Jelle Reumer

WETENSCHAP & COMMUNICATIE


Thoreau op Tiengemeten, deel 6

Drie begrippen tollen hier op Tiengemeten rond in mijn hoofd. Ze lijken hetzelfde te betekenen, maar dat is schijn. Het gaat om de termen ongerept, wildernis en natuur.

Ongerept is alles wat nooit door de mens is beïnvloed. Grote delen van het Amazonegebied, vrijwel geheel Antarctica en het grootse deel van Groenland zijn nog ongerept. Je moet voor het ongerepte in elk geval Europa uit, want zelfs het beroemde woud van Bialowieza in Oost-Polen is niet ongerept.

Wildernis is iets heel anders. Hier op Tiengemeten is het goed mogelijk om je in de wildernis te wanen. Tijdens een van mijn dwaaltochten raakte ik verzeild op een deel van het eiland dat blank stond, niet zichtbaar want het was helemaal dichtgegroeid met gras en watermunt en biezen, maar er stond zo’n vijf tot tien centimeter water. Ik waadde door een moeras en was volledig omgeven door uitbundige plantengroei en zoemende insecten. Een libel ging even zitten. Een paar tot dan onzichtbare watersnippen vlogen krijsend weg toen ik te dichtbij kwam. Ik waande mij er in de wildernis. Zo heeft Natuurmonumenten dat deel van het eiland trouwens ook genoemd, ‘Wildernis’, voor het geval je het niet in de gaten zou hebben.

img_1974-kopie

Natuur is weer iets anders. Het is alles wat spontaan opkomt, met óf zonder menselijke interventie. De (on)kruidjes tussen de stoeptegels in de stad, de bladluizen op een rijtje straatlindes, de ratten in uw kruipruimte en de hoofdluis bij uw kinderen zijn ook natuur. Daar zit een belangrijk verschil met de begrippen ongerept en wildernis. Ongereptheid kunnen we als mens teniet doen. Wildernis kan worden getemd, gekapt, omgeploegd, ontgonnen, zoals ooit de Brabantse en Drentse hoogvenen. Maar natuur laat zich niet teniet doen en niet temmen. Natuur is er, altijd en onvermijdelijk. Ik vergelijk ‘natuur’ graag met ‘het weer’. Het weer is er ook altijd. Het weer kan mooi zijn, het kan slecht zijn of ronduit waardeloos. Maar er is altijd weer. Er is ook altijd natuur en ook natuur kunnen we als lelijk of mooi beoordelen, maar in beide gevallen is sprake van natuur. Natuur is alles wat spontaan opkomt in de toevallig voorhanden zijnde omgeving. Hier zijn dat watermunt en guldenroede, libellen, watersnippen en een zeearend.

De Schotse hooglanders die hier ook lopen zijn niet ongerept, geen deel van de wildernis en ook geen natuur. Ze behoren tot een vierde begrip: cultuur. En dat is weer heel iets anders.

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 5

Vlakbij de westelijke haventje van Tiengemeten is een klein modderig strandje, waar ik een plantje ontdekte dat ik nooit eerder had gezien. Het bloeide uitbundig met leuke gele bolletjes, zoiets als het hart van een madeliefje maar dan wat groter en zonder de krans van witte straalbloemetjes eromheen. Overduidelijk een zogenoemde composiet, een lid van de grote plantenfamilie waartoe ook de zonnebloem, de margriet en de paardenbloem behoren. De bloemen van deze planten zijn eigenlijk geen echte bloem, maar een bundel van heel veel kleine bloemetjes, een samenstelsel dus, vandaar de naam composieten. En dat plantje hier aan de oever van het Vuile Gat was overduidelijk ook zo’n composiet. Maar helaas, ik kon hem niet vinden in mijn plantengids, de bekende Heukels’ Flora van Nederland, wat er ongetwijfeld aan ligt dat het boekwerkje dat ik hier bij me heb en dat ik ooit voor mijn studie aanschafte, intussen zwaar verouderd is. Het is de zestiende druk uit 1970, wat niet verbazingwekkend is omdat ik in 1971 biologie ging studeren.

img_2912

 

