgende was Leonardo da Vinci, die de helicopter uitvond maar die ook zo slim was om het bij een ontwerptekening te laten en het echte vliegen uit zijn hoofd zette. Daarna kwamen eerst de gebroeders Montgolfier die de luchtballon uitvonden (die in het Frans daarom nog altijd een montgolfière heet), en vervolgens de echte vliegtuigjes van de gebroeders Wright, Charles Lindbergh en Anthonie Fokker. Nu zijn er de Airbus en de JSF. Er is nog wel één minpuntje: de mens vliegt weliswaar, maar niet zelf. De mens láát zich vliegen, door een bulderende contraptie.

Intussen is de evolutie zo ver gevorderd dat de mens voor een deel bionisch is geworden. Met roestvrijstalen heupgewrichten, porseleinen gebitten, pacemakers en cochlear implants zijn we aardig op weg om volledig tot Homo artificialis te degenereren. Onze zintuigen hebben we kunnen verbeteren met verrekijkers, microscopen, infraroodsensoren, de hubble-telescoop, satelliet-fotografie en afluistermicrofoontjes in kruiskopschroeven aan de muur van Huis ten Bosch. Maar we konden nog altijd niet zelfstandig vliegen. Tot men de drone uitvond. De drone is het bionische menselijk lichaam met vleugels eraan. Alle ledematen die we kunnen missen zijn eraf gehaald. Armen en benen hebben we niet nodig – ik bedoel, ze zijn handig maar voor het functioneren van hart en brein zijn ze nutteloos. Een mens zonder ledematen is weliswaar een beetje onhandig maar kan wel muziek componeren, boeken lezen, zijn schoonmoeder haten of een glas whisky drinken, dat laatste dan wel met een rietje. Je hebt een hart nodig, longen, een brein en een aantal zintuigen. That’s all. Dat hart kun je vervangen door een batterij, het brein door een computerchip, de zintuigen door een camera en een goede microfoon en wat je dan overhoudt is een robot. Zet er dan een paar vleugels aan of een aantal hefschroeven en de drone is geëvolueerd. De drone is de bionische mens zonder ledematen, maar met zintuigen, een accu en een paar propellers.

Zoals de pterosaurus een hoger ontwikkelingsstadium voorstelt van de hagedis, de vleermuis een doorgeëvolueerde mol is en de buizerd een dinosaurus 2.0, zo is de drone de mens van de toekomst. Met alle risico’s van dien. Wie ooit de film A Magic Bush van South Park heeft gezien weet wat ik bedoel. Daarin gaan de drones een eigen leven leiden, met hun eigen belangen en intriges en hun eigen seksuele aandriften. Het is nog maar de vraag of die evolutie nog kan worden gestopt. Wordt vervolgd.

 


Geniet maar eet met mate

Op 19 januari was er weer een fijn Kenniscafé in De Balie, over VET! Met onder andere Asha ten Broeke, en Jaap Seidell, en de conclusie dat het vooral een sociaal probleem is. En dat je nu eenmaal blonde en roodharige mensen hebt, lang en korte, blanke en bruine, en dikke en dunne. Ik sloot traditiegetrouw af met een column:

Wat is dik? Wat is dun? Hoe moet je dat beoordelen? Hoe moet ik daar als bioloog naar kijken? Dan wordt dit een saai verhaal over wit vet en bruin vet en buikvet en ander vet. Of als paleontoloog? Dan ga ik praten over de obesiteit van de Australopithecus en de Neanderthaler, en daar weten we dus geen zak van. Als argeloze burger dan, als krantenlezer? Dan ga ik mee met de hypes van de dag, die beweren dat dik zijn slecht is, gewoon omdat het slecht is en daarom is het slecht. Of als betaler van ziektekostenpremie die deels wordt benut om welvaartsziekten te verhelpen die veroorzaakt worden door obesitas? Dan is het eind zoek, want dan moet ik bijvoorbeeld ook stilstaan bij de kosten veroorzaakt door gevaarlijke sporten. Voetbalblessures in het weekend, gebroken kaken bij hockeyers, fracturen of hersenletsel bij skiërs – daar betaal ik wel allemaal aan mee maar ik doe nooit iets gevaarlijkers dan naar mijn werk fietsen.

