Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Groeneveldprijs 2017

Op 19 mei krijg ik de Groeneveldprijs uitgereikt, een enorme eer! Wat kan ik daar over zeggen? Laat het persbericht maar voor zich spreken. Het is opgesteld door mijn uitgever, Patrick Everard van de Historische Uitgeverij:

Beste lezer,
aanstaande vrijdag 19 mei 2017 krijgen Jelle Reumer & Kees Moeliker samen de Groeneveldprijs 2017 uitgereikt, en zij zullen bij die gelegenheid elk een Groeneveldlezing houden.
Met de toekenning van de Groeneveldprijs 2017 aan Reumer en Moeliker wil de stichting Groeneveld niet alleen twee enthousiaste en oorspronkelijke aanjagers van de stedelijke natuurbeleving eren, maar ook het maatschappelijk belang van de stadsecologie en haar recente loot de stadspaleontologie in het licht stellen.
Jelle Reumer was vanaf 1987 directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en werd in 2015 in die functie opgevolgd door Kees Moeliker, sedert 1989 curator van het Natuurhistorisch.
Het Natuurhistorisch bestaat al sinds 1927, maar onder de bezielende leiding van Reumer en Moeliker heeft Het Natuurhistorisch een nieuwe gestalte gekregen. Dankzij nieuwbouw en de uitbouw van een educatief en wetenschappelijk verantwoorde collectie, de organisatie van interessante en spraakmakende tentoonstellingen en een bestendige reeks publicaties heeft het anno 2017 bovendien een uitstraling die de stadsgrenzen ver overschrijdt.
De sprankelende presentatie van eigenaardigheden uit de natuur, in het bijzonder de stedelijke natuur, is het eigenzinnige waarmerk geworden van beide laureaten en van Het Natuurhistorisch. Op speelse wijze plaatst Het Natuurhistorisch ogenschijnlijk triviale details uit de natuur in een ruimer maatschappelijk en natuurlijk perspectief. De open communicatie met lokale instellingen van onderwijs en wetenschap is een al even kenmerkende karakteristiek van beide laureaten.

Ook in hun publicitaire activiteiten zijn Reumer en Moeliker opmerkelijk actief en gericht op een stedelijk, nationaal en internationaal publiek. Jelle Reumer, sinds 2015 hoogleraar Vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht, publiceert iedere zaterdag ‘Jelle’s weekdier’ op de groene pagina’s van dagblad Trouw, en Kees Moeliker schrijft de rubriek ‘Beest’ op de Achterpagina van NRC Handelsblad, en sinds kort een column in National Geographic Magazine. Regelmatig dragen ze bij aan het radio- en televisieprogramma Vroege Vogels. En samen zowat jaarlijks een boek: Moeliker bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, Jelle Reumer bij uitgeverij Lias en Historische Uitgeverij.

Vrijdag 19 mei 2017 houden de laureaten op Kasteel Groeneveld in Baarn een dubbele Groeneveldlezing : aanvang 16.00 uur. U kunt de lezingen en de prijsuitreiking bijwonen; aanmelding via reserverengroeneveld@staatsbosbeheer.nl ; er is nog een beperkte hoeveelheid plaatsen beschikbaar.

Meer informatie op kasteelgroeneveld.nl/kasteel-kasteel/organisatie/stichting-groeneveld/

Goede groet,

Patrick Everard
Historische Uitgeverij


De Afrikaanse bloterik

Ik moest toch even van Tiengemeten af, het was de enige keer dat ik dat deed (afgezien van de wekelijkse boodschappen bij de plaatselijke grootgrutter van Zuid-Beijerland). De aanleiding was mooi: mijn krant (Trouw) had me verzocht een column uit te spreken bij de bekendmaking van de top-25 van de Duurzame 100, op 10 oktober in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Dat gaf me mooi de gelegenheid het enige weekdier te behandelen dat mijn rubriek Jelle’s Weekdier in de krant niet zal halen: de Afrikaanse bloterik. Het leverde de volgende tekst op.