De smartphone biedt gelukkig uitkomst. Ik maak een foto van de plant, schiet een detailplaatje van een bloem (ja, ik weet het: ik hoor hier natuurlijk ‘bloeiwijze’ te schrijven) en stuur beide via de satelliet de wereld in. Binnen een paar minuten was er antwoord van een jonge bioloog die werkt bij het Rotterdamse Bureau Stadsnatuur: ‘Jelle, dit is goudknopje’. Weer wat geleerd. Goudknopje is een exoot, pas sinds 1972 in ons land aanwezig en hij groeit bij voorkeur op oevers die door koeien of ganzen worden beweid. Dat voorkeursmilieu is hier met duizend ganzen en honderd Schotse hooglanders wel gegarandeerd.

Goudknopje is niet de enige exoot op Tiengemeten. Begin september nog kleurde het halve eiland geel vanwege de uitbundig aanwezige Canadese guldenroede.  De buitendijkse slikken, waar ooit riet werd gesneden, zijn er vrijwel geheel mee bedekt. De planten worden bijna manshoog, in elk geval hooglanderhoog, want de hooglanders vallen geheel weg als ze ertussendoor lopen.

Verder zag ik hier roze bloeiende reuzenbalsemien, er staan wat zorgwekkende plukken Japanse duizendknoop en Natuurmonumenten probeert de woekerende kleine waterteunisbloem uit te roeien voor het te laat is. Exoten doen het altijd uitstekend op verstoorde grond. En wees eerlijk: wat is er nou meer verstoord dan voormalige aardappelakkers of suikerbietenvelden? Uiteindelijk zal het wel goed komen en ik weet zeker dat die guldenroede over honderd jaar geen probleem meer is; let maar op.

En tja, nu toch maar eens de nieuwste druk van Heukels’ Flora op de kop tikken.

 

 

 

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 4

Vanochtend vroeg is er een enorm kabaal naast het huis, allemaal geplons en gespetter vlak onder het slaapkamerraam, alsof een buslading tienjarigen in de ondiepe vaart is gesprongen en elkaar nu staat nat te petsen. Ik verblijf in de sluiswachterswoning; ernaast is een oude spuisluis, maar veel gespuid hoeft er niet meer te worden sinds Natuurmonumenten aan de andere kant van het eiland een gat in de dijk heeft gemaakt. Als ik opsta, blijken het geen kinderen te zijn maar vogels. Een stuk of vijftig aalscholvers en een twintigtal grote zilverreigers zijn naast de woning in het binnendijkse deel van de tocht tekeer aan het gaan. Als kinderen in een zwembad. Er zit vast veel vis, maar zodra ze mij ontwaren, in mijn ochtendjas en met de camera klikklaar, gaan ze allemaal de lucht in. Het is een lawaai van jewelste als tientallen aalscholvers het water tegelijkertijd als startbaan benutten.

img_1901

Twee minuten later is het stil. Ik wil teruglopen, maar zie iets door het water bewegen. Iets groots. Een bever? Het is groot en bol, steekt een paar centimeter boven water uit, soms wat meer, soms is het bijna verdwenen. Vreemd: het blijkt een aalscholver te zijn, maar ik zie alleen zijn rug bol en snel en opwippend voortbewegen. Dan tilt hij zijn kop op, die vreemd onder het lichaam gebogen zit. En nog een keer, en nog een keer. Is hij aan het verdrinken? Daar doet hij dan wel erg lang over. Hij lijkt eigenlijk wel dood, maar is toch flink aan het spartelen. De kop blijft krampachtig onder het lichaam gevouwen zitten en is vrijwel permanent onder water. Hij had zo echt allang dood moeten zijn, maar blijft maar op en neer gaan, met die vreemde kromgevouwen nek.