Als francofiele smulpaap dan wellicht. Dan wordt dit een verhaal over maagdelijke olijfolie en roomboter met zeezout, rillettes van gans, volvette boerenkaas en de gezonde vetten in verse noten. Dat leek me wel een optie. Ik heb daartoe vorige week een onderzoekje gedaan, en ben op zoek gegaan naar de betere vetbeleving. Gastronomisch uiteraard, en seksueel ook wel een beetje. Gelukkig hoefde ik daarvoor niet naar een duur sterrenrestaurant of naar de Oudezijds. Het veldwerk bestond uit ruim 2 uur genieten van een Franse film uit 1973, La Grande Bouffe. Als u die film nog nooit gezien heeft, moet u dat zeker een keer gaan doen, vanwege de prachtrollen van Marcello Mastroianni, Michel Piccoli, Ugo Tognazzi en Philippe Noiret, allemaal en ook in werkelijkheid al lang dood intussen, en de wulpse schooljuffrouw gespeeld door de Franse actrice Andréa Ferréol.  Ferréol, zo vermeldt de beschrijving in het DVD-doosje waarin de film verpakt zit, “beantwoordt aan de schoonheidsnormen van de wellust, en zo vult ze haar rol ook in: naakt, roze en weelderig”.

In de film treden kortstondig ook nog drie andere vrouwen op, in rollen als ingehuurde prostituées. Ze zijn mager, vermoedelijk geheel beantwoordend aan het toen en  nu heersende schoonheidsideaal van de centerfolds, maar lang hielden ze het niet vol. Ze voldeden niet aan de schoonheidsnormen van de wellust. Ze hielden ook niet van eten. Andréa Ferréol wel. Die hield er wel van, in alle opzichten trouwens. De heren in de film eten zich letterlijk dood, maar Ferréol overleeft iedereen, het is de overwinning van het voluptueuze. Wat leer je daarvan? Dat alles een kwestie is van smaak. Vette rillettes, gebraden kapoenen, grote romige taarten. En een mooie mollige vrouw. Vet is lekker, zoet ook trouwens, en dik is mooi.

Maar nu mag het allemaal niet meer. We moeten gezond eten, dat wil zeggen mager, zero calories, light, diet, met nul procent van dit en liefst nog minder van dat. Of het ook lekker is, is niet relevant. Onbelangrijk. Ik daag u daarom uit om een keer een eenvoudig proefje te doen: koop een bakje magere kwark met nul procent vet en extra vitamine ABCD en nog wat toegevoegde kalk voor sterke botten, en koop een bakje volle verse kwark, echte Normandische fromage blanc met bijna 10% vet en verder niks. Neem eerst een hapje fromage blanc, laat dat goed over tong en verhemelte walsen, en slik het langzaam door. Neem daarna een hapje van het magere product. Wat proeft u dan: een hap droge witkalk, smakeloze latex muurverf met een vaag zuurtje op de achtergrond. Niet te vreten. Het zal wel gezond zijn, maar daarna stopt iedere aanprijzing.

Dus daar gaat het om. Het gaat om goed, het gaat om lekker, maar vooral: het gaat om genoeg. Om maatvoering. Er is in Europa geen land te vinden waar men zo lekker en zo vet eet als in Frankrijk, met kaas en room en olie en reuzel en ganzevet. Maar nooit teveel. De echt dikke mensen vind je daarom elders, in de VS, in Engeland, in Duitsland. En bij ons. In La Grande Bouffe werd het allemaal aangetoond: als je teveel eet ga je dood. Dus geniet, maar eet met mate. En een beetje mollig mag best. Graag zelfs. Lekker.


