Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Kijk waar je loopt!

Deze week heb ik de volledig vernieuwde tekst en 228 afbeeldingen voor de tweede, vermeerderde druk van Kijk waar je loopt! naar de uitgever gestuurd.

Kijk waar je loopt! gaat over fossielen die in de (voornamelijk) Nederlandse steden gevonden kunnen worden in stoepen, stoepranden, gevels, bordessen en vloeren van o.a. winkelcentra. Er is een grote rijkdom aan fossielen uit diverse geologische tijdvakken, variërend van sponzen en schelpen tot ammonieten en koralen, en zelfs een enkele eencellige. De afbeeldingen geven fossielen weer uit Groningen, Middelburg, Maastricht, Utrecht, Amsterdam, Den Haag en een boel andere steden. Maar ik ben niet overal geweest. Er zijn dus vast nog mooie exemplaren te vinden van de spons Asteractinella, van een schelpachtige Rostroconch, of van het koraal Siphonophyllia. Ik houd me dus altijd aanbevolen voor vondstmeldingen. Weet u een fossiel te zitten dat niet mag ontbreken? Tot 1 maart 2020 is er nog tijd om uw vondst in het overzicht op te nemen. Stuur een foto (wat?) en een vindplaatsbeschrijving (waar?) naar mijn mailadres of mijn twitteraccount (zie Contactpagina voor details).

Deze tweede druk van Kijk waar je loopt! vervangt de eerste druk, die intussen is uitverkocht, en vormt het begin van een geplande serie boeken over de Nederlandse fossielen. Er staan delen over de gewervelde dieren (van Mosasaurus tot mammoet) en de ongewervelde dieren in de planning, en wellicht ook over de fossiele planten van Nederlandse bodem. Ze verschijnen bij de Historische Uitgeverij, Groningen.

(foto: detail ammoniet Houtrustrug, Den Haag)


De Uil en het Poesje

Het kakelverse en nu al onvolprezen vogelblad (-tijdschrift, -boek, -bundel: wat is het?) De Scharrelaar loofde in nummer 2019/1 een prijs uit voor de beste Nederlandse vertaling van Edward Lear’s beroemde nonsense-vers The Owl and The Pussycat. Ik waagde een poging, rekening houdend met Lear’s rijm en metrum, en won tot mijn niet geringe verbazing de prijs! Hier de vertaling:

De Uil en het Poesje

De uil en het poesje gingen uit varen
in een prachtige grasgroene schuit
Met een watermeloen en een flinke zak poen
voeren ze samen het zeegat uit
De uil zag de sterren, hoog in het zwerk
en zong begeleid door zijn luit
‘O heerlijke poes, mijn liefde voelt sterk
Wat een bloedmooie poes ben je toch
Dat ben je
Dat ben je
Wat een bloedmooie poes ben je toch!’

Poes riep met plezier: ‘Jij allerliefst dier,
‘k wist niet dat je zó mooi kon zingen
O laten we trouwen, ‘k zal ’t nimmer berouwen.
maar hoe komen we dan aan de ringen?’
Zo voeren ze maar, wel meer dan een jaar
naar het land van het Bingelbongkruid
En daar in het bos liepen twee varkentjes los
Met een ring aan het eind van hun snuit
Van hun snuit
Van hun snuit
Met een ring aan het eind van hun snuit.

Ze wilden het doen en boden toen poen
aan de zwijntjes, die riepen ‘da’s fijn!’
Ze werden getrouwd door een oude kalkoen
die woont naast de berg bij ’t ravijn.
Ze aten een dis van gebakken banaan
met een mes en een aftandse vork
En hand in hand, aan de rand van het strand
Dansten ze bij het licht van de maan
Van de maan
Van de maan
Ze dansten bij het licht van de maan.

PS: koop evengoed vooral De Scharrelaar, een uitgave van AtlasContact


Henry David Thoreau: Wandelen

“Ik wil een pleidooi houden voor de Natuur, voor wildheid en absolute vrijheid, en deze plaatsen tegenover burgerlijke vrijheid en beschaving. Ik wil de mens niet beschouwen als lid van de samenleving maar als bewoner, die deel van en één met de Natuur is. Ik wil mijn standpunt zonder voorbehoud en zo radicaal mogelijk duidelijk maken, want verdedigers van de beschaving zijn er genoeg: de predikant, het schoolbestuur – en ook u allen hier aanwezig is dat toevertrouwd.”

