Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


De bomen en het bos…

Voor wie afgelopen zondag 21 april Vroege Vogels heeft gemist: hier is de tekst van mijn column.

Er is veel te doen over onze bomen, op de sociale en in de papieren media wordt dagelijks geklaagd over de ongebreidelde bomenkap, maar ook gepleit voor meer biodiversiteit waarvoor juist wél bomen moeten worden gekapt, én voor minder CO2 waarvoor weer aanplant nodig is, én voor of tegen houtstookcentrales en dat alles in een zodanige melée van vaak onzinnige meningen dat geen mens door de bomen het bos nog ziet. Dat bomen CO2 vastleggen staat buiten kijf, maar zodra ze doodgaan en worden verbrand of wanneer ze verteren (wat chemisch gezien ook verbranden is maar dan veel langzamer en zonder vlammen) komt die CO2 weer vrij. Bomen helpen dus alleen op de korte termijn, ze geven Parijs een beetje respijt maar lossen het probleem niet op.

En dan, je hebt bomen en bomen. Er zijn eeuwenoude eiken en linden maar ook populieren die na al een jaar of veertig krakkemikkig worden. Er zijn bomen die hier van nature thuishoren en exoten als Douglas sparren en Amerikaanse eiken. Er zijn sierbomen en productiebomen. Prachtige eikenlanen bij oude landgoederen en sparren als scheepsmasten in rijen als de grafzerken op een soldatenkerkhof. Mensen hechten zich aan de bomen in hun omgeving, zelfs als dat eindeloze rijen ondenkbaar ijle populieren zijn. Een boom is meer dan een boom, en de hak- en zaagwoede is de laatste tijd flink uit de hand gelopen. Natuurmonumenten maakt pas op de plaats, Staatsbosbeheer legt geduldig uit dat er goede argumenten achter de zaagwoede steken, maar de timing is uiterst onhandig.

Wat mij nog het meeste stoort, is dat een bos niet wordt meer gezien als een natuurgebied, maar als een recreatieterrein. Je moet er niet alleen kunnen wandelen, maar ook hardlopen, fietsen en mountainbiken en bij gebrek aan handhaving zelfs kunnen motorcrossen. Er worden overal mountainbike-parcoursen aangelegd en mtb-wedstijden georganiseerd. Wat een waanzin.

Nederland bungelt bovendien met 11% bosoppervlak schaamteloos onderaan het Europese landenlijstje. Minister Carola Schouten, die ik meestal het voordeel van de twijfel gun, heeft nu gezegd dat de ontbossing moet stoppen. Ik heb een idee: een win-win-win oplossing. Vorm landbouwgrond om tot bos, dat wil zeggen, plant duizenden CO2-vastleggende bomen op gronden waar nu mais wordt geteeld, leg daar dan mtb-parcoursen in aan en ontlast zo de bestaande bossen van die maffe sport. Ik zie alleen maar voordelen: er zijn minder afgrijselijke maisvelden, er komt veel nieuw bos bij, er wordt tijdelijk een hoop CO2 vastgelegd en de bestaande bossen komen weer beschikbaar voor wie er echt thuishoren: de wielewaal en de bosuil.

Maar met een minister die weliswaar van goede wil is maar ook landbouw in haar portefeuille heeft, zie ik toch een beer op de weg. Dat de agrobusiness en de natuurbescherming in één departement zijn ondergebracht is net zoiets als een leeuw en een lam in één hok stoppen. Dat loopt nooit goed af. Dan wint de leeuw, raggend op een mountainbike en zwaaiend met een kettingzaag in zijn klauwen.

 

 

 

 

 

 

Advertenties


Visie of vuurwerk?

Vandaag, 28 december, gaat de vuurwerkverkoop van start. Daarom nog een tekstueel knallertje op de grens van het nieuwe jaar. Mijn decembercolumn voor Vroege Vogels:

“Ik stem van harte in met het motto ‘De beste regering is die welke het minst regeert’ en ik zou het waarderen als het sneller en systematisch zou worden opgevolgd. Als het zover is, komt het uiteindelijk neer op het volgende, waarin ik ook geloof: ‘De beste regering is die welke helemaal niet regeert’; en wanneer de mensen daaraan toe zijn, zal dat het soort regering zijn dat ze zullen hebben.”