De Afrikaanse bloterik

In de biologie geldt wie zich lustig voortplant als een succesvolle soort. Met een grote fitness, het vermogen om je aan diverse omstandigheden aan te passen, en een ruimhartige rondstrooiing van ei en zaad zit je gebeiteld. Als soort. Of beter: als pakketje genen van die soort, want als we Richard Dawkins mogen geloven, zijn het de genen die zich voortplanten en gebruiken ze daar de planten en de dieren voor als hun vervoermiddel. Verreweg de succesvolste genen zijn de exemplaren die daartoe de vlieg gebruiken. Er zijn meer vliegen op aard dan sterren in het universum. Strontvliegen, huisvliegen, klustervliegen, herfstvliegen of hoe ze ook mogen heten, die zwarte zoemers, ze lusten alles, van poep tot lijk tot de inhoud van uw kliko. Zelfs Mao Zedong, die alle Chinezen een gratis vliegenmepper gaf, kreeg ze er niet onder. De vlieg staat met stip op nummer 1 op de hitlijst van succesvolle soorten.

Op twee, ook met stip, staat het weegbree, dat stiekem met de Neolithische mens meereisde over de wereld. Amerikaanse indianen noemden weegbree ‘White men’s footprint’, want overal waar de Europeanen zich vertoonden schoot het onooglijke plantje uit de grond. U hoort het goed: hier komt het woord footprint al tevoorschijn. Op plek drie van onze hitlijst van succes is het een gedrang. Ik heb ze niet allemaal geteld, dus ik weet niet of het de muis is, of de rat, of de kip. Er zijn onnoemlijk veel muizen, ratten en kippen op de wereld, zonder twijfel nog meer dan er mensen zijn. Laten we ze maar ex-aequo op drie zetten, dat leert ze wat bescheidenheid. En ze zijn slim, die muizen, ratten en kippen, want net als het weegbree liften ze met de mens mee. Het zijn wat we noemen cultuurvolgers. Zonder de mens liep de kip nog doelloos rond te scharrelen in de bossen van Thailand en Birma, en hadden ze het nooit helemaal tot Barneveld geschopt, om over Kentucky Fried nog maar te zwijgen.

Ook de mens staat in de top tien. Succesvol, tweehonderdduizend jaar geleden ergens in Afrika ontstaan als een populatie eigenwijze bloterikken. Zestigduizend jaar geleden hadden ze het daar wel gezien en gingen aan de wandel, via de Sinaiwoestijn de wijde wereld in. Tienduizend jaar later arriveerden ze in Australië. Naar Amerika duurde wat langer, daar lagen gletschers in de weg, en praktische bewaren. Zodra die verdwenen waren, staken ze de Beringstraat over en liepen in duizend jaar tijd door tot Vuurland,  om daar te gaan zitten wachten tot Charles Darwin langsvoer om zich over hun enorme aanpassingsvermogen te verbazen. De mens is een zoogdier. Een aap. De enige aap die zich als een invasieve exoot gedraagt. Hij zou bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op de lijst van te bestrijden invasieven moeten worden geplaatst, want hij voldoet aan alle criteria: hij komt van elders, drukt andere soorten uit hun leefmilieu, veroorzaakt ecologische en economische schade en plant zich ongebreideld voort. We hebben hier dus de Amerikaanse muskusrat, de Indiase halsbandparkiet, de Japanse duizendknoop, de Californische rivierkreeft en de Afrikaanse bloterik, de laatste met muizen en ratten en kippen in zijn kielzog.

Met duurzaamheid heeft dit allemaal weinig te maken, althans met duurzaamheid in de moderne betekenis van het woord, of liever, het frame. Een dier- of plantensoort die het goed redt, zich lustig voortteelt en geen enkele aanstalten maakt om uit te sterven is natuurlijk vreselijk duurzaam. Die duren nog wel even, in tegenstelling tot soorten als de grote panda of de witte neushoorn, die als evolutionaire losers helemaal niet duurzaam zijn. De mens is dus een van de duurzaamste diersoorten op aarde. Dat staat in schril contrast tot zijn leefomgeving, waarvan de duurzaamheid steeds twijfelachtiger wordt. Hier zit een soort communicerende-vaten-effect verscholen: hoe duurzamer de Afrikaanse bloterik is, hoe minder duurzaam zijn omgeving, en weliswaar is dat op termijn een slang die in zijn eigen staart bijt, maar daar hebben we nu niks aan. Als we de duurzaamheid van de aarde willen stimuleren moeten we de duurzaamheid van Homo sapiens een beetje reduceren. Er zijn er teveel. Zevenmiljard exemplaren zijn er zesmiljard teveel. Daar moet wat aan gebeuren. Ik ben bang dat de gebruikelijke methoden die bij invasieve exoten worden toegepast niet zullen worden toegestaan. We kunnen de Afrikaanse bloterik niet gaan bestrijden met klapvallen, giftig lokaas of aantalsregulerend afschot. Dan rest ons, dames en heren, het slapste middeltje dat er is: het preservatief.