Dan begint het me te dagen. Hij is inderdaad morsdood, de kop zit in een rigor mortis onder het lijf gevouwen, de vleugels half gespreid, de staart als een waaier naar achter stekend. Al dat gespartel is geen doodsstrijd, maar wordt veroorzaakt door een of andere vis die aan de omlaag stekende poten zit te trekken. Wie doet dat? Welke vis houdt ervan om aan het lijk van een dode schollevaar te sjorren? Gezien de kracht van de sjorbeweging moet het een forse vis zijn. Een brasem wellicht? Een snoek? Ik kom het niet te weten. Wanneer ik even later aangekleed ben, is het hele tafereel in het grote niets van Tiengemeten opgelost. De natuur begint een nieuwe dag. Ik ga maar thee zetten.

 

 

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 3

Het maandelijkse Volkskrant Kenniscafé in De Balie is op 19 september weer van start gegaan, met een uitverkochte zaal. Onderwerp: het brein. Ondanks mijn afwezigheid toch een column, in de vorm van een filmpje. Hier de tekst:

Laten we het eens hebben over frisse lucht. Het brein wordt ook wel de bovenkamer genoemd en – zoals we allemaal weten – een kamer moet af en toe worden gelucht om te voorkomen dat het er benauwd en bedompt wordt. De buitenlucht moet naar binnen, de muizenissen en spinnenwebben moeten eruit. Maar hoe doe je dat? Je kunt niet letterlijk een raam of luikje openzetten en schedelboringen zijn af te raden. De enige serieuze mogelijkheid is een flinke wandeling in de buitenlucht. Dat werkt, het geeft helderheid aan het beslagen brein en levert frisse nieuwe gedachten.

Er is geen betere plek voor het breinluchten dan Tiengemeten, waar ik momenteel verblijf tussen duizend ganzen en honderd harige hooglanders om over Henry Thoreau te schrijven, de man die twee jaar lang in het bos aan de rand van een meertje ging wonen om zijn eigen gedachten te ventileren. Thoreau was een transcendentalist, en hij zou gegruwd hebben van de bestseller van Dick Swaab. Hij zou het veel te materialistisch hebben gevonden. Hij zou de ziel hebben gemist, en het karakter. Thoreau zocht de bezieling in de natuur. Je kunt de natuur natuurlijk materialistisch bekijken, als allemaal soorten planten en dieren en milieufactoren en hormonen en feromonen, maar daarmee heb je nog niet de bezieling ervan te pakken. Je kunt je ook door de natuur laten overweldigen zonder precies te weten en te hóeven weten welk insect aan welk plantje zit te knagen en waarom. De natuur is meer dan al die soorten en wat ze doen, de natuur kan ons ook bezielen, zoals muziek ons kan raken en zoals een landschap ook een karakter kan hebben en ons overweldigen. Dat is het transcendente van Thoreau.

Ons brein moet ook meer zijn dan alleen maar een klont neuronen, dendrieten, neurotransmitters en stroompulsjes, ingebed een bleke vette pap. Ergens, tussen de muizenissen en de spinnenwebben zit de ziel, en de vrije wil, en het karakter. Door af en toe eens lekker te luchten kun je daar wellicht een glimp van te pakken krijgen. De beste manier om je brein te luchten en je kop te laten doorwaaien is door te gaan wandelen, liefst in de vrije natuur. Dat wisten de oude filosofen ook al, Aristoteles wandelde in Athene, Rousseau door de Alpen, Thoreau rond zijn bosmeer en Darwin door zijn tuin, maar een prima andere plek daarvoor is Tiengemeten. Hier, onder voortjagende Hollandse wolkenluchten, wordt het brein effectief leeggeblazen en blijft de ziel gelouterd achter, niet bestaand maar zeer aanwezig. U krijgt de groeten van de ganzen.

 

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 2

In 1906 werd de Vereniging Natuurmonumenten opgericht om het Naardermeer, tussen Naarden en Weesp, te redden van een toekomst als vuilnisbelt. Het brein achter de actie was de Amsterdamse onderwijzer Jac. P. Thijsse. Veel Nederlanders kennen de naam Jac. P. Thijsse wel, meestal van de ouderwetse Verkade-albums. Maar als je vraagt wie Henry David Thoreau was, hoef je niet op een antwoord te rekenen. Die kent niemand. Wel in de VS: daar kent bijna iedereen hem. Thoreau was een groot kenner van de natuur, struiner, wandelaar, natuurfilosoof en schrijver. Veel Amerikanen kennen vooral zijn bekendste boek Walden, geschreven tijdens zijn tweejarig verblijf in een hut aan de rand van een meertje bij Concord, Massachusetts.

