Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Heggen, veel heggen graag!

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen week: over een lichtpuntje aan de horizon, en Waalse heggen:

Soms is het heerlijk om in een column eens even flink van leer te trekken tegen alles en iedereen die er een potje van maakt, van de natuur, van het landschap, de biodiversiteit, het klimaat en het algehele welbevinden van de mensheid op de langere termijn. Maar soms ook is het een genoegen om lichtpuntjes te benoemen. En vandaag heb ik er een voor u, zo’n lichtpuntje. De regering van Wallonië heeft namelijk het licht gezien, vandaar. En nee, dit is géén Belgenmop.

De Waalse regering heeft deze week een nieuw regeerakkoord gepresenteerd, en een van de speerpunten die daarin worden genoemd is het aanplanten van 4000 kilometer heggen. U hoort het goed: vierduizend kilometer, dat is de hemelsbrede afstand van het Naardermeer tot aan het Aralmeer in westelijk Oezbekistan. Als dat lukt, wordt heel Wallonië nog mooier dan het Normandische bocage-landschap.

Waar is dat nou goed voor, zult u denken. Want behalve dat heggen een landschap wel pittoresk stofferen, staan ze voor de moderne agro-ondernemer met zijn kolossale machinepark flink in de weg. Nou, de franstalige Belgen hebben niet minder dan tien voordelen ontdekt. En die zijn niet primair bedoeld voor wandelaars met een afritsbroek, plantengids en een verrekijker, maar juist voor de boeren. Heggen beschermen gewassen tegen windschade, werken als een dijkje bij plotselinge overstromingen, huisvesten insecten die plagen kunnen helpen bestrijden of die de bestuiving regelen, ze produceren hakhout voor de kachel en verfraaien daarnaast het landschap en bevorderen de biodiversiteit. Het is dus geen win-win dingetje, maar een win-win-win-win-enzovoort oplossing. De bijdrage aan de CO2 reductie is helaas te verwaarlozen, maar ja, je kunt nu eenmaal niet alles hebben.

In een land, Wallonië dus, dat te maken heeft met een teruggang van 57% onder de reptielen, met 52% minder mieren, 43% minder amfibieën, 33% van de libellen die op punt van uitsterven staan, en 30% van de vogels en 28% van de zoogdieren die in hun voortbestaan worden bedreigd, komen die vierduizend kilometer meidoorns, haagbeuken, vuilboompjes, sleedoorns, vlierbessen en ander struikgewas als een geschenk uit de hemel. Nou ja, ze staan er nog niet natuurlijk. Een Waalse boer had onlangs 700 meter aangeplant, en prompt zaten er groenlingen, vinken, kneutjes en geelgorzen die hij er daarvoor nooit zag, en insecten die vraatzuchtige de rupsen van zijn gewas plukten. In de afgelopen regeerperiode, toen het nog geen vastgesteld beleid was, is er al meer dan 100 kilometer aangeplant, dus de rest komt vast ook wel. En what about Nederland? In gedachten zie ik al mogelijkheden om zelfs van de Flevopolders nog iets moois te maken. Een idyllische bocage rond Biddinghuizen en Dronten.

Nee, die Belgen zijn echt zo gek nog niet.

Advertenties


Rotte vis

Ben een tijdje offline geweest, maar nu weer terug op deze webstek met een regelmatige nieuwe bijdrage. Afgelopen zondag meende ik Bas Haring een hart onder de riem te moeten steken en deed dat bij Vroege Vogels. Hier mijn column:

Onder de schurende kop ‘De natuur kan best wat soorten missen’ publiceerde De Volkskrant onlangs een interview met volksfilosoof Bas Haring, bekend van prettig leesbare boeken en boude uitspraken. Haring vraagt zich openlijk af of het met de biodiversiteit niet een tikje minder kan en of we daar dan last van zouden hebben. Er zijn bijvoorbeeld 700 soorten tropische vijgenwespen, maar wat zou er mis gaan als dat aantal tot de helft zou slinken? Is de aarde er akeliger aan toe met maar 350 soorten vijgenwespen? Een paar jaar geleden vroeg hij zich af wat er mis gaat als de panda zou uitsterven. Toen, en nu ook, werd en wordt Haring met hoon overladen. Vooral door biologen. Pek en veren. Rotte vis.

Maar Bas Haring doet precies wat een filosoof hoort te doen, namelijk ons aanzetten tot nadenken – en dat kan nooit kwaad, ook niet wanneer dat leidt tot vervelende conclusies. Ga naar na: de mammoet is uitgestorven, en de wolharige neushoorn, de sabeltandtijger, de dodo, de trekduif, de Carolina parkiet, de Tasmaanse buidelwolf, de reuzenalk, de zeekoe van Steller, het winterkoninkje van Stephen’s Island, de Myotragus en het dwergnijlpaardje van Cyprus – en zo kan ik doorgaan tot het nieuws van tien uur. Maar wees eerlijk: eet u daar een boterham minder door? Is een zomerse zonsondergang bij Kijkduin daardoor lelijker geworden? Geniet u minder tijdens een ochtendwandeling langs de Drentse Aa? Nee natuurlijk niet!

Het zal niet lang meer duren voordat ook de orang-oetan is uitgestorven, gevolgd door de witte en Sumatraanse neushoorns, de iconische panda, de gorilla en 350 soorten tropische vijgenwespen. Maar ook dan eet u geen aardappel minder en blijft de aardbol om zijn as tollen en rondjes om de zon draaien.

Alle negen of tien miljoen dier- en plantensoorten die bestaan, zijn het resultaat van bijna vier miljard jaar evolutie. Zij hebben alleen al vanwege die prestatie een intrinsieke reden van bestaan en verdienen het absoluut om niet te worden uitgeroeid. Ze mogen best worden beschermd en dat mag ook nog wat kosten, maar als dat om wat voor reden dan ook misgaat, is er weinig aan de hand. Morgen is er weer een dag, met verse koffie en een glaasje wijn bij het eten; maar wanneer Bas Haring dat nuchter constateert, is de wereld te klein.

Nee, niet de filosofen die ons prikkelen en laten nadenken zijn het probleem, maar de Trumps en de Bolsonaro’s van deze wereld – en eigenlijk wij allemaal, terwijl we zaniken over processierupsen en klagen over een molshoop in het gazon en vol ijver dat wespennestje onder de dakgoot doodspuiten. En dan is de mensheid ook nog hard op weg naar de tien miljard. Dat er dan geen plek meer overblijft voor veel andere soorten is een nare constatering, maar wel één die klopt. Denk daar maar eens over na, straks bij de koffie.

Fijne zondag.

(Ook te beluisteren op: https://vroegevogels.bnnvara.nl/nieuws/jelle-reumer-rotte-vis )


De bomen en het bos…

Voor wie afgelopen zondag 21 april Vroege Vogels heeft gemist: hier is de tekst van mijn column.

Er is veel te doen over onze bomen, op de sociale en in de papieren media wordt dagelijks geklaagd over de ongebreidelde bomenkap, maar ook gepleit voor meer biodiversiteit waarvoor juist wél bomen moeten worden gekapt, én voor minder CO2 waarvoor weer aanplant nodig is, én voor of tegen houtstookcentrales en dat alles in een zodanige melée van vaak onzinnige meningen dat geen mens door de bomen het bos nog ziet. Dat bomen CO2 vastleggen staat buiten kijf, maar zodra ze doodgaan en worden verbrand of wanneer ze verteren (wat chemisch gezien ook verbranden is maar dan veel langzamer en zonder vlammen) komt die CO2 weer vrij. Bomen helpen dus alleen op de korte termijn, ze geven Parijs een beetje respijt maar lossen het probleem niet op.

En dan, je hebt bomen en bomen. Er zijn eeuwenoude eiken en linden maar ook populieren die na al een jaar of veertig krakkemikkig worden. Er zijn bomen die hier van nature thuishoren en exoten als Douglas sparren en Amerikaanse eiken. Er zijn sierbomen en productiebomen. Prachtige eikenlanen bij oude landgoederen en sparren als scheepsmasten in rijen als de grafzerken op een soldatenkerkhof. Mensen hechten zich aan de bomen in hun omgeving, zelfs als dat eindeloze rijen ondenkbaar ijle populieren zijn. Een boom is meer dan een boom, en de hak- en zaagwoede is de laatste tijd flink uit de hand gelopen. Natuurmonumenten maakt pas op de plaats, Staatsbosbeheer legt geduldig uit dat er goede argumenten achter de zaagwoede steken, maar de timing is uiterst onhandig.

Wat mij nog het meeste stoort, is dat een bos niet wordt meer gezien als een natuurgebied, maar als een recreatieterrein. Je moet er niet alleen kunnen wandelen, maar ook hardlopen, fietsen en mountainbiken en bij gebrek aan handhaving zelfs kunnen motorcrossen. Er worden overal mountainbike-parcoursen aangelegd en mtb-wedstijden georganiseerd. Wat een waanzin.

Nederland bungelt bovendien met 11% bosoppervlak schaamteloos onderaan het Europese landenlijstje. Minister Carola Schouten, die ik meestal het voordeel van de twijfel gun, heeft nu gezegd dat de ontbossing moet stoppen. Ik heb een idee: een win-win-win oplossing. Vorm landbouwgrond om tot bos, dat wil zeggen, plant duizenden CO2-vastleggende bomen op gronden waar nu mais wordt geteeld, leg daar dan mtb-parcoursen in aan en ontlast zo de bestaande bossen van die maffe sport. Ik zie alleen maar voordelen: er zijn minder afgrijselijke maisvelden, er komt veel nieuw bos bij, er wordt tijdelijk een hoop CO2 vastgelegd en de bestaande bossen komen weer beschikbaar voor wie er echt thuishoren: de wielewaal en de bosuil.

Maar met een minister die weliswaar van goede wil is maar ook landbouw in haar portefeuille heeft, zie ik toch een beer op de weg. Dat de agrobusiness en de natuurbescherming in één departement zijn ondergebracht is net zoiets als een leeuw en een lam in één hok stoppen. Dat loopt nooit goed af. Dan wint de leeuw, raggend op een mountainbike en zwaaiend met een kettingzaag in zijn klauwen.

 

 

 

 

 

 


Visie of vuurwerk?

Vandaag, 28 december, gaat de vuurwerkverkoop van start. Daarom nog een tekstueel knallertje op de grens van het nieuwe jaar. Mijn decembercolumn voor Vroege Vogels:

“Ik stem van harte in met het motto ‘De beste regering is die welke het minst regeert’ en ik zou het waarderen als het sneller en systematisch zou worden opgevolgd. Als het zover is, komt het uiteindelijk neer op het volgende, waarin ik ook geloof: ‘De beste regering is die welke helemaal niet regeert’; en wanneer de mensen daaraan toe zijn, zal dat het soort regering zijn dat ze zullen hebben.”

Dit zijn niet mijn woorden; ze werden in 1849 gepubliceerd door Henry David Thoreau, de beroemde Amerikaanse natuurfilosoof, nadat hij een paar jaar eerder een nachtje in het cachot had doorgebracht vanwege zijn weigering belasting te betalen. Een regering die helemaal niet regeert, het zijn woorden waar ze in Amerika wel pap van lusten. In ons eigen land hebben we liever een regering die wel regeert, die visie uitstraalt en verstandige dingen doet. Maar helaas, wie dat denkt, komt bedrogen uit. Onze regeringsleider meent dat wanneer je op visie zit te wachten, je maar naar de oogarts moet gaan.

Ik moest meteen aan deze woorden van Thoreau denken, toen ik deze week in de krant het bericht las dat de gemeenten het instellen van vuurwerkvrije zones overlaten aan de burgers zelf. Het vuurwerkfestijn rond de jaarwisseling is volledig uit de hand gelopen. Terwijl u en ik de open haard en de barbecue niet meer aan durven steken vanwege het fijnstof en de geurtjes die het luchtruim kiezen, worden in een paar uur tijd een hoeveelheid fijnstof en zwaveldampen de lucht in geblazen waarbij de bombardementen in Jemen en Syrië verbleken als onschuldige kampvuurtjes. Onze huisdieren beleven een urenlange nachtmerrie. De oogartsen en chirurgen komen handen, scalpels en naald en draad tekort om alle oorlogswonden te behandelen. De politie en brandweer draaien overuren. De gezamenlijke Nederlandse vogelfauna kiest het luchtruim en blijft een paar uur op veilige hoogte rondcirkelen. De luchtverkeersleiding kan de wolken vogels op hun radarschermen waarnemen.

Al jaren pleiten honden- en kattenliefhebbers, artsenorganisaties, politie en brandweer en iedereen die de natuur een warm hart toedraagt voor een verbod op die flauwekul. Maar de overheid wil (pun intended) aan zo’n verbod de vingers niet branden. De rijksoverheid schuift de verantwoordelijkheid af naar de gemeenten, en die schuiven het nu door naar de burgers. Die mogen per straat uitzoeken of ze een vuurwerkvrije straat willen zijn of niet, en dan krijgen ze een leuk bordje cadeau waar dat op staat, maar de gemeente zegt er voor het eigen gemak meteen bij dat ze zo’n vrijwillige vuurwerkvrije zone niet gaan handhaven. Geen prioriteit. En dus hebben we straks weer de nodige kapotte vingers, ogen waar het licht uit verdwenen is, een paar miljoen bange honden en katten, en grote wolken opgeschrikte vogels.

Voor visie moet je bij de oogarts zijn, maar ja, die is dan net even druk bezig met opereren. Henry Thoreau krijgt zo ongewild zijn negentiende-eeuwse zin: we hebben een regering die niet regeert. Onthou zijn naam, Thoreau: die man had pas visie!


Stochastiek en terrasverwarmers

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen zondag:

Dat was flink genieten vorige week, dat mooie warme weekend met temperaturen boven 20 graden. Halsoverkop de teenslippers tevoorschijn gehaald, rokjesdag was aangebroken. Heerlijk. Zes weken geleden werden we nog geteisterd door die verrekte Russische beer met gevoelstemperaturen van onder de min 10, gure winden die rechtstreeks van de ijzige Karelische toendra’s kwamen. Het weer is vooral zo boeiend omdat het zo onvoorspelbaar is. Ja, het weer van morgen kan redelijk worden voorspeld, maar dat van overmorgen is al iets lastiger en het weer van volgende week is per definitie onvoorspelbaar. En dat terwijl het weer zo mooi meetbaar is in termen van temperatuur, windsnelheid, luchtvochtigheid en zonintensiteit. Het is hartstikke bèta, maar toch weten we het nauwelijks langer dan over drie, vier dagen met zekerheid te voorspellen. Dat komt doordat het weer een zogenoemd stochastisch proces is. Moeilijk woord, stochastisch; het is een deelgebied van de hogere wiskunde en verwant aan dingen als kansberekeningen en de algebra van het toeval. Volgens wiki is een stochastisch proces een opeenvolging van toevallige uitkomsten. Simpel gezegd zijn er zoveel toevallige invloeden van buitenaf dat je daardoor niet kunt voorspellen wat er gaat gebeuren.

Er zijn ontzettend veel stochastische processen waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben. Bekende voorbeelden zijn economische processen zoals de beurskoersen, het gedrag en de stemming van andere mensen met nadruk – uiteraard – op dat van pubers, de uitslagen van verkiezingen en de looprichting van een dronkenlap. Al zulke zaken kun je wel grofweg een beetje voorspellen, maar de uiteindelijke uitkomst is per definitie ongewis. Dat geldt ook voor het weer. Ja, we weten dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, maar daar blijft het ook wel bij, want het kan volgende week zondag zowel 30 als 15 graden zijn, stortregenen of kurkdroog zijn, stormen of windstil. Het houdt het leven spannend.

Maar goed, dit is allemaal een aanloop naar een grote ergernis in verband met die kou van onlangs. We houden niet van ongewisheid. We willen zekerheid. Mooi weer, een fijne warmte, en als de natuur er niet voor zorgt, maken we die zelf wel. Het laatste waar ikzelf bij een gevoelstemperatuur van min 12 en een snerpende noordoostenwind aan zou denken, is om buiten op een terras te gaan zitten om een biertje te drinken of zelfs in hemdsmouwen te dineren. En toch gebeurde dat overal, dankzij de meest idiote uitvinding die de mensheid ooit heeft voortgebracht: de terrasverwarmer. Vooral sinds het rookverbod de rokers naar de buitenruimte heeft verbannen, is het verschijnsel terrasverwarmer epidemisch toegenomen. Hele straten en halve pleinen worden opgewarmd met behulp van elektrische of gasgestookte branders. De hitte zorgt ervoor dat je aan de ene kant opwarmt en aan de andere kant even koud blijft als tevoren, maar vooral dat er een ongelooflijke hoeveelheid energie nutteloos in de gure wind wegwaait. Wat een onzin, het is hier Griekenland of Benidorm niet waar je het hele jaar buiten kunt zitten. Terwijl iedereen, de overheid voorop, de mond vol heeft over duurzaamheid en isolatie en dat we moeten besparen en van het gas af moeten, dat de laatste raamkiertjes moeten worden dichtgekit en we vooral geen lampje mogen laten branden in een ruimte waar we héél even niet zijn, vindt iedereen, de overheid voorop, het doodgewoon dat we de winterse buitenlucht verwarmen. Hoe krijg je het verzonnen? Bierdrinken op een ijzig winters terras, om dan na ruime intake van het nodige alcohol in een stochastische zwalk terug naar huis te waggelen.

Kunnen we niet gewoon stoppen met die onzin?


Cryptozoölogie

De februari-column voor Vroege Vogels was geïnspireerd door de prachtige tentoonstelling die momenteel in Teylers Museum in Haarlem te zien is: Monsterdieren. Over cryptozoölogie, en de onbewijsbaarheid van het niet-bestaan van het niet-bestaande:

Volgens de filosoof Bertrand Russell cirkelt er een theepot in een baan om de zon, en hij daagde ons allemaal uit om te bewijzen dat dat niet waar is. Russell’s theepot vormt de kern van een filosofisch vraagstuk, namelijk de vraag of je het niet-bestaan van iets dat niet bestaat kunt bewijzen. Dat kun je dus niet. Niemand kan overtuigend aantonen dat die theepot daar daadwerkelijk rondzweeft, maar het omgekeerde, namelijk bewijzen dat hij er NIET is, is ook onmogelijk.

Dezelfde onzekerheid heerst er rond de diersoorten die worden bestudeerd door de cryptozoölogie. Denk aan het monster van Loch Ness, de verschrikkelijke sneeuwman ofwel de yeti, de Sumatraanse dwergmensjes (orang pendek), en meer van dergelijke verborgen diersoorten. De charme van de cryptozoölogie is dezelfde als die van Russell’s theepot. Je kunt vooralsnog niet bewijzen dat het monster van Loch Ness daadwerkelijk door de koude Schotse wateren zwemt, maar het is evengoed ook niet voor 100% uit te sluiten. Afwezigheid van bewijs is geen bewijs voor afwezigheid. Juist die onzekerheid levert de charme.

Aan de cryptozoölogie is nu een mooie tentoonstelling in Teylers Museum gewijd. Het gaat over dieren waarvan we eigenlijk aannemen dat hun bestaan fictie is. Ja, of niet dus! Het ultieme cryptobeest ontbreekt op de tentoonstelling, de theoretische kat van Nobelprijswinnaar Erwin Schrödinger, die tegelijkertijd leeft én dood is. Die kat dus. Of hij leeft of niet, hangt af van de waarneming. Als je hem ziet en hij leeft, dan is hij levend, en als je hem ziet en hij is dood, dan is hij dood. Tot het moment van waarneming is hij dus zowel dood als levend. Het is cryptozoölogie voor gevorderden. Hetzelfde geldt voor de yeti. Zolang hij niet in levenden lijve is waargenomen of weliswaar dood maar als onmiskenbare sneeuwman is aangetroffen, bestaat hij niet. Maar als we hem wél vinden, bestaat hij. Vooralsnog bestaat hij dus tegelijkertijd wel én niet.

In Centraal Azië zijn diverse fossielen gevonden van een diersoort die een yeti zou kunnen zijn: de reuzen-orang-oetan Gigantopithecus, maar er wordt vanuit gegaan dat die al enkele tienduizenden jaren geleden is uitgestorven. Hetzelfde geldt voor de Indonesische dwergmensjes, die in de vorm van de hobbit Homo floresiensis wel degelijk hebben bestaan. Maar ook deze Flores-mens is allang uitgestorven. Ja, of niet dus!

Niemand kan met 100% zekerheid uitsluiten dat er niet nog ergens een kleine populatie van deze of aanverwante boskaboutertjes in de binnenlanden van Flores rondloopt, of desnoods op Celebes of Sumatra of zo. Tot het moment dat héél zuidoost Azië is platgebrand en herschapen in een monotone palmolieplantage blijft de mogelijkheid bestaan dat … ja, vult u zelf maar in.

En zo blijven we in het duister tasten. Over Loch Ness en het monster. De tot nu toe overlegde bewijzen overtuigen niet echt, de bekende vage foto is een hoax, en bijna iedereen vindt het aperte onzin, maar tegelijkertijd aanvaardt een niet onaanzienlijk deel van intelligent Europa zonder enige aarzeling dat ooit de maagd Maria is verschenen in een grot bij Lourdes. Bernadette Soubirous heeft haar zelf gezien en die waarneming staat als een huis, ook al is er geen foto van, zelfs geen vage of getructe. Maar bewijst u maar eens dat het onzin is. Bewijst u maar eens dat dat beest in het meer van Loch Ness onzin is. Dat lukt niet. Het niet-bestaan van het niet-bestaande is onbewijsbaar. Zo simpel en frustrerend is dat, en daarom blijft de cryptozoölogie zo’n fascinerend vakgebied op het grensvlak van geloof, bijgeloof, volksgeloof, leuterkoek, fantasie en wetenschap.


Nieuwe mensaap!

Vanmorgen weer een column bij Vara’s Vroege Vogels gedaan. Over de nieuwe orang oetan die onlangs werd gepubliceerd. Hij kan hier desgewenst ook worden beluisterd.

Yes, dat was nog eens nieuws! Voor het eerst sinds, nu bijna een eeuw geleden, de bonobo als een aparte soort mensaap werd beschreven, is er weer een nieuwe soort bijgekomen. Op Sumatra is een derde orang oetansoort gevonden.

Het dier kreeg in een artikel in het tijdschrift Current Biology de weinig tot de verbeelding sprekende naam Pongo tapanuliensis aangemeten. De andere soorten orang oetan zijn Pongo pygmaeus, dat is de Borneose soort, en Pongo abelii, die net als de nieuwe soort ook op Sumatra voorkomt. Een nieuwe mensaap, dat verwacht je echt werkelijk niet meer. Af en toe wordt er nog wel eens een nieuwe Colombiaanse muizensoort ontdekt of een vers gevonden Venezolaanse vleermuis beschreven, maar grote zoogdieren echt heel zelden en mensapen natuurlijk al helemaal nooit. Nou ja, tot twee weken geleden dus, toen die orang oetan met zijn onuitspreekbare naam werd gepubliceerd. Die naam tapanuliensis is overigens afgeleid van het Sumatraanse regentschap waar de soort is gevonden, Tapanuli Selatan. Regentschap, wat een mooi Multatuliaans woord is dat trouwens, maar dat terzijde.

Nog meer dan het bericht over die nieuwe aap verbaasde mij een terloopse opmerking in een van de vele nieuwsitems die ik erover voorbij zag komen. Daar stond namelijk opgemerkt dat er nu dus intussen zeven soorten mensapen bekend zijn. Ik citeer: “nu zijn er zeven soorten mensapen: drie orang oetans, twee gorilla-soorten, chimpansees en de bonobo.” Zeven. Ik ging ook maar eens tellen: uit Azië kennen we nu dus drie orang oetans en uit Afrika de mens, de westelijke en de oostelijke gorilla, de chimpansee en de bonobo, dat maakt volgens mij acht. En geen zeven. Om tot zeven te komen moet je er dus minstens één stiekem vergeten. Ik heb een chimpanseebruin vermoeden dat dat de mens is. Letterlijk stond daar dus dat de mens geen mensaap is, oftewel dat Homo sapiens niet zou behoren tot de familie der Hominidae, de mensachtigen. Dat is toch vreemd, dat mensen geen mensachtigen zijn. Het is een mooi voorbeeld van menselijke hoogmoed, van soortsarrogantie, en de neerslag van de oudtestamentische gedachte dat mensen niet tot het dierenrijk behoren.

Toen ooit de schepper schiep, schiep hij licht en donker, de hemel en de aarde, de planten, de dieren en helemaal aan het eind, vlak voordat hij aan zijn rustdag toe was, schiep hij de mens, twee stuks, een mannetje en een vrouwtje. Zo was het bij de dieren ook gegaan en dat werkte prima. Vele jaren later bedacht ene meneer Linnaeus dat wij mensen ook een wetenschappelijke naam nodig hebben, en sindsdien heten we Homo sapiens. Een drietal wetenschappers kwam in  2001 met een nieuwe en vooral zeer interessante indeling: zij stopten alle Afrikaanse mensapen in het geslacht Homo. De westelijke gorilla heet dan niet meer Gorilla gorilla maar Homo gorilla, enzovoort, en het leidt ertoe dat er tegenwoordig niet één mensensoort op aarde leeft, namelijk Homo sapiens, maar wel vijf. Het is de ultieme gelijkschakeling, het definitieve einde aan ons superioriteitsgevoel. Dit bijzondere voorstel om de chimp, de bonobo en de twee gorilla’s in de diersystematiek te vermenselijken, heeft onder bio1ogen helaas niet tot veel navolging geleid. Toch vind ik het wel een interessant idee, al is het maar als gedachtenoefening. Het maakt nederig. Het verklaart een hoop misplaatste borstklopperij van menselijke alfamannetjes en het maakt Bokito een stuk humaner. Wij zijn allemaal apen.