Dit zijn niet mijn woorden; ze werden in 1849 gepubliceerd door Henry David Thoreau, de beroemde Amerikaanse natuurfilosoof, nadat hij een paar jaar eerder een nachtje in het cachot had doorgebracht vanwege zijn weigering belasting te betalen. Een regering die helemaal niet regeert, het zijn woorden waar ze in Amerika wel pap van lusten. In ons eigen land hebben we liever een regering die wel regeert, die visie uitstraalt en verstandige dingen doet. Maar helaas, wie dat denkt, komt bedrogen uit. Onze regeringsleider meent dat wanneer je op visie zit te wachten, je maar naar de oogarts moet gaan.

Ik moest meteen aan deze woorden van Thoreau denken, toen ik deze week in de krant het bericht las dat de gemeenten het instellen van vuurwerkvrije zones overlaten aan de burgers zelf. Het vuurwerkfestijn rond de jaarwisseling is volledig uit de hand gelopen. Terwijl u en ik de open haard en de barbecue niet meer aan durven steken vanwege het fijnstof en de geurtjes die het luchtruim kiezen, worden in een paar uur tijd een hoeveelheid fijnstof en zwaveldampen de lucht in geblazen waarbij de bombardementen in Jemen en Syrië verbleken als onschuldige kampvuurtjes. Onze huisdieren beleven een urenlange nachtmerrie. De oogartsen en chirurgen komen handen, scalpels en naald en draad tekort om alle oorlogswonden te behandelen. De politie en brandweer draaien overuren. De gezamenlijke Nederlandse vogelfauna kiest het luchtruim en blijft een paar uur op veilige hoogte rondcirkelen. De luchtverkeersleiding kan de wolken vogels op hun radarschermen waarnemen.

Al jaren pleiten honden- en kattenliefhebbers, artsenorganisaties, politie en brandweer en iedereen die de natuur een warm hart toedraagt voor een verbod op die flauwekul. Maar de overheid wil (pun intended) aan zo’n verbod de vingers niet branden. De rijksoverheid schuift de verantwoordelijkheid af naar de gemeenten, en die schuiven het nu door naar de burgers. Die mogen per straat uitzoeken of ze een vuurwerkvrije straat willen zijn of niet, en dan krijgen ze een leuk bordje cadeau waar dat op staat, maar de gemeente zegt er voor het eigen gemak meteen bij dat ze zo’n vrijwillige vuurwerkvrije zone niet gaan handhaven. Geen prioriteit. En dus hebben we straks weer de nodige kapotte vingers, ogen waar het licht uit verdwenen is, een paar miljoen bange honden en katten, en grote wolken opgeschrikte vogels.

Voor visie moet je bij de oogarts zijn, maar ja, die is dan net even druk bezig met opereren. Henry Thoreau krijgt zo ongewild zijn negentiende-eeuwse zin: we hebben een regering die niet regeert. Onthou zijn naam, Thoreau: die man had pas visie!


Stochastiek en terrasverwarmers

Mijn Vroege Vogels column van afgelopen zondag:

Dat was flink genieten vorige week, dat mooie warme weekend met temperaturen boven 20 graden. Halsoverkop de teenslippers tevoorschijn gehaald, rokjesdag was aangebroken. Heerlijk. Zes weken geleden werden we nog geteisterd door die verrekte Russische beer met gevoelstemperaturen van onder de min 10, gure winden die rechtstreeks van de ijzige Karelische toendra’s kwamen. Het weer is vooral zo boeiend omdat het zo onvoorspelbaar is. Ja, het weer van morgen kan redelijk worden voorspeld, maar dat van overmorgen is al iets lastiger en het weer van volgende week is per definitie onvoorspelbaar. En dat terwijl het weer zo mooi meetbaar is in termen van temperatuur, windsnelheid, luchtvochtigheid en zonintensiteit. Het is hartstikke bèta, maar toch weten we het nauwelijks langer dan over drie, vier dagen met zekerheid te voorspellen. Dat komt doordat het weer een zogenoemd stochastisch proces is. Moeilijk woord, stochastisch; het is een deelgebied van de hogere wiskunde en verwant aan dingen als kansberekeningen en de algebra van het toeval. Volgens wiki is een stochastisch proces een opeenvolging van toevallige uitkomsten. Simpel gezegd zijn er zoveel toevallige invloeden van buitenaf dat je daardoor niet kunt voorspellen wat er gaat gebeuren.