Dat de gemiddelde Amerikaan nog nooit van Jac. P. Thijsse heeft gehoord mag geen verwondering wekken; de gemiddelde Amerikaan weet zelfs amper waar Nederland ligt. Maar dat de gemiddelde Nederlander ook nog nooit van Henry D. Thoreau heeft gehoord, is echt heel jammer, omdat er een directe link bestaat tussen Thoreau (1817 – 1862) en Thijsse (1865-1945).

Jac. P. Thijsse kreeg zijn ideeën over natuurbescherming en zijn liefde voor het buitenleven niet zomaar out of the blue. Hij borduurde voort op een traditie die in Amerika wortelt en die begon bij Thoreau. In 2017, volgend jaar dus, is het tweehonderd jaar geleden dat Thoreau werd geboren. Een goede aanleiding om Thoreau in ons land wat meer bekendheid te geven. Dat lijkt moeilijk, want de Engelstalige werken van Thoreau zijn taaie kost en niet meteen toegankelijk. Er is bovendien maar heel weinig in het Nederlands vertaald. Maar daar gaan we wat aan doen! Volgend jaar komt er een bundel uit met onder andere biografische informatie en een vertaling van Thoreau’s belangrijkste essay, ‘Walking’ (wandelen). Zijn stuk begint met de woorden: ‘Ik wil het woord voeren over de natuur’, en ergens halverwege staat de beroemde zin: ‘In de wildernis ligt de redding van de wereld’.img_2837

Wildernis is ook de naam van het grootste gedeelte van het eiland Tiengemeten, dat prachtige nieuwe natuurgebied in het Haringvliet. Het was daarom een fijn idee van Natuurmonumenten om mij uit te nodigen om gedurende zes weken in de Wildernis van Tiengemeten te bivakkeren om aan het boek over Thoreau te werken. Want zonder Thoreau had Thijsse geen inspiratie gehad, zonder Thijsse was Natuurmonumenten er niet, en zonder Natuurmonumenten zou Tiengemeten nog altijd vol aardappels en uien hebben gestaan. Dus zit ik nu op Tiengemeten, tussen de ganzen, de hooglanders en de kiekendieven, om de oervader van Natuurmonumenten wat beter over het voetlicht te brengen.

 

 


Thoreau op Tiengemeten, deel 1

Een tijdje ben ik uit de lucht geweest, verhuisd van 010 naar 030, wat gereisd, maar nu ben ik neergestreken op Tiengemeten, om er op uitnodiging van de Vereniging Natuurmonumenten gedurende zes weken te werken aan een boek over de Amerikaanse natuurvorser en schrijver Henry David Thoreau. Daarover in volgende blogs meer.

Nederland heeft zes eilanden die permanent bewoond zijn. Vijf daarvan zijn Waddeneilanden, de zesde en kleinste is Tiengemeten in het Haringvliet. Dankzij Natuurmonumenten mag ik daar zes weken vertoeven om aan de bundel te werken, omringd door het puikje van de Nederlandse fauna waaronder de noordse woelmuis, zeearenden en een bever. Tiengemeten is nog een echt eiland met een pontje. Goeree-Overflakkee, Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland zijn met bruggen en dammen vastgeniet en feitelijk deel van het vasteland geworden, eraan vastgeknoopt met waterstaatskunstwerken als infrastructurele scheepstrossen die lijken te voorkomen dat de eilanden richting Noordzee afdrijven en over de einder verdwijnen. Nee, dan Tiengemeten, dat is nog echt een eiland. Tussen 10 en 17 uur lopen er dagjesmensen op het eiland, waarvan de meesten overigens het centrale ‘dorpje’ rond het bezoekerscentrum, het pannenkoekenrestaurant, de modderspeeltuin en de twee museumpjes niet verlaten. Na vijven is het slechts rust dat heerimg_1834st. De stilte is dan oorverdovend, vooral wanneer tegen zonsondergang de wind gaat liggen en de vogels zwijgen. Je kunt dan de koeien (er wonen hier honderd harige hooglanders) horen grazen.