(…)

“Het Westen waarover ik spreek, is alleen maar een andere naam voor het Wilde; en wat ik heb willen zeggen, is dat in Wildheid het behoud van de wereld ligt.”

(…)

“Afgelopen november maakten we op een dag een prachtige zonsondergang mee. Ik wandelde in een weide waar een beek ontsprong, toen de zon ten slotte, vlak voor hij onderging, na een koude, grijze dag, een wolkenloze laag aan de horizon bereikte, en het allerzachtste, helderste ochtendzonlicht op het droge gras viel, op de stammen van de bomen aan de tegenovergelegen horizon en op de bladeren van de struikeiken op de helling, terwijl onze lange schaduwen zich naar het oosten over het gras uitstrekten, alsof we de enige stofdeeltjes in zijn stralen waren. Het was een licht zoals we het ons vlak daarvoor niet eens hadden kunnen voorstellen, en de lucht was ook zo warm en kalm dat er niets meer hoefde te gebeuren om van de weide een paradijs te maken. Toen we bedachten dat dit niet een uitzonderlijk verschijnsel was dat nooit weer zou plaatsvinden, maar dat het altijd weer, een oneindig aantal avonden zou plaatsvinden en het ook het jongste kind dat met ons liep zou opbeuren en vrolijk maken, was het nog schitterender. De zon gaat onder boven een oude weide, waar geen huis te zien is, met alle glorie en pracht waarmee hij steden overlaadt, zoals hij misschien nooit eerder is ondergegaan – daar laat een enkele blauwe kiekendief zijn vleugels vergulden, een muskusrat kijkt uit zijn hut, en in het midden van het drasland begint een zwartgeaderd beekje net te meanderen en wentelt traag om een vermolmde boomstronk. Zonder enige rimpeling of geruis te horen, wandelden we in zo’n zuiver en helder licht dat de dorre grassen en bladeren zo zacht en sereen verguldde, dat het was alsof ik nog nooit in zo’n gouden vloed had gebaad. De westkant van elk bos en elke helling lichtte op als de grenzen van het Elysium, en de zon op onze rug voelde aan als een vriendelijke herder die ons tegen de avond naar huis dreef. Zo kuieren wij naar het Heilige Land, tot de dag dat de zon helderder zal schijnen dan ooit, en onze geesten en onze harten zal verlichten, en onze levens zal beschijnen met een ontwakend licht, zo warm, zo sereen en goudkleurig als op een oever in de herfst.”

Dit waren achtereenvolgens de openingszin, de beroemde zin over Wildness (“in Wildness is the preservation of the World”), en de slotalinea, het prachtige coda met de zonsondergang uit Henry David Thoreau’s essay Walking, dat nu onder de titel Wandelen in Nederlandse vertaling is verschenen bij de Historische Uitgeverij (isbn 9789065540997). De vertaling is voorzien van een voorwoord van Norbert Peeters en een duidend nawoord van mijzelf. Het is een prachtig boekje geworden!


Stochastiek en terrasverwarmers

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen zondag:

Dat was flink genieten vorige week, dat mooie warme weekend met temperaturen boven 20 graden. Halsoverkop de teenslippers tevoorschijn gehaald, rokjesdag was aangebroken. Heerlijk. Zes weken geleden werden we nog geteisterd door die verrekte Russische beer met gevoelstemperaturen van onder de min 10, gure winden die rechtstreeks van de ijzige Karelische toendra’s kwamen. Het weer is vooral zo boeiend omdat het zo onvoorspelbaar is. Ja, het weer van morgen kan redelijk worden voorspeld, maar dat van overmorgen is al iets lastiger en het weer van volgende week is per definitie onvoorspelbaar. En dat terwijl het weer zo mooi meetbaar is in termen van temperatuur, windsnelheid, luchtvochtigheid en zonintensiteit. Het is hartstikke bèta, maar toch weten we het nauwelijks langer dan over drie, vier dagen met zekerheid te voorspellen. Dat komt doordat het weer een zogenoemd stochastisch proces is. Moeilijk woord, stochastisch; het is een deelgebied van de hogere wiskunde en verwant aan dingen als kansberekeningen en de algebra van het toeval. Volgens wiki is een stochastisch proces een opeenvolging van toevallige uitkomsten. Simpel gezegd zijn er zoveel toevallige invloeden van buitenaf dat je daardoor niet kunt voorspellen wat er gaat gebeuren.