Er zijn ontzettend veel stochastische processen waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben. Bekende voorbeelden zijn economische processen zoals de beurskoersen, het gedrag en de stemming van andere mensen met nadruk – uiteraard – op dat van pubers, de uitslagen van verkiezingen en de looprichting van een dronkenlap. Al zulke zaken kun je wel grofweg een beetje voorspellen, maar de uiteindelijke uitkomst is per definitie ongewis. Dat geldt ook voor het weer. Ja, we weten dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, maar daar blijft het ook wel bij, want het kan volgende week zondag zowel 30 als 15 graden zijn, stortregenen of kurkdroog zijn, stormen of windstil. Het houdt het leven spannend.

Maar goed, dit is allemaal een aanloop naar een grote ergernis in verband met die kou van onlangs. We houden niet van ongewisheid. We willen zekerheid. Mooi weer, een fijne warmte, en als de natuur er niet voor zorgt, maken we die zelf wel. Het laatste waar ikzelf bij een gevoelstemperatuur van min 12 en een snerpende noordoostenwind aan zou denken, is om buiten op een terras te gaan zitten om een biertje te drinken of zelfs in hemdsmouwen te dineren. En toch gebeurde dat overal, dankzij de meest idiote uitvinding die de mensheid ooit heeft voortgebracht: de terrasverwarmer. Vooral sinds het rookverbod de rokers naar de buitenruimte heeft verbannen, is het verschijnsel terrasverwarmer epidemisch toegenomen. Hele straten en halve pleinen worden opgewarmd met behulp van elektrische of gasgestookte branders. De hitte zorgt ervoor dat je aan de ene kant opwarmt en aan de andere kant even koud blijft als tevoren, maar vooral dat er een ongelooflijke hoeveelheid energie nutteloos in de gure wind wegwaait. Wat een onzin, het is hier Griekenland of Benidorm niet waar je het hele jaar buiten kunt zitten. Terwijl iedereen, de overheid voorop, de mond vol heeft over duurzaamheid en isolatie en dat we moeten besparen en van het gas af moeten, dat de laatste raamkiertjes moeten worden dichtgekit en we vooral geen lampje mogen laten branden in een ruimte waar we héél even niet zijn, vindt iedereen, de overheid voorop, het doodgewoon dat we de winterse buitenlucht verwarmen. Hoe krijg je het verzonnen? Bierdrinken op een ijzig winters terras, om dan na ruime intake van het nodige alcohol in een stochastische zwalk terug naar huis te waggelen.

Kunnen we niet gewoon stoppen met die onzin?


Cryptozoölogie

De februari-column voor Vroege Vogels was geïnspireerd door de prachtige tentoonstelling die momenteel in Teylers Museum in Haarlem te zien is: Monsterdieren. Over cryptozoölogie, en de onbewijsbaarheid van het niet-bestaan van het niet-bestaande:

Volgens de filosoof Bertrand Russell cirkelt er een theepot in een baan om de zon, en hij daagde ons allemaal uit om te bewijzen dat dat niet waar is. Russell’s theepot vormt de kern van een filosofisch vraagstuk, namelijk de vraag of je het niet-bestaan van iets dat niet bestaat kunt bewijzen. Dat kun je dus niet. Niemand kan overtuigend aantonen dat die theepot daar daadwerkelijk rondzweeft, maar het omgekeerde, namelijk bewijzen dat hij er NIET is, is ook onmogelijk.