De zang van de siamang

Op 15 december was er weer een kenniscafé in De Balie, over muziek deze keer, met een drummende Martijn van Calmthout, zelfgeknutselde drinkrietjes-klarinetjes en een leuk gelegenheidsorkestje. En met deze gesproken column van mijn kant:

Hier staat een bioloog die over muziek gaat praten. Ha, denkt u dan, dat gaat vast over het getjilp van de huismus, het piepende gefietspomp van het koolmeesmannetje en zeker ook over de welluidende zang van de nachtegaal – vanouds beschouwd als het toppunt van dierlijke muzikaliteit. Daar ga ik het allemaal níet over hebben. En ook al niet over de dieren in de muziek, over het Carnaval des Animaux van Camille Saint-Saëns of het Forellenkwintet van Franz Schubert, of Prokofjevs Peter en de Wolf, want dat kennen we allemaal wel. Ik wil het met u hebben over de muziek van apen, want wij mensen zijn apen en geen koolmezen of nachtegalen of forellen.

Niemand weet meer van apen dan Frans de Waal, dus is het interessant te zien of hij behalve over seks, alfamannetjes en empathie ook over de muziek van de mensaap heeft geschreven. Kan een mensaap muziek maken? Al is het maar vocaal en a capella? Ik heb zijn meeste boeken gelezen en in een ervan kwam ik de muziek tegen, in een beschrijving van de zang van de siamang. Dat klinkt al muzikaal, de zang van de siamang, maar dat is toeval.

Siamangs zijn gibbons, grote zwarte gibbons uit Sumatra. Siamangs, zo schrijft De Waal, zingen hard en luid en harmonieus. Dat harde en luide gillen kunnen ze zomaar vanzelf, maar het harmonieuze vergt oefening. De apen zijn dus een tijdje bezig om hun geluiden op elkaar af te stemmen, zoals de leden van een band of van een zangkoor voor een optreden ook altijd even flink moeten stemmen en oefenen. De gibbons kunnen vier verschillende soorten geluid maken: harde korte knallen, een blaf, een vibrato en een tweetonige gil. De mannetjes zijn vooral tweetonig en de vrouwtjes blaffen wat vaker.

Met dat repertoire zingen de apen het halve oerwoud bij elkaar. Ik citeer de Waal: “terwijl het duet andere soortgenoten laat weten dat ze uit de buurt moeten blijven, verkondigt het tegelijkertijd de boodschap: ‘wij zijn één’.”  De zang van de mensaap dient er dus primair toe om het territorium af te bakenen en om eenheid uit te stralen. Als we dat met de menselijke muziek en haar functie vergelijken komen we uit bij het volkslied. Het Wilhelmus, de Marseillaise, Deutschland über alles: de muziek straalt vooral het ‘wij’-gevoel uit.

Mijn hypothese is daarom dat het volkslied de menselijke oermuziek is. De mens bakent er zijn territoriale grenzen op muzikale wijze mee af en gilt uit één keel: ‘Wij zijn één, wij horen bij elkaar, wir sind das Volk’. Op de voet gevolgd door de marsmuziek in martiale vierkwartsmaat, om in geval van problemen met de buren met slaande trom, trompetgeschal en gestrekte laars te kunnen ingrijpen.

En dan is er natuurlijk de liefdesmuziek. Siamangs zingen duetten en doen dat zelfs met versterking door middel van hun grote keelzakken. Man en vrouw, samen, hij meer krijsend, zij meer blaffend, en dan ook nog met versterking. Hoe romantisch kun je het hebben? De Waal schrijft hierover: “Hun wilde, rauwe liederen groeien in volmaakte harmonie uit tot wat wel is beschreven als het meest complexe gezongen opus uit de mond van een ander gewerveld landdier dan de mens.”  Is dat niet prachtig? Zo beschouwd is de muziekwetenschap gewoon een vorm van zoölogische gedragskunde.