Thoreau op Tiengemeten, deel 2

In 1906 werd de Vereniging Natuurmonumenten opgericht om het Naardermeer, tussen Naarden en Weesp, te redden van een toekomst als vuilnisbelt. Het brein achter de actie was de Amsterdamse onderwijzer Jac. P. Thijsse. Veel Nederlanders kennen de naam Jac. P. Thijsse wel, meestal van de ouderwetse Verkade-albums. Maar als je vraagt wie Henry David Thoreau was, hoef je niet op een antwoord te rekenen. Die kent niemand. Wel in de VS: daar kent bijna iedereen hem. Thoreau was een groot kenner van de natuur, struiner, wandelaar, natuurfilosoof en schrijver. Veel Amerikanen kennen vooral zijn bekendste boek Walden, geschreven tijdens zijn tweejarig verblijf in een hut aan de rand van een meertje bij Concord, Massachusetts.

Dat de gemiddelde Amerikaan nog nooit van Jac. P. Thijsse heeft gehoord mag geen verwondering wekken; de gemiddelde Amerikaan weet zelfs amper waar Nederland ligt. Maar dat de gemiddelde Nederlander ook nog nooit van Henry D. Thoreau heeft gehoord, is echt heel jammer, omdat er een directe link bestaat tussen Thoreau (1817 – 1862) en Thijsse (1865-1945).

Jac. P. Thijsse kreeg zijn ideeën over natuurbescherming en zijn liefde voor het buitenleven niet zomaar out of the blue. Hij borduurde voort op een traditie die in Amerika wortelt en die begon bij Thoreau. In 2017, volgend jaar dus, is het tweehonderd jaar geleden dat Thoreau werd geboren. Een goede aanleiding om Thoreau in ons land wat meer bekendheid te geven. Dat lijkt moeilijk, want de Engelstalige werken van Thoreau zijn taaie kost en niet meteen toegankelijk. Er is bovendien maar heel weinig in het Nederlands vertaald. Maar daar gaan we wat aan doen! Volgend jaar komt er een bundel uit met onder andere biografische informatie en een vertaling van Thoreau’s belangrijkste essay, ‘Walking’ (wandelen). Zijn stuk begint met de woorden: ‘Ik wil het woord voeren over de natuur’, en ergens halverwege staat de beroemde zin: ‘In de wildernis ligt de redding van de wereld’.img_2837

Wildernis is ook de naam van het grootste gedeelte van het eiland Tiengemeten, dat prachtige nieuwe natuurgebied in het Haringvliet. Het was daarom een fijn idee van Natuurmonumenten om mij uit te nodigen om gedurende zes weken in de Wildernis van Tiengemeten te bivakkeren om aan het boek over Thoreau te werken. Want zonder Thoreau had Thijsse geen inspiratie gehad, zonder Thijsse was Natuurmonumenten er niet, en zonder Natuurmonumenten zou Tiengemeten nog altijd vol aardappels en uien hebben gestaan. Dus zit ik nu op Tiengemeten, tussen de ganzen, de hooglanders en de kiekendieven, om de oervader van Natuurmonumenten wat beter over het voetlicht te brengen.

 

 


Aan alles komt een eind

Het stof is weer neergedaald, zowel in Het Natuurhistorisch als in mijn hoofd. Op 27 november organiseerde het museum een daverend symposium om mijn vertrek bij het Rotterdamse natuurhistorisch museum te markeren. Met fijne sprekers (Sanneke van Hassel, Tijs Goldschmidt, Midas Dekkers, Kees Moeliker en Niels de Zwarte) en met fraaie cadeaus, waaronder een replica van de onderkaak van de sabeltandtijger en – geheel een verrassing – een nieuw boek. Nog nooit publiceerde ik een boek zonder er weet van te hebben, maar namens de Vriendenstichting kreeg ik een bundel aangeboden met daarin al mijn (83!) columns uit het museummagazine Straatgras, onder te titel De kunstknie van mijn vader (ISBN 978 90 73424 19 7).