Dezelfde onzekerheid heerst er rond de diersoorten die worden bestudeerd door de cryptozoölogie. Denk aan het monster van Loch Ness, de verschrikkelijke sneeuwman ofwel de yeti, de Sumatraanse dwergmensjes (orang pendek), en meer van dergelijke verborgen diersoorten. De charme van de cryptozoölogie is dezelfde als die van Russell’s theepot. Je kunt vooralsnog niet bewijzen dat het monster van Loch Ness daadwerkelijk door de koude Schotse wateren zwemt, maar het is evengoed ook niet voor 100% uit te sluiten. Afwezigheid van bewijs is geen bewijs voor afwezigheid. Juist die onzekerheid levert de charme.

Aan de cryptozoölogie is nu een mooie tentoonstelling in Teylers Museum gewijd. Het gaat over dieren waarvan we eigenlijk aannemen dat hun bestaan fictie is. Ja, of niet dus! Het ultieme cryptobeest ontbreekt op de tentoonstelling, de theoretische kat van Nobelprijswinnaar Erwin Schrödinger, die tegelijkertijd leeft én dood is. Die kat dus. Of hij leeft of niet, hangt af van de waarneming. Als je hem ziet en hij leeft, dan is hij levend, en als je hem ziet en hij is dood, dan is hij dood. Tot het moment van waarneming is hij dus zowel dood als levend. Het is cryptozoölogie voor gevorderden. Hetzelfde geldt voor de yeti. Zolang hij niet in levenden lijve is waargenomen of weliswaar dood maar als onmiskenbare sneeuwman is aangetroffen, bestaat hij niet. Maar als we hem wél vinden, bestaat hij. Vooralsnog bestaat hij dus tegelijkertijd wel én niet.

In Centraal Azië zijn diverse fossielen gevonden van een diersoort die een yeti zou kunnen zijn: de reuzen-orang-oetan Gigantopithecus, maar er wordt vanuit gegaan dat die al enkele tienduizenden jaren geleden is uitgestorven. Hetzelfde geldt voor de Indonesische dwergmensjes, die in de vorm van de hobbit Homo floresiensis wel degelijk hebben bestaan. Maar ook deze Flores-mens is allang uitgestorven. Ja, of niet dus!

Niemand kan met 100% zekerheid uitsluiten dat er niet nog ergens een kleine populatie van deze of aanverwante boskaboutertjes in de binnenlanden van Flores rondloopt, of desnoods op Celebes of Sumatra of zo. Tot het moment dat héél zuidoost Azië is platgebrand en herschapen in een monotone palmolieplantage blijft de mogelijkheid bestaan dat … ja, vult u zelf maar in.

En zo blijven we in het duister tasten. Over Loch Ness en het monster. De tot nu toe overlegde bewijzen overtuigen niet echt, de bekende vage foto is een hoax, en bijna iedereen vindt het aperte onzin, maar tegelijkertijd aanvaardt een niet onaanzienlijk deel van intelligent Europa zonder enige aarzeling dat ooit de maagd Maria is verschenen in een grot bij Lourdes. Bernadette Soubirous heeft haar zelf gezien en die waarneming staat als een huis, ook al is er geen foto van, zelfs geen vage of getructe. Maar bewijst u maar eens dat het onzin is. Bewijst u maar eens dat dat beest in het meer van Loch Ness onzin is. Dat lukt niet. Het niet-bestaan van het niet-bestaande is onbewijsbaar. Zo simpel en frustrerend is dat, en daarom blijft de cryptozoölogie zo’n fascinerend vakgebied op het grensvlak van geloof, bijgeloof, volksgeloof, leuterkoek, fantasie en wetenschap.


Nieuwe mensaap!

Vanmorgen weer een column bij Vara’s Vroege Vogels gedaan. Over de nieuwe orang oetan die onlangs werd gepubliceerd. Hij kan hier desgewenst ook worden beluisterd.

Yes, dat was nog eens nieuws! Voor het eerst sinds, nu bijna een eeuw geleden, de bonobo als een aparte soort mensaap werd beschreven, is er weer een nieuwe soort bijgekomen. Op Sumatra is een derde orang oetansoort gevonden.