Er zijn ontzettend veel stochastische processen waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben. Bekende voorbeelden zijn economische processen zoals de beurskoersen, het gedrag en de stemming van andere mensen met nadruk – uiteraard – op dat van pubers, de uitslagen van verkiezingen en de looprichting van een dronkenlap. Al zulke zaken kun je wel grofweg een beetje voorspellen, maar de uiteindelijke uitkomst is per definitie ongewis. Dat geldt ook voor het weer. Ja, we weten dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, maar daar blijft het ook wel bij, want het kan volgende week zondag zowel 30 als 15 graden zijn, stortregenen of kurkdroog zijn, stormen of windstil. Het houdt het leven spannend.

Maar goed, dit is allemaal een aanloop naar een grote ergernis in verband met die kou van onlangs. We houden niet van ongewisheid. We willen zekerheid. Mooi weer, een fijne warmte, en als de natuur er niet voor zorgt, maken we die zelf wel. Het laatste waar ikzelf bij een gevoelstemperatuur van min 12 en een snerpende noordoostenwind aan zou denken, is om buiten op een terras te gaan zitten om een biertje te drinken of zelfs in hemdsmouwen te dineren. En toch gebeurde dat overal, dankzij de meest idiote uitvinding die de mensheid ooit heeft voortgebracht: de terrasverwarmer. Vooral sinds het rookverbod de rokers naar de buitenruimte heeft verbannen, is het verschijnsel terrasverwarmer epidemisch toegenomen. Hele straten en halve pleinen worden opgewarmd met behulp van elektrische of gasgestookte branders. De hitte zorgt ervoor dat je aan de ene kant opwarmt en aan de andere kant even koud blijft als tevoren, maar vooral dat er een ongelooflijke hoeveelheid energie nutteloos in de gure wind wegwaait. Wat een onzin, het is hier Griekenland of Benidorm niet waar je het hele jaar buiten kunt zitten. Terwijl iedereen, de overheid voorop, de mond vol heeft over duurzaamheid en isolatie en dat we moeten besparen en van het gas af moeten, dat de laatste raamkiertjes moeten worden dichtgekit en we vooral geen lampje mogen laten branden in een ruimte waar we héél even niet zijn, vindt iedereen, de overheid voorop, het doodgewoon dat we de winterse buitenlucht verwarmen. Hoe krijg je het verzonnen? Bierdrinken op een ijzig winters terras, om dan na ruime intake van het nodige alcohol in een stochastische zwalk terug naar huis te waggelen.

Kunnen we niet gewoon stoppen met die onzin?


Shortlist UU-Publiprijs 2017

Dat is een leuke verrassing: ik ben samen met drie andere medewerkers van de Universiteit Utrecht (UU) genomineerd voor de UU-Publiprijs 2017, een prestigieuze prijs voor UU-medewerkers die op het gebied van public outreach leuk aan de weg timmeren. Annelien Bredenoord, Beatrice de Graaf en Joop Schippers, geen slecht gezelschap om tussen te verkeren. De informatie over de shortlist staat op het UU-intranet; dat is uiteraard besloten, dus hier is even het bericht gekopieerd:

De UU heeft de Utrechtse onderzoekers Annelien Bredenoord, Beatrice de Graaf, Jelle Reumer en Joop Schippers genomineerd voor de UU-Publiprijs 2017.  

Met de publiciteitsprijs beloont de universiteit een wetenschapper die zeer prominent in de media is en daar zelf ook actief een bijdrage aan levert. De UU wil hiermee wetenschappers stimuleren publiciteit te genereren voor hun onderzoek en deel te nemen aan het maatschappelijk debat.

De genomineerden

  • Prof. dr. Annelien Bredenoord is hoogleraar Ethiek van Biomedische Innovatie in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Zij publiceert veel over de invloed die medische innovaties (stamcelonderzoek, voortplantingstechnologie, Big Data en biobanken) hebben op patiëntenzorg en de maatschappij.
  • Prof. dr. Beatrice de Graaf is hoogleraar History of international relations & global governance bij de faculteit Geesteswetenschappen. Zij komt veelvuldig in de media, onder andere met duiding van nieuws rond terrorisme en veiligheid.
  • Prof. dr. Jelle Reumer is hoogleraar Vertebrate Paleontology bij de faculteit Geowetenschappen en publiceerde in columns en boeken afgelopen jaar veel over onder meer natuur in steden.
  • Prof. dr. Joop Schippers is als arbeidseconoom verbonden aan de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie. Hij publiceert over talloze onderwerpen zoals bijvoorbeeld flexibel, vast of contract werk, deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en pensioenleeftijd.