De sleutel van het museum heb ik overgedragen aan mijn opvolger, bioloog en collega-schrijver Kees Moeliker.

Kees Moeliker ontvangt de sleutel van Het Natuurhistorisch

Kees Moeliker ontvangt de sleutel van Het Natuurhistorisch

Vanaf nu concentreer ik mij op mijn andere twee ‘banen’: mijn part-time hoogleraarschap Vertebrate Paleontology aan de Universiteit Utrecht, en mijn activiteiten als publicist.

 

 


Ommezwaai: van 010 naar 030

Op een huisje ergens in de Drôme staat de tekst: le temps s’enfuit, la mort s’approche (de tijd vliegt heen, de dood kruipt naderbij). Dat eerste klopt volledig, dat laatste zeker ook wel, maar daar merk je eigenlijk niks van. Gelukkig maar.

Dat de tijd heenvliegt blijkt uit het feit dat ik me nog als de dag van gisteren herinner dat ik mij in Rotterdam meldde voor een sollicitatiegesprek. Ten kantore van de allang opgeheven P&O afdeling van de Dienst Gemeentelijke Musea in de Calandstraat. Na twee gesprekken was ik (34) directeur van een museum in een uitgewoond pand en met een deels afgebrande collectie, het Natuurmuseum Rotterdam, dat we alras terugomdoopten tot Natuurhistorisch Museum Rotterdam, en dat we nu fijn afkorten tot Het Natuurhistorisch. Ik begon er op 1 december 1987, de dag na de dag van gisteren dus. Nu zijn we enkele ademtochten en 28 jaar verder, het pand is niet meer uitgewoond en de collectie groter en bloeiender dan ooit,  en nu ga ik weg bij Het Natuurhistorisch. Ook per 1 december, dat leek me wel een mooie, afrondende, datum.

En dan ga ik verder met waar ik al mee begonnen ben, met mijn aanstelling als hoogleraar vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht, part-time weliswaar, maar dat laat dan nog lekker ruimte voor het schrijven van columns en boeken. In dagblad Trouw, voor het Volkskrant Kenniscafé, voor mijn twee uitgevers: de Historische Uitgeverij en Uitgeverij Lias.

Het Natuurhistorisch gaat de toekomst in onder de bezielende leiding van Kees Moeliker. Dat is een geruststellende gedachte. Le temps s’enfuit, en de rest moet nog maar even wachten.


Weer begonnen

Na een drukke zomer weer aan de slag. De eerste helft van augustus ging op aan het jaarlijkse veldwerk in Winterswijk, wederom een mooie samenwerking van de Universiteit Utrecht, Naturalis en de Universität Bonn. Er werd veel gevonden, vooral de fossiele vissen wilden dit jaar goed bijten.

Meteen daarna een bezoek aan Guangzhou, China (het oude Kanton). Een ‘schoolreis’ van een week op uitnodiging van het Nanfang International Literary Festival 2014, samen met mede-schrijvers Abram de Swaan, Jos de Mul en Kader Abdolah, vertaler Mark Leenhouts, en Maarten Valken en Mireille Berman van het Nederlands Letterenfonds. Het was een mooie en warme week, warm zowel qua temperatuur (gemiddeld 34 graden) als qua sfeer. Op de blog van Mireille wordt er alles over uit de doeken gedaan. Zelf vond ik treffend om te zien hoe een wat oudere heer met een kwast aan een bezemsteel prachtige Chinese karakters calligrafeerde op het trottoir van een plein. Met water! De lichtgrijze graniet werd donkergrijs onder de aanraking van de kwast. Na een uurtje waren de karakters verdwenen, verdampt, na eerst langzaam in waterdamp te zijn vergaan. Het leek wel een metafoor voor de vergankelijkheid.

Guangzhou2014 087

 

 

 

 

 

 

 

Daarna nog even snel naar Duitsland, voor een kort privébezoek aan Berlijn en een bezoek aan het Max Planck Institut für Evolutionäre Anthropologie, in Leipzig, waar DNA monsters zijn genomen van de onderkaak van de makaak (Macaca florentina) die eerder dit jaar op de Maasvlakte werd gevonden.