 

En het weer helpt ook enorm mee. Voorlopig weet de zomer niet van wijken. ’s Morgens zitten de atalanta’s zich op te warmen in de ochtendzon. Dat doe ikzelf trouwens ook graag. En daarna lekker een paar uur schrijven.


De stad en de reigers

Afgelopen week wandelde een blauwe reiger door Twitterland. De aanleiding was een foto die vogelaar Adrie Streefland had geplaatst op de website waarneming.nl; dat is een site waarop alerte vogelaars, wakkere botanici en oplettende entomologen hun waarnemingen wereldkundig maken, bij voorkeur voorzien van een scherpe foto om de accuraatheid van de determinatie te onderstrepen. Bij een blauwe reiger is iedere twijfel over de juiste soortidentificatie voorbarig, maar de foto toonde iets anders. De reiger stond voor de winkelpui van een Amsterdamse snackbar en bestudeerde, althans zo leek het, de daarop aangebrachte menukaart. 10329248Dat is toch wel bijzonder; wat doet zo’n beest daar in die buurt? Waarom staat hij niet naar behoren en conform de voorschriften uit het Handboek Reiger langs een boerensloot om voorntjes en kikkers te vangen?
Het antwoord is simpel: de reiger heeft het urbane milieu ontdekt. Het stikt in Amsterdam van de reigers. En trouwens ook van de duiven, de meeuwen, de halsbandparkieten, gierzwaluwen, nijlganzen, sperwers en af en toe een slechtvalk. Het lijkt warempel wel een natuurgebied! Ik kan u verklappen: het IS een natuurgebied.

Het arctische noorden van Canada is ook een natuurgebied. Daar leven poolvossen en ijsberen en zeehonden, maar geen giraffen, olifanten en apen. Die soorten houden niet van sneeuw en koude. In de oerwouden van Brazilië leven papegaaien, aapjes en toekans, maar geen pinguïns, zeerobben en przewalskipaarden. Die houden weer niet van oerwoud. In ons eigen Groene Hart leven kieviten, zwanen en hopelijk nog wat grutto’s, maar er zijn veel meer soorten die er níet leven dan wel. Maar dat geldt voor ieder ecosysteem, zelfs voor de mondiale biodiversiteits-hotspots. Iedere omgeving is geschikt voor dieren en planten en tegelijkertijd óngeschikt voor nog veel meer soorten. Wat dat betreft is er geen verschil tussen Groenland, een koraalrif of de Veluwe.

Maar de stad dan? Ja maar, zult u roepen, die stad is door mensen gemaakt en het koraalrif niet. Dat klopt natuurlijk, maar je kunt je afvragen of een willekeurige dier- of plantensoort dat onderscheid ook maakt. Ik waag dat te betwijfelen. Ik denk – sterker nog: ik beweer zonder tegenbericht zeker te weten – dat het een koolmees een volstrekte worst zal zijn of hij of zij het nestje maakt in een boomholte in een ongerept loofwoud of in een nestkastje op een balkon in de Watergraafsmeer; en dat het een muurvarentje geen ene zak uitmaakt of hij is ontkiemd op een rotswandje in de Waalse Ardennen of de Beierse Alpen, of op een kademuur in de binnenstad van Haarlem. Een rotswand is een rotswand, geen gezeur daarover.

Iedere willekeurige habitat wordt door diverse soorten als een geschikte leefomgeving herkend en dan kunnen die soorten zich er ook daadwerkelijk vestigen. En zo niet, dan niet. Tant pis. Heel simpel. En laten we eerlijk zijn: ook de veelgeprezen Oostvaardersplassen, de paars bloeiende heidevelden in Drente en het Gooi, en al die weilanden met grutto’s en kieviten zijn ook gewoon door de mens gemaakt, net als het Leidseplein en het Vondelpark. Kortom: kleur de plaatjes en zoek de verschillen. Ik zie ze niet.

(Kenniscafé-column 14 maart 2016; foto credits: Adrie Streefland, via waarneming.nl )