De winnaar van vorig jaar was Martin van den Berg, hoogleraar Toxicologie. Twee genomineerden van dit jaar wonnen de Publiprijs al eerder, namelijk Beatrice de Graaf en Joop Schippers. De winnaar wordt op 8 januari bekend gemaakt. De nominatie komt tot stand door een gewogen telling van publiciteitsuitingen van Utrechtse wetenschappers, zowel in kranten en bladen als via radio en televisie en social media. Een jury evalueert binnenkort de vier genomineerden en maakt de winnaar bekend op 8 januari tijdens de nieuwjaarsreceptie van het College van Bestuur.


Groeneveldprijs 2017

Op 19 mei krijg ik de Groeneveldprijs uitgereikt, een enorme eer! Wat kan ik daar over zeggen? Laat het persbericht maar voor zich spreken. Het is opgesteld door mijn uitgever, Patrick Everard van de Historische Uitgeverij:

Beste lezer,
aanstaande vrijdag 19 mei 2017 krijgen Jelle Reumer & Kees Moeliker samen de Groeneveldprijs 2017 uitgereikt, en zij zullen bij die gelegenheid elk een Groeneveldlezing houden.
Met de toekenning van de Groeneveldprijs 2017 aan Reumer en Moeliker wil de stichting Groeneveld niet alleen twee enthousiaste en oorspronkelijke aanjagers van de stedelijke natuurbeleving eren, maar ook het maatschappelijk belang van de stadsecologie en haar recente loot de stadspaleontologie in het licht stellen.
Jelle Reumer was vanaf 1987 directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en werd in 2015 in die functie opgevolgd door Kees Moeliker, sedert 1989 curator van het Natuurhistorisch.
Het Natuurhistorisch bestaat al sinds 1927, maar onder de bezielende leiding van Reumer en Moeliker heeft Het Natuurhistorisch een nieuwe gestalte gekregen. Dankzij nieuwbouw en de uitbouw van een educatief en wetenschappelijk verantwoorde collectie, de organisatie van interessante en spraakmakende tentoonstellingen en een bestendige reeks publicaties heeft het anno 2017 bovendien een uitstraling die de stadsgrenzen ver overschrijdt.
De sprankelende presentatie van eigenaardigheden uit de natuur, in het bijzonder de stedelijke natuur, is het eigenzinnige waarmerk geworden van beide laureaten en van Het Natuurhistorisch. Op speelse wijze plaatst Het Natuurhistorisch ogenschijnlijk triviale details uit de natuur in een ruimer maatschappelijk en natuurlijk perspectief. De open communicatie met lokale instellingen van onderwijs en wetenschap is een al even kenmerkende karakteristiek van beide laureaten.

Ook in hun publicitaire activiteiten zijn Reumer en Moeliker opmerkelijk actief en gericht op een stedelijk, nationaal en internationaal publiek. Jelle Reumer, sinds 2015 hoogleraar Vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht, publiceert iedere zaterdag ‘Jelle’s weekdier’ op de groene pagina’s van dagblad Trouw, en Kees Moeliker schrijft de rubriek ‘Beest’ op de Achterpagina van NRC Handelsblad, en sinds kort een column in National Geographic Magazine. Regelmatig dragen ze bij aan het radio- en televisieprogramma Vroege Vogels. En samen zowat jaarlijks een boek: Moeliker bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, Jelle Reumer bij uitgeverij Lias en Historische Uitgeverij.

Vrijdag 19 mei 2017 houden de laureaten op Kasteel Groeneveld in Baarn een dubbele Groeneveldlezing : aanvang 16.00 uur. U kunt de lezingen en de prijsuitreiking bijwonen; aanmelding via reserverengroeneveld@staatsbosbeheer.nl ; er is nog een beperkte hoeveelheid plaatsen beschikbaar.

Meer informatie op kasteelgroeneveld.nl/kasteel-kasteel/organisatie/stichting-groeneveld/

Goede groet,

Patrick Everard
Historische Uitgeverij