Het dier kreeg in een artikel in het tijdschrift Current Biology de weinig tot de verbeelding sprekende naam Pongo tapanuliensis aangemeten. De andere soorten orang oetan zijn Pongo pygmaeus, dat is de Borneose soort, en Pongo abelii, die net als de nieuwe soort ook op Sumatra voorkomt. Een nieuwe mensaap, dat verwacht je echt werkelijk niet meer. Af en toe wordt er nog wel eens een nieuwe Colombiaanse muizensoort ontdekt of een vers gevonden Venezolaanse vleermuis beschreven, maar grote zoogdieren echt heel zelden en mensapen natuurlijk al helemaal nooit. Nou ja, tot twee weken geleden dus, toen die orang oetan met zijn onuitspreekbare naam werd gepubliceerd. Die naam tapanuliensis is overigens afgeleid van het Sumatraanse regentschap waar de soort is gevonden, Tapanuli Selatan. Regentschap, wat een mooi Multatuliaans woord is dat trouwens, maar dat terzijde.

Nog meer dan het bericht over die nieuwe aap verbaasde mij een terloopse opmerking in een van de vele nieuwsitems die ik erover voorbij zag komen. Daar stond namelijk opgemerkt dat er nu dus intussen zeven soorten mensapen bekend zijn. Ik citeer: “nu zijn er zeven soorten mensapen: drie orang oetans, twee gorilla-soorten, chimpansees en de bonobo.” Zeven. Ik ging ook maar eens tellen: uit Azië kennen we nu dus drie orang oetans en uit Afrika de mens, de westelijke en de oostelijke gorilla, de chimpansee en de bonobo, dat maakt volgens mij acht. En geen zeven. Om tot zeven te komen moet je er dus minstens één stiekem vergeten. Ik heb een chimpanseebruin vermoeden dat dat de mens is. Letterlijk stond daar dus dat de mens geen mensaap is, oftewel dat Homo sapiens niet zou behoren tot de familie der Hominidae, de mensachtigen. Dat is toch vreemd, dat mensen geen mensachtigen zijn. Het is een mooi voorbeeld van menselijke hoogmoed, van soortsarrogantie, en de neerslag van de oudtestamentische gedachte dat mensen niet tot het dierenrijk behoren.

Toen ooit de schepper schiep, schiep hij licht en donker, de hemel en de aarde, de planten, de dieren en helemaal aan het eind, vlak voordat hij aan zijn rustdag toe was, schiep hij de mens, twee stuks, een mannetje en een vrouwtje. Zo was het bij de dieren ook gegaan en dat werkte prima. Vele jaren later bedacht ene meneer Linnaeus dat wij mensen ook een wetenschappelijke naam nodig hebben, en sindsdien heten we Homo sapiens. Een drietal wetenschappers kwam in  2001 met een nieuwe en vooral zeer interessante indeling: zij stopten alle Afrikaanse mensapen in het geslacht Homo. De westelijke gorilla heet dan niet meer Gorilla gorilla maar Homo gorilla, enzovoort, en het leidt ertoe dat er tegenwoordig niet één mensensoort op aarde leeft, namelijk Homo sapiens, maar wel vijf. Het is de ultieme gelijkschakeling, het definitieve einde aan ons superioriteitsgevoel. Dit bijzondere voorstel om de chimp, de bonobo en de twee gorilla’s in de diersystematiek te vermenselijken, heeft onder bio1ogen helaas niet tot veel navolging geleid. Toch vind ik het wel een interessant idee, al is het maar als gedachtenoefening. Het maakt nederig. Het verklaart een hoop misplaatste borstklopperij van menselijke alfamannetjes en het maakt Bokito een stuk humaner. Wij zijn allemaal apen.


krakflatsers en flatskrakkers

In augustus had ik deze, ietwat persoonlijke, column gemaakt voor Vara’s Vroege Vogels.

Krakflatsers en flatskrakkers

U kunt het op de radio uiteraard niet zien, maar achter deze microfoon zit een herboren columnist. Het laatste half jaar werd ik geteisterd door een versleten heup, maar een maand geleden heeft een bekwame orthopeed mij voorzien van een splinternieuwe bionische schokbreker van staal, nylon en keramiek. Een verademing. Het hele gedoe gaf aanleiding tot gedachten over zaken als ons lijf en de kwetsbaarheid ervan, maar vooral over de buitengewoon gecompliceerde wijze hoe wij gewervelden in elkaar steken. Neem nou dat skelet, vele tientallen botten en botjes die met z’n allen steun en bescherming verschaffen. Stel je voor dat een mens geen geraamte zou hebben. We zouden als een vijftig, zestig, zeventig kilo zware en vormeloze blob vlees op de grond liggen, nauwelijks in staat tot bewegen. We zouden veroordeeld zijn tot een troosteloos bestaan als een enorme zeeanemoon, geheel afhankelijk van wat er toevallig aan ons voorbij zou vliegen of lopen. Een eenvoudige hand met spieren, pezen en botjes om een mug een klap te geven of om te kunnen krabben waar het jeukt, zou ontbreken.

In de loop van de evolutie is het verschijnsel skelet meerdere malen ontstaan. De twee belangrijkste modellen die nog altijd leverbaar zijn, zijn het exoskelet dat aan de buitenkant van het beest zit, en het endoskelet dat aan de binnenkant zit. Bij een exoskelet heeft het dier een pantser en zitten de spieren daar binnenin, en bij een endoskelet is dat andersom, daar zitten de spieren aan de buitenkant en het geraamte van binnen.

Een goede vriend van mij, onlangs gepensioneerd als biologieleraar aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, bedacht twee werkelijk beeldende termen om het onderscheid tussen exo- en endoskelet nooit meer te vergeten: krakflats en flatskrak. Stel dat een olifant per ongeluk op een dier stapt met een exoskelet, een kreeft bijvoorbeeld. Je hoort dan eerst de ‘krak’ van het brekende skelet en vervolgens een ‘flats’ als gevolg van de geplette spieren en organen. Bij een dier met een endoskelet, bijvoorbeeld een pad of een rat, hoor je eerst ‘flats’ en pas daarna ‘krak’. Zo onderscheidt hij het dierenrijk simpelweg in krakflatsers en flatskrakkers. Subliem.

De krakflatsers waren er het eerst. Al tijdens het Cambrium, ruim een half miljard jaar gelden, kropen trilobieten over de zeebodem en zwommen enge garnaalachtige roofdieren in het lauwe zeewater. Dat waren toen al volledig ontwikkelde krakflatsers. Het zou nog enkele tientallen miljoenen jaren duren aleer de eerste vissen met graten waren ontstaan, en daarmee de flatskrakkers. Sindsdien is het in principe zo gebleven.

De natuur heeft twee keer geprobeerd om het principe te verbeteren. De eerste poging is geslaagd en heeft ons de schildpadden opgeleverd, wat feitelijk krakflatskrakkers zijn want ze hebben om hun zachte delen heen weer een pantser ontwikkeld. De tweede poging waren middeleeuwse ridders met hun ijzeren harnas. Het waren ook krakflatskrakkers, maar omdat het bezit van een harnas nooit genetisch of epigenetisch is vastgelegd, is dit geen evolutionair succes gebleken en zijn ze vervolgens weer uitgestorven.

Ook wij mensen zijn flatskrakkers. Als dat andersom was geweest, had het mooie vak van orthopedisch chirurg nooit kunnen ontstaan. Dan was een uitdeukbedrijf met een blikopener en een popnageltang voldoende geweest om mij van een nieuwe heup te voorzien.


Kijk waar je loopt! bij Vroege Vogels TV

Drie mini-docu’s bij Vara’s Vroege Vogels TV

In aanloop naar de publicatie van Kijk waar je loopt!, besteedde Vroege Vogels TV drie maal aandacht aan de stadsfossielen van ons land; drie korte documentaires die hier terug te zien zijn:

http://vroegevogels.vara.nl/nieuws/oeroude-natuur-onder-je-voeten

http://vroegevogels.vara.nl/nieuws/stokoude-zeeslak-in-het-rijksmuseum

http://vroegevogels.vara.nl/nieuws/zeeuwse-